Een juist gezicht

Tot de Tweede Wereldoorlog deed Giacometti niets dan oefenen. Honderden tekeningen getuigen ervan op een expositie in Centre Pompidou in Parijs....

Als hij tekende mompelde hij bij elke lijn:

Alweer niks.

Mislukt.

Wordt nooit wat.

Kan beter.

Hopeloos.

Een onmogelijke zaak voor mij, klaagde hij. Een vriend had hem moeten zeggen: geef het schilderen voorgoed op. Maar niemand die het tegen hem zei. Hij worstelde en worstelde.

Parijs - en ik kwam er met een forse vertraging aan. Thalys, de supersnelle trein reed opeens niet meer. Na een uurtje zachtjes rijden, veranderde hij van spoor en ging over op de normale rails. Toen we eindelijk in Parijs waren, nam ik meteen de metro. Om vijf voor half negen bereikte ik het museum van Pompidou. Een groot portret van Alberto Giacometti hing boven de voordeur, hij zat in zijn atelier en was bezig met een dunne sculptuur. Hij droeg een donkere bril en zag er tegen een jaar of zestig uit.

Eerste indruk: ik mag hem.

Ik had dorst, wilde iets gaan drinken, een biertje misschien, maar ik deed het niet, wilde scherp blijven om goed te kunnen kijken. De eerste impressie van zijn werk wilde ik niet onder de invloed van alcohol krijgen. Ik vroeg me af of de expositie nog open was.

'A ticket for Giacommeti please!'

'For who?'

'Gie a com meti', herhaalde ik.

'Dja co metti', corrigeerde ze me vriendelijk.

Om kwart voor negen gingen ze sluiten. Misschien was het beter als ik er morgen naar toe zou gaan om in alle rust naar zijn werk te kijken, maar ik wilde per se in dat kwartiertje heel snel langs zijn tekeningen lopen om te kijken wat ik er van vond.

Ik ging naar binnen.

Wat was dat? Allemaal portretten en nog eens portretten. Alleen maar gezichten geschetst met potlood. Stille gelaten die je droevig aankeken. Kinderen zullen nooit van deze tekeningen houden, dacht ik meteen.

Hier, een paar heel gewone tekeningen van een naakte vrouw rond 1922-1923. Daar enkele impressies van rompen en spieren. Allemaal eenvoudige etudes die je onder het bed van iedere schilder kon vinden. Simpele abstracte beelden waar je nooit iets van zou begrijpen en die ik niet zou kunnen uitleggen: een lange dikke naald die door een zilveren plaatje ging en halverwege, in het midden van een ander plaatje, stopte. Salon na salon tekeningen met potlood waarvan ik er geen één aan de muren van ons huis zou willen hebben.

Aan een grote wand hing een tekening op het formaat van een luciferdoosje, geplaatst in een enorme lijst. Masoed, een vriend van mij, is tekenaar. Hij heeft honderden van dergelijke studies die hij overal in zijn huis verstopt heeft. Als hij niet thuis is, gooit zijn vrouw er elke keer een stapel van weg. Al wandelend zag ik portretten en portretten: zelfportretten. Clara's portretten. La mere's portretten. Des femmes portretten, des hommes portretten en Jean-Paul Sartre portretten. Ook vele tekeningen van een kamer waar gekke dingen in stonden (Atelier, 1932).

Ik had nog zes minuten de tijd. Tot nu toe waren geen van die tekeningen de moeite waard om tentoon te stellen. Ik sloeg twee salons over en ging met grote stappen naar de andere hal. O, wacht even. Een opmerkelijk beeld in een vitrine: een heel dunne man, of vrouw, met dunne armen, dunne benen, een dunne kont, die op een dun, heel dun iets zat (Femme assise, 1948-1950). Dat was even interessant. Opnieuw portretten, maar ze waren niet te vergelijken met die uit de vorige zalen. Femme debout: Een lange vrouw zonder gezicht en zonder borsten getekend met een zeer zwart potlood en zij was dun, dun, dun en dun.

Toen iets indrukwekkends. In een ijzeren vitrine zonder glas (hoe zeg je dat, een soort ijzeren kooi) hing een opmerkelijke kop van een man met een ontzettend lange neus (Le Rève, le Sphinx et la Mort de T). Het hoofd was gemaakt van klei, of nee, van brons en de man keek triest. Hij schreeuwde niet, maar het leek alsof hij het deed. De combinatie van kooi en kop vond ik bizar. Zonder de kooi kon je die kop niet tentoonstellen. Het ging goed, spannend, ik had nog drie minuten tijd. Ik sloeg enkele beelden over. Maar een dun, zeer dun beeld van een vrouw dat met een ijzeren stokje en gips gemaakt was, trok mijn aandacht. Zij was iets langer dan een potlood, had wel borsten, maar geen armen. Aangrijpend.

Een stapje verder kwam ik een ongewoon klein borstbeeld van een man tegen, hij had een lange nek en een grote neus. Giacometti had dat kleine beeld juist op een verhoging geplaatst, op een lange, vierpotige, grove, ijzeren kruk. Ook hier begrijp je niet wat belangrijker is, de kruk of het borstbeeld (La Cage, 1950). Nu had ik geen tijd meer, morgen als ik terug kwam, zou ik het beter gaan bekijken.

Weer portretten Homme I, homme II, homme III, homme IV, homme V, homme honderd. Femme I, femme II, femme III, femme IV, femme V, femme VI, femme VII, femme weet ik veel. Nog één minuut en ik liep in de goede richting. In de laatste zaal stuitte ik onverwachts op een heel groot beeld, een lopende man: geen armen, geen benen, geen romp, wel een beetje hoofd, een beetje armen, een beetje knie, een beetje voeten. Maar lang, zeer uit de hand gelopen lang. Iets verderop stonden nog meer van die lange wezens. Allemachtig, al die kleine dunne schetsen van des hommes, en des femmes waren allemaal flink gegroeid, in de lengte. Drie, vier, vijf koppen groter dan ik. De tijd was om, de twee bewakers die me er als laatste bezoeker niet uit konden krijgen, kwamen nu met een politieagent terug. De agent wees me naar de deur. Ik kom morgen terug.

's Avonds in het café hielden twee dingen van Giacometti's werk me bezig. Ten eerste de portretten. Opvallend dat hij geen kleur in zijn werk gebruikte (één of twee keertjes maar). Het rood, groen en geel kende hij niet, alleen het zwart van een potlood. Het geheel van materiaal wat hij gebruikt had, bestond uit: een beetje gips, zeventig, tachtig meter dun ijzerdraad, zo'n honderd, honderddertig kilo ijzer en brons en honderden kilo's papier en honderd potloden.

Daarna was het de hoge ijzeren kruk (waarop dat kleine borstbeeld van zijn broer stond) die me aan het denken zette. Ik vermoedde dat die lange kruk voor hem een subtiele uitvinding was waarmee hij de beelden die hij in zijn hoofd had, kon laten zien. Volgens mij had hij miljoenen lijnen geschetst tot hij die kruk had kunnen vinden. Overdrijf ik niet? Dat weet ik niet. Ik zag, ik las een oud verhaal achter zijn tekeningen, maar hoe kon ik er aan komen?

De volgende dag bezocht ik de expositie nog een paar keer en verdiepte me in zijn leven. Ik vond een paar lijnen van het verhaal:

Alberto Giacometti is in 1901 in een Italiaanssprekende familie in Zwitserland geboren. Zijn vader was ook schilder. Alberto maakte altijd al tekeningen in zijn kindertijd, op zijn eigen manier en op zijn gemak uit het hoofd.

Op een dag zette zijn vader een paar peren op tafel en vroeg hem of hij er een stilleven van wilde maken. En Alberto schetste een paar miniatuurperen.

'Doe normaal!' zei zijn vader.

Hij begon opnieuw, dit keer werden de peren nog kleiner dan de keer daarvoor.

'Ik zei een stilleven', riep zijn vader boos. 'Teken ze op dezelfde maat als je ze ziet!'

Ze werden nog eens kleiner. Zijn vader riep hardop Alberto's moeder: 'Annetta! Waar ben je! Kom eens!'

Giacometti was zeventien in die tijd. Toen hij twintig werd, stemde zijn vader ermee in dat hij het huis zou verlaten en op zoek naar zichzelf zou gaan. Hij ging naar Italië. Onderweg maakte hij kennis met een oude Hollander die ziek werd en plotseling stierf. Die dood maakte een enorme indruk op hem. Vanaf dat moment besloot Alberto dat hij geen normaal leven wilde leiden. Hij koos voor leven in hotels en cafés.

Twee jaar later ging hij naar Parijs, waar hij mettertijd met de grote moderne schilders in contact kwam. Tot voor de Tweede Wereldoorlog deed hij niets anders dan oefenen. Zijn totale product was een tiental ongelukkige beelden en miljoenen schetslijnen.

Al die tekeningen uit zijn kindertijd, de kleine peren en de portretten van zijn moeder Annetta, en van zijn vader met zijn professorenbaardje tijdens het schilderen, en van zijn broer Bruno, en al die pogingen een echt stilleven te maken en al die kopieën van Afrikaanse beelden hingen nu aan de muren van die expositie in het Pompidou. Tussen alle lijntjes zag je dat hij zijn leven lang op zoek was naar een juist gezicht. In de jaren 1936/'37/'38 had hij er een spoor van gevonden. Maar opeens brak de oorlog uit en vielen de Duitsers Parijs binnen.

Giacometti keerde terug naar Zwitserland, en ging in een hotelkamer wonen. De oorlog maakte hevige indruk op hem. Hij probeerde meer uit het hoofd te tekenen, maar wat hij ook tekende, werd alsmaar klein, en als hij het opnieuw probeerde, werd het nog kleiner. Toen de oorlog voorbij was, besloot hij van die tekeningen beelden te maken, maar de beelden werden ook kleiner en kleiner, zo klein dat hij ze met de toppen van zijn vingers moest vasthouden. Hij stopte de beeldjes allemaal in een luciferdoosje, deed ze in zijn jaszak en ging terug naar Parijs.

Toen pas merkte hij dat zijn studiejaren voorbij waren en dat hij zijn juiste vorm gevonden had. Hij begon definitief zijn beelden te maken, maar omdat hij hen uit het hoofd wilde maken, toonden de figuren zich niet stabiel, ze lieten zich even zien en werden toen zo klein dat hij ze niet af kon maken. Hij maakte een borstbeeld van zijn broer, rekte zijn nek lang, maar het beeld was nog niet groot genoeg, hij maakte een grote neus voor hem, nee, dat was nog niet genoeg. Wat moest hij nu doen? Opeens schoot hem iets te binnen.

Hij maakte een lange, grove, vierpotige, ijzeren kruk en zette het beeldje er op. Toen maakte hij een soort vitrine, of een ijzeren kooi, om het beeldje heen, zodat het niet kon ontsnappen. Hij vond wat hij zocht en ging verder met de volgende beelden. Maar tot zijn grote verbazing merkte hij dat zijn figuren de neiging hadden om lang te worden, en nog langer en nog eens langer.

De staande vrouw en de lopende man werden geboren. Alberto Giacometti werd bevrijd van de jarenlange vermoeiende zoektocht. De weg was vrij, de een na de ander kwamen de wezens uit zijn hoofd te voorschijn. Homme qui chavire. Femme debout. Le Nez. Tète d'homme. Trois tètes. En eindelijk het juiste, autoportrait. De tocht was voltooid. Nu mocht hij dood gaan. Hij werd ziek en ging dood.

Alberto Giacometti ligt in zijn geboortedorp in een eenvoudig graf begraven. Op zijn grafsteen zit een van die enorme vreemde wezens die naar het graf kijkt en mompelt:

Hij kon het niet.

Wat hij ook deed, mislukte.

Alweer niks.

Hopeloos.

Kon beter.

Nooit af.

Nachten na dit bezoek als ik mijn ogen sluit, zweven Giacometti's figuren door het donker van mijn hoofd. Nog nooit in mijn leven heeft een schilder zo veel indruk op mij gemaakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.