Een klein, onooglijk brokje van een verguisde wereldgodsdienst

Opgravingen en een zwaargehavend boekfragment sterken kerkhistorici in hun overtuiging dat het manicheïsme ooit een breed beleden geloof was. Dat maakt het waarschijnlijk dat kerkvader Augustinus indringend door Mani beïnvloed werd en er zijn ideeën op entte....

KARDINAAL RATZINGER, de hoeder van de rechte leer in het Vaticaan, blíjft het ontkennen. Volgens hem is de kerkvader Augustinus op geen enkele wijze beïnvloed door het manicheïsme. Augustinus was tien jaar lang lid van de sekte die predikte dat de mens een goddelijk vonkje heeft in een verder slechte wereld. Christus belichaamde dat vonkje, net als zijn profeet Mani en wie hem volgt kan, al dan niet na reïncarnatie, in het rijk van het Licht binnengaan.

'Ach ja, de kardinaal', verzucht dr J. van Oort, 'De invloed van het manicheïsme was wel degelijk groot. Hij was niet voor niets zo lang lid. Maar het Vaticaan wil Augustinus van alle ''ketterse'' smetten vrij houden. Misschien vergeet het dat de kerkvader, die aan de wieg van het westerse katholieke christendom staat, zijn ideeën juist heeft ontwikkeld door de uitdagingen waarvoor het manicheiëme hem stelde.'

Van Oort is specialist in het manicheïsme aan de Universiteit Utrecht en gasthoogleraar vroege kerkgeschiedenis aan de universiteit van Oxford. Hij is medeverantwoordelijk voor de definitieve vertaling van de zogeheten Keulse Mani-codex die binnenkort in Nederlandse vertaling uitkomt. Daarnaast is hij betrokken bij opgravingen in de Dachleh-oase in Egypte, 800 kilometer onder Caïro, midden in de woestijn.

Daar zijn onlangs tal van papyrusteksten opgegraven, waaronder brieven van Mani zelf. De opgravingen zijn nog in volle gang. Uit deze vondsten en uit de Mani-codex blijkt onomstotelijk dat de aanhangers van Mani geen onbelangrijke sekte waren, maar leden van een goed georganiseerde kerk die tienduizenden leden telde.

De kerk strekte zich uit van het Spaanse Cadiz tot China. Zij bloeide in Perzië, was staatsgodsdienst in Turkistan in de achtste eeuw, was tot voor kort bij wet in Vietnam als staatsgodsdienst verboden. Bij de Chinese stad Zhuanzhou staat een tempel waar Mani nog steeds wordt vereerd.

De Keulse Mani-codex is een goudmijn voor historici die de geschiedenis bestuderen van deze wereldkerk die eeuwenlang de naaste concurrent was van het christendom. Egyptische antiquairs in Caïro boden het onooglijke en gehavende brokje tekst van 3,5 bij 4,5 centimeter aan aan het Franse archeologische instituut in Caïro. Hoe ze aan de tekst waren gekomen en waar hij was gevonden wilden ze geheim houden. Op de vraag of er nog meer was, gaven ze geen antwoord.

Het instituut weigerde het geschrift te kopen, evenals het Institut de Papyrologie van de Parijse Sorbonne, dat de prijs te hoog vond. Uiteindelijk werd het boekwerkje door de universiteit van Keulen gekocht voor een nog altijd onbekend, maar hoog bedrag. Van Oort: 'Van het document ontbraken vooral de laatste delen, in totaal heeft het minstens 192 pagina's geteld. Het boek is een compilatie van geschriften van de eerste discipelen van Mani.' Hij sluit niet uit dat er nog meer tekst beschikbaar zal komen.

Mani woonde in Babylonië, niet ver van het huidige Bagdad. Hij groeide op in groep van joden die Jezus als Messias aanvaardden, een van de talloze joodse gemeenschappen die in Babylon in ballingschap leefden na de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar.

De eerste openbaringen kreeg Mani op twaalfjarige leeftijd ingefluisterd door een engel die hij zijn 'hemelse tweeling' noemde. Er volgden meer openbaringen. Mani was ervan overtuigd dat God steeds opnieuw profeten stuurde zoals Mozes, Jezus en Zarathustra.

Hij hield zijn gemeenschap voor dat hij ook zo'n incarnatie was en wel de laatste, het zegel der profeten. Deze boodschap kostte hem bijna het leven, want de oudsten wilden hem laten stenigen. Mani begon daarop, hoewel mank aan één been, een serie apostolische reizen zoals Paulus. Ook zond hij discipelen uit, ondermeer naar Egypte, waar de beweging een paar jaar later bij edict werd verboden. De autoriteiten vonden de nieuwe religie te bedreigend voor het bestaande christendom.

Mani was onvermoeibaar, telkens weer bezocht hij bijeenkomsten van joden in de diaspora. Zo reisde hij na zijn terugkeer uit Armenië naar India. Maar de hindoes accepteerden hem niet, of zoals Mani zelf schrijft: 'Ik was te diep voor dat land, het bleef onbewogen. Ik was dieper voor dat land dan al die wijzen. Het volhardde in zijn dwalingen.'

Van Oort: 'Hij hield er toezicht op dat zijn leerlingen nauwkeurig opschreven wat hij hen over zijn openbaringen vertelde. Hij wilde niet in de fout vervallen van andere godsdienststichters als Mozes, Jezus, de Boeddha en Zarathustra die dat niet hadden gedaan. Hij meende dat hun geschriften daarom waren vervalst.

De vraag naar het waarom van het lijden en het kwaad was voor manicheërs, net als voor Augustinus, de kernvraag. Mani, die zich in de ontdekte brief 'apostel van Jezus' noemt, leerde dat de wereld het toneel was van een eeuwig durende strijd tussen goed en kwaad. De materie en Satan stonden voor het kwade; het spirituele, God en zijn engelen, voor het goede. Het kwade is een eeuwige kosmische macht, daartegenover staat het lichtrijk waar de Vader der Grootheid regeert.

Voor Augustinus was dit dualisme uiteindelijk onbevredigend als verklaring voor het kwaad. Hij kon geen genoegen nemen met deze passieve houding. Hij meende dat de mens tot keuzes in staat is en meer is dan een speelbal van de krachten van goed en kwaad.

Van Oort: 'Mani was zeer wettisch joods opgevoed. Na zijn openbaringen verwierp hij de Tora, het Oude Testament, radicaal. Ook het strikte monotheïsme van het jodendom verving hij. In het jodendom en het christendom kennen we de figuur van Job die God naar het waarom van het lijden vraagt. Voor Mani is dat geen vraag. God is goed en Satan, de kwade evenknie, richt het kwade aan.'

De profeet won tienduizenden aanhangers. De teksten uit Dachleh maken duidelijk dat zij zich verregaand christelijk gedroegen, hoe afwijkend hun geloofsleer ook was. Een aanhanger van Mani was alleen te herkennen aan het feit dat hij tijdens de eucharistie geen wijn wilde drinken omdat wijn van de duivel kwam.

Het taalgebruik van de manicheërs lijkt zelfs zo op het traditionele christelijk taalgebruik uit die tijd, dat pas sinds enige tijd duidelijk is, dat de teksten uit Dachleh van manicheërs afkomstig zijn en niet van christenen.

Van Oort: 'De recente vondsten tonen dat er naast het in toenemende mate uniforme christendom van de zogeheten Rijkskerk ook een sterk spiritualistische variant van het christendom was die speciaal intellectuelen aansprak. Deze variant is in de vorm van het manicheïsme uitgegroeid tot een wereldkerk met een eigen organisatie, mythen, riten en kunstvormen als de prachtige Perzische schilderingen. Tot voor kort wisten we daar bijna niets van.'

Van Oort wijst erop dat de vondsten in de woestijn wel eens net zo belangrijk zouden kunnen zijn als de Dode Zeerollen bij Qumran. 'Maar goed dat moeten we afwachten. In ieder geval geven de gevonden teksten een ander, nieuw beeld van het vroege christendom. De geestelijke stromingen in en buiten de Kerk in de eerste eeuwen zijn veelkleuriger en veelvormiger geweest, dan we eerst dachten.'

Henk Müller

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden