Een kijkje in de Ottomaanse baden in Boedapest

Reizen

Een van de attracties van Boedapest zijn de thermale baden. Er zijn grote en bekende baden, maar de kleintjes zijn misschien wel meer de moeite waard.

Aan het uiterlijk van badhuis Király is sinds de jaren vijftig niet veel gedaan. Foto Cigdem Yuksel

Goddank hebben ze hier badhuizen, moeten westerse reizigers gedacht hebben die omstreeks de 16de eeuw Boeda aandeden. Want verder vonden ze er niks aan, aan de plaats aan de oever van de Donau. Overal gesloten luiken en geheimzinnige binnenplaatsjes. Een naar binnen gekeerde stad. 'Te oosters', noteerden ze kribbig in hun reisverslagen.

Dat kon kloppen, want de Hongaarse stad was in die tijd in handen van de Ottomanen. Zij waren het ook die de enige bouwwerken neerzetten die wél in de smaak vielen bij middeleeuwse toeristen: de badhuizen.

Ach ja, de badhuizen. Bijna vijf eeuwen later komen reizigers nog steeds maar al te graag naar de inmiddels met Pest samengesmolten stad. Om de burchtheuvel te beklimmen en hun nekken te verrekken voor het gotische parlementsgebouw aan de Pestzijde. Maar vooral om zich loom over te geven aan eindeloze hoeveelheden thermaal water.

Dankzij een paar gunstig uitgevallen breuklijnen in de aardkorst komt op veel plaatsen in Hongarije warm water naar boven. De hoofdstad Boedapest alleen al telt 118 bronnen waar dagelijks meer dan 70 miljoen liter thermaal water rondklotst. Genoeg voor meer dan een dozijn publieke badderplekken en een handvol luxe privéspa's in hotels. Genoeg ook om je tijdens een bezoek aan de stad af te vragen: welke is het beste?

Natuurlijk kun je, zoals de meeste toeristen, kiezen voor het Széchenyibad. Het enorme, zachtgele complex behoort tot de grootste thermale baden van Europa. Je kunt er makkelijk een dag doorbrengen zonder twee keer in hetzelfde water te hoeven stappen. Een andere populaire optie is Gellért, dat vooral beroemd is om het prachtige, in art-nouveaustijl opgetrokken pand.

Maar vraag het de Hongaren zelf en je komt op heel andere plekken terecht. Zij laten de overbekende moderne badhuizen voor wat ze zijn en kiezen liever voor de kleinere, maar sfeervolle Ottomaanse baden.

(Tekst gaat verder onder foto).

Praktische informatie

Vanuit Amsterdam vlieg je in twee uur naar Boedapest. Retourtickets kosten 150 tot 200 euro. KLM vliegt 13 keer per dag vanaf Schiphol. Budgetmaatschappij Wizzair vertrekt meerdere keren per week vanaf Eindhoven en Maastricht.

De meeste baden zijn niet toegankelijk voor kinderen onder de 14 jaar. Op gemengde dagen is het dragen van badkleding verplicht.

Toegangsprijzen variëren per dagdeel. Reken op ongeveer 15 euro voor een dagkaart inclusief kluisje.

Voor openingstijden en adressen van de meeste badhuizen: spasbudapest.com

Het adres van Veli Bej (geen website) is: Árpád fejedelem útja 7.

Badhuis Lukacs. Foto Cigdem Yuksel

Király

Een bezoekje aan Király betekent binnenstappen in een film die in slow motion wordt afgespeeld. Net liep je nog door een drukke straat op zoek naar het verweerde gebouwtje met zijn groen uitgeslagen koepels. Nu sta je binnen in de lange rij voor een kaartje en krabt de caissière zich sloom achter de oren. Handdoeken huren? Dat kan geloof ik wel. Heb je even?

Daarna is het omkleden in een van de mintgroene kleedkamertjes. De krakende trap af, de roestige douches door en je staat in het oudste gedeelte van het badhuis.

Het Ottomaanse deel bestaat dit jaar 450 jaar, vertelt manager Nikoletta Esposito. De Turken bouwden dit badhuis niet zoals gebruikelijk vlak bij een warmwaterbron, maar binnen de oude stadsmuren. Zo waren ze ook tijdens een belegering verzekerd van een warm bad.

In tegenstelling tot de meeste andere baden in Boedapest is Király sinds de jaren vijftig niet neer opgeknapt. De muren zijn groezelig, het pleisterwerk grauwgrijs uitgeslagen door de dampen. Maar waar in andere badhuizen de oude koepels volhangen met gekleurd licht en de pleisterlaag is weggewerkt achter tegelpatronen, valt hier het best te zien hoe het ooit geweest moet zijn.

In de tijd van de Ottomanen fungeerden badhuizen als het naakte equivalent van het dorpsplein. 'Hier trof iedereen elkaar: arm en rijk, moslim en christen, jongen en oud', vertelt stadsarcheologe Adrien Papp in haar kantoor in het Budapest History Museum. Door de lage toegangsprijs waren de badhuizen voor iedereen toegankelijk; de sfeer was gemoedelijk.

Vandaag is dat niet anders. Banen zonlicht vallen door de luchtgaten in het plafond dwars door de stoomwolken in het achthoekige bad. Op de plekken waar het zonlicht het water raakt, hangen verschrompelde mannetjes. Hier glijden de uren haast ongemerkt voorbij. In de hoek knikkebolt een badmeester. Een jonge vrouw zit al drie kwartier in het loeihete 40-graden bad. Achter haar beslagen brilglazen staat haar blik op oneindig.

Als je je hebt afgedroogd en voorzichtig een paar passen buiten zet, lijkt de stad even het trage tempo van het badhuis te hebben overgenomen. Dan springt het verkeerslicht op groen en raast het verkeer weer aan je voorbij.

(Tekst gaat verder onder foto).

Badhuis Rudas. Foto Cigdem Yuksel
Lukács. Foto Cigdem Yuksel

Rudas

Wie wel een Ottomaans badhuis wil bezoeken, maar opziet tegen het verweerde karakter van Király, kan beter kiezen voor de gerenoveerde baden: Rudas of Veli Bej.

Ingeklemd tussen de Donau en de steile rotswand van de Gellértberg ligt het Rudasbad. Toen het in 2005 voor het eerst werd opengesteld voor vrouwen, veroorzaakte dat een opstand van de mannelijke stamgasten die hun badwater niet wilden delen met de andere sekse. Gelukkig voor de mannen is het oude, achthoekige bad doordeweeks nog altijd grotendeels hun territorium. Vrouwen kunnen er terecht in de weekenden als het gemengd baden is, of op de dinsdag die voor hen alleen is.

Op de gescheiden dagen mogen de badgasten naakt rondlopen. Wie wil, pakt bij binnenkomst een koteny mee, een ingekort keukenschort dat alles bedekt wat verborgen moet blijven. Binnen hangen zware zwaveldampen boven de baden. Het mineraalrijke water dat hier wordt gebruikt, ontspringt in de nabijgelegen Juventusbron en schijnt het lichaam jeugdig en gezond te houden.

Het effect daarvan is te zien in het zwembad dat net als het saunacomplex later aan het oude badhuis is gebouwd. Hier trekken bejaarde Hongaren met felgekleurde badmutsen fanatiek hun baantjes. Een taaie 88-jarige begint net aan zijn twintigste baan van vandaag. 'Dit doe ik drie keer per week, al vijftig jaar.' Snel gaat dat niet. Het water van de Donau, dat parallel aan het bad voorbij stroomt, haalt hem telkens in.

Badhuis Rudas. Foto Cigdem Yuksel

Veli Bej

In het noordelijker gelegen Veli Bej is het publiek aanzienlijk jonger en hipper. 'Hoe ben jij hier gekomen?', vraagt de 24-jarige student Mihály achterdochtig. 'Dit is het geheime badhuis van Boedapest.' Het recent heropende bad ligt inderdaad goed verstopt achter een glazen façade aan een verlaten parkeerplaats. Geen naambordje te bekennen. Een website heeft het badhuis evenmin.

Maar stap het glazen pand binnen en je ziet op de binnenplaats de vertrouwde koepeltjes glinsteren in het zonlicht. De Ottomanen deelden hun badhuizen altijd op in drie vertrekken. Bij binnenkomst een aankomsthal waar koffie en thee wordt geschonken. Daarachter een warme ruimte om je te wassen. En tot slot onder de grootste koepel het hoogtepunt: het octogonale bad.

Vier eeuwen en twee wereldoorlogen later is daar in Veli Bej alleen de laatste ruimte van over. Aangevuld met een modern saunagedeelte is het meer dan genoeg voor een paar lome uren. Het is hier schoon, licht en stil. Opeens snap je waarom Mihály zo achterdochtig reageerde op de komst van vreemdelingen in zijn geheime badhuis. Dit is een plek om te koesteren.

(Tekst gaat verder onder foto).

Foto Cigdem Yuksel

Lukács

Om iets te begrijpen van de innige band die Hongaren hebben met hun thermale water, moet je naar het Lukács. De bronnen waaruit dit grote, frisgele badhuis annex ziekenhuis put, staan bekend als de beste van de stad en je kunt hier al badend genezen van allerlei kwalen.

Een pad door de tuin brengt je naar de ingang. Van het oorspronkelijk Ottomaanse bad is niets bewaard gebleven. Aan het 19de-eeuwse badhuis is een dagkliniek voor reumapatiënten verbonden. In de vleugel voor patiënten vind je baden met installaties waarin mensen met rugklachten worden gehangen. Wat gewichten om de heupen en rekken maar. Best griezelig is ook de eindeloze gang met kamertjes waar breedgeschouderde verpleegsters experimenteel ogende behandelingen als koolstofdioxidebaden en onderwatermassages aanbieden.

Als plezierbadderaar kun je dat alles rustig aan je voorbij laten gaan en je focussen op de thermale baden en sauna's beneden. Daar vind je behalve de gebruikelijke stoet ouderen ook veel artistieke types. Elk badhuis heeft hier zijn eigen publiek. Natuurlijk, je kunt jezelf uit het water hijsen en door de gangen van het ruim tienduizend vierkante meter tellende complex dwalen om alle sauna's en stoombaden uit te proberen, of je laten masseren door een van de masseurs. Maar je kunt ook doen wat de meeste Hongaren doen: blijven zitten waar je zit. Voel hoe je ledematen steeds zwaarder worden en je ogen langzaam dichtvallen. Misschien dommel je dan even weg. Heel even maar.

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.