Een kind begrijpt het Een kind begrijpt het

Poëzie is het thema van de Kinderboekenweek. Maar is dichtkunst wel wat voor kinderen? Nou en of, betoogt Aleid Truijens, die menige overeenkomst ziet tussen kleuterversjes en ‘hogere’ poëzie....

Nederlanders die al jaren in het buitenland wonen, wil het nog wel eens overkomen. Ook al zijn ze volkomen gelukkig in hun nieuwe vaderland en spreken ze thuis de plaatselijke taal, drómen ze zelfs in die taal, één ding kan een bres slaan in hun nieuwe identiteit: het horen van een kinderliedje.

Enkele onbenullige woorden, op een simpel melodietje, doen hun wonderlijke werk: ‘Hinkelepinkel, daar kom ik aan’, ‘Schuitje varen, theetje drinken’, ‘Eén twee drie vier, hoedje van hoedje van’ of ‘Spinazie, spinazie – wat poept dat kindje groen’.

Er klapt een luik open. Daar, in die kamer, valt een streep zon door de vitrage. Een moeder houdt een kind tegen zich aangedrukt en zingt. ‘Voor de kleine Poppedeine- en de grote Bombam’. De veilige geur van Liga-koeken en lammetjespap, het zachte angoravest, haar net niet zuivere maar betrouwbare stem – toen was er nog niets verloren. ‘De weg was recht, de weg was krom – nooit kwam Berend Botje weerom.’ En het kind zegt: ‘Nóg een keer!’

Misschien kun je aan de Barba-pappa’s of K3 óók tedere kinderherinneringen bewaren, maar die allereerste luierpoëzie hakt erin. Want poëzie is het, die zingzang van onzintaal:

Tikke takke tonen

’t Varkentje in de bonen

’t Paardje in de haver,

’t Koetje in de klaver

Als je twee bent, weet je niet wat haver is en wat klaver, je kunt net lopen maar nog niet hinkelen en je weet evenmin wat de Overtoom is. Maar dat geeft allemaal niks, tikketakketonen en hinkeldepinkel kun je al heel gauw nazeggen. Dit gerijmel en gebrabbel, duizendmaal herhaald, verankert je in een moedertaal, een taal van vóór het begrijpen.

Poëzie is het thema van de Kinderboekenweek die volgende week begint, en het is een prachtthema, veel mooier dan ‘dieren’ of ‘heksen’. Het ís eigenlijk helemaal geen thema maar de moeder aller literaire genres, en de bron van elke ontvankelijkheid voor taal.

Toch hoor ik hier en daar gemor, van ouders en leerkrachten vooral, en mensen uit de ‘kinderboekenwereld’. Poëzie? Moet dat nou, als je kinderen tot lezen wil verlokken? Kinderen houden toch van avontuur, van ridders, piraten en monsters? Of juist van herkenbare verhalen over kinderen die óók vier ouders hebben, een beugel of ADHD? Poëzie, dat virtuoze geknutsel met woorden, zou te moeilijk zijn, te diepzinnig, te fijnzinnig, te* nou ja te literair, voor de doelgroep die de CPBN met haar promotieweek wenst te bereiken.

Ja het moet, poëzie. Vooral als je het ongeluk hebt geboren te zijn bij ouders die geen poëzie lezen, nooit sinterklaasgedichten schrijven of zelfs nooit zingen. Kindergedichten zijn bij uitstek geschikt om niet-lezende kinderen te verlokken. Kinderen die niet stil op hun stoel kunnen zitten tot het verhaaltje uit is, krijg je wel rustig met drie minuten poëzie per dag. Ook zonder melodietje.

Alleen de naam van het Boekenweekthema, Zinnenverzinzin, vind ik niet wervend, te knutselachtig. Dichters mogen dan soms zin hebben in het scheppen van een vers – ‘Kijk, daar gaat hij, de spin Sebastiaan, met zijn Drang’ – kinderen hebben doorgaans geen boodschap aan de makers van poëzie; een gedicht bestaat gewoon, net als een boom of een koe. Dat er kinderen zijn die lol hebben in het zelf dichten is leuk, maar begin nu eerst maar eens met luisteren. Dan merk je dat gedichten gemaakt zijn van taal en niet – ‘De zon gaat onder,/ ik voel me bijzonder’ (Rudi Ter Haar) – van gevoel. Het is de taal die het gevoel loswrikt.

Dit is een mooie gelegenheid om eens alles uit de kast te trekken, de beduimelde, stukgelezen boekjes van vroeger, en de later aangeschafte verzamelbundels en bloemlezingen. Je komt een heel eind met De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten van Gerrit Komrij of Van Alphen tot Zonderland, verzameld door Anne Vries, de kinderliedjes verzameld in Berend Botje en de bloemlezing met rijmpjes en gedichtjes Ik geef je niet voor een kaperschip met tweehonderd witte zeilen van Bianca Stigter en Tine van Buul.

De bloemlezing Domweg gelukkig in de Dapperstraat van C.J. Aarts en M.C. van Etten, ook die hoort op de stapel, want de bekendste gedichten zijn weliswaar niet per se de beste, maar wel vaak de meest toegankelijke. J.C. Bloem, wiens beroemdste gedicht de naam aan deze bloemlezing gaf, vond een gedicht pas goed als een tienjarige het kan begrijpen. En dan nog Ik wou dat ik twee hondjes was, Nederlandse nonsens- en plezierdichters, uitgekozen door Vic van de Reijt, want poëzie kan zonder humor, maar humor gedijt geweldig in poëzie. Niet alles wat Godfried Bomans schreef is nu nog vreselijk leuk, maar wel zijn verzuchting waaraan deze bloemlezing haar titel ontleent:

Ik zit mij voor het vensterglas

onnoemelijk te vervelen

Ik wou dat ik twee hondjes was,

dan kon ik samen spelen.

In de bundel van Van de Reijt staan tientallen gedichten waarmee je een ingedutte brugklas de literatuurles doorsleept. Je kunt beginnen met het aanmoedigende refrein van Hans Dorrestijn: ‘Pieleman, pieleman/ trek er maar eens lekker an’. Dan is het tijd voor het iets subtieler puberleed in ‘Spiegeltje, spiegeltje*’ van de grijze puber Levi Weemoedt: ‘Hoe ik mijn haar ook kam, bij kaars- of neonlicht:/ Wat er ontstaat is nooit een eigentijds gezicht.’

De stap naar de ‘hoge’ kinderlijke poëzie is dan snel gemaakt. Paul van Ostaijen schreef ‘Marc groet ’s morgens de dingen’, onthutsend gewoon gestamel van een kind :

Dag ventje met de fiets op de vaas

met de bloem

ploem ploem

dag stoel naast de tafel

dag brood op de tafel

Van Ostaijens tijdgenoot J.J. Slauerhoff schreef evenmin speciaal voor kinderen, maar moet zich, een leven lang wegvarend van het volwassen leven met zijn dorre plichten, verwant aan hen hebben gevoeld. ‘De schalmei’ uit 1930 is een ode aan het kunstenaarschap, een pleidooi voor het afwijken: ‘Zeven zonen had moeder:/ Allen heetten Peter, / Behalve Wanjka die Iwan heette.’

Allemaal zijn het ijverige, werkzame types, die Peters. Maar Wanjka die Iwan heette houdt niet van werken. Hij zit en hij speelt op zijn schalmei: ‘O, mijn lieve,mijn lustige,/ laat mij spelen/ in de schaduw van mijn/ rustige vallei.// Laat andren werken,/ sandalen maken of kerken./ Wanjka heeft genoeg aan zijn/ schalmei.’

Jan Hanlo (1912-1969) schreef geen kindergedichten, maar hij hield van kinderen. Daarom schreef hij speciaal voor een enkel kind een gedicht. Al was het maar omdat schrijven een schrale troost was voor de afwezigheid van het kind van vlees en bloed – Hanlo¿s aanbedenen mochten niet altijd bij hem op bezoek komen. ‘Ik schrijf wat op papier/ en liever dan de fantasie/ had ik jou levend hier’, dichtte hij. Zou Jossie, de aangesprokene in dit gedicht, begrepen hebben wat de veel oudere man met zijn stoere motor hem, hulpeloos en hortend fluisterend, wilde zeggen?

Jossie lief Jossie. Klein Jossie. Goed

Jossie.

Goed lijf Jossie. Goed zicht. Goed

ziel, denk.

(*)

Ik ziel oud ziel weet niet oud ziel

Jossie.

Weet niet ik ziel Jossie.

Ik ziel jong ziel. Ik ziel niet gek ziel.

Ik ziel soms ziel gek ziel. Grap ziel.

Misschien is het de ogenschijnlijke begrijpelijkheid van Hanlo, de niet-gek-ziel, die mensen voor ogen hebben als ze zeggen dat je kinderen niet met ‘diepzinnige’ gedichten moet lastigvallen. Leg maar eens uit wat Hanlo, in zijn grafgedicht ‘Hond met bijnaam Knak’, nou precies bedoelde met ‘Een verre tak/ een oud verbond’. Maar wat valt eigenlijk niet te begrijpen aan deze simpele oproep :

God, zegen Knak

Hij is nu dood

Zijn tong, verhemelte, was rood

Toen was het wit

Toen was hij dood

God, zegen Knak

Hij was een hond

Zijn naam was Knak

Maar in zijn hondelichaam stak

Een beste ziel

Een verre tak

Een oud verbond

God, zegen Knak.

Van de grootste kinderdichters ontbreekt er nu nog het een en ander. De basisvoorraad bloemlezingen moet daarom aangevuld met de verzamelde gedichten van Annie M.G. Schmidt, Han G. Hoekstra en Willem Wilmink.

Wie met Annie M.G. Schmidt is grootgebracht, komt nooit meer los van haar tijdloze, nooit voorspelbare poëzie. Flarden van telkens weer gelezen, op ep-tjes gezongen of door haar voorgelezen versjes komen bij mij nog dikwijls voorbij, zomaar, als mantra’s: ‘Voeten vegen! Voeten vegen! zei de lapjeskat./ Wat ’n regen, wat een regen in de stad, stad, stad’, is er zo eentje. Of: ‘En als ik dat niet wil/ dan zeg ik lekker bil!’ – vaak van toepassing. Regelmatig zie ik, in een half verlichte woonkamer, een meneer zitten die de regel ‘Meester van Zoeten, zit met zijn voeten/ Zaterdags in het aquarium’ ingeeft.

Ook Beertje Pippeloentje, man zonder vrees, doof voor ouderlijke waarschuwingen, heeft zich in het geheugen geëtst: ‘Pippeloentje heeft een jekker/ en een koffer met een wekker/ en een grote zak met brood/ Hij gaat varen op een boot.’ Deden meer mensen dat maar.

Ook dichters hebben een vader en een moeder. En als die ouders dood gaan, zien ze die ouders soms weer alsof ze kind zijn. In enkele strofen zette Louis Paul Boon de aard van zijn vader, diens huwelijk én zijn liefde voor hem neer:

vandaag bij je graf lieve paps

wou ik zeggen hoe mooi

de meisjes worden en hoe kort

hun rokjes zijn en hoe dik

hun tieten worden

(*)

je mocht het niet aankijken

van mams ik weet het

je wendde de goedige blik af

je bruine zachte ogen

van een te brave hond

De versjes van Han G. Hoekstra (1906-1988) werden in de jaren vijftig en zestig verslonden, maar hij werd nooit zo beroemd als Schmidt. Nu is hij al een beetje in de vergetelheid weggezakt. Ten onrechte. Net als Schmidt was hij, in de propere wederopbouwjaren, een bondgenoot van de kinderen die zuchtten onder de ordentelijke tucht van hun moeders. Wie wil er géén kind uit de Rozenstraat zijn?

De kinderen uit de Rozenstraat

hebben altijd slordige haren,

ze hebben vaak een splinter in hun hand,

en builen, bulten en blaren.

De kinderen uit de Rozenstraat

lopen meest op blote voeten,

ze zijn de hele dag op straat,

alsof ze nooit eten moeten.

De kinderen uit de Rozenstraat

schijnen zich nooit te verschonen,

ze mogen alles wat ik niet mag.

‘k Wou soms wel in de Rozenstraat wonen*

Was Hoekstra tijdens de Tweede Wereldoorlog al vader, Willem Wilmink (1936-2003) speelde als jongetje tussen de puinhopen. Van alle naoorlogse dichters die voor kinderen schreven was hij de allergrootste. Hij schreef sublieme, ritmische, heldere poëzie, waarin hij emotioneel net zo dicht bij kinderen blijft als bij zichzelf:

’t Was oorlog. We zaten gewoon in

de klas.

Je was bang* voor een vak waar

je slecht in was,

je was bang* voor een beurt, zo

ineens voort het bord.

Niet bang voor oorlog, maar voor

je rapport.

(*)

We hadden na een bombardement

nieuw speelterrein, met gras en ce-

ment.

Daar speelde je dat je gesneu-

veld was,

dan lag je een tijdje dood in het

gras.

Je maakte een voetbal of ook wel

een bom

van proppen papier, elastiekje

erom.

Het leven ging meestal gewoon

maar zijn gang.

Soms was je bang. Soms ben ik

nog bang.

Diepzinniger dan dit hoeft het niet. Bij de beste kinderpoëzie zit de diepzinnigheid aan de oppervlakte. Precies diep genoeg om, als je het gedicht leest of hoort, te begrijpen wat anders misschien niet uit te leggen zou zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden