Een Internet-canard is snel geboren

Onlangs beweerde een man de verkrachter van zijn vrouw te hebben opgespoord via Internet. Journalisten hapten gretig toe en namen het nieuws klakkeloos over....

FRANCISCO VAN JOLE

WINSTON SMITH werkte op het ministerie met als taak de geschiedenis te herschrijven. Hij corrigeerde voortdurend oude publikaties om te voorkomen dat iemand zou ontdekken dat de overheid in het verleden fouten had gemaakt.

Smith is de hoofdpersoon in 1984, de roman van George Orwell over de ultra-gecontroleerde samenleving. Twaalf jaar na deze onheilspellende datum lijkt het scenario door de opkomst van Internet alsnog werkelijkheid te worden. Internet is niet alleen een informatie-medium maar vooral ook een wapen in de informatie-oorlog.

Californische brandweerlieden troffen onlangs na een bosbrand tussen de verkoolde boomstammen het dode lichaam van een duiker aan. De man droeg zwemvliezen, een duikbril en zuurstofflessen. Merkwaardig, vooral ook omdat de vindplaats zo'n twintig kilometer van de kust verwijderd was.

Nadere inspectie wees uit dat de duiker niet door brand om het leven was gekomen maar door zware inwendige verwondingen. Later werd vastgesteld dat de man vermoedelijk per ongeluk uit de oceaan was geschept door een van de blusvliegtuigen die met grote bakken zeewater de bosbrand trachtten te blussen. Vervolgens was hij samen met het zeewater boven de vlammen gedumpt.

Het Californische radiostation KFWB-AM trof een beschrijving van deze tragedie eind mei op Internet aan en dacht een primeur te scoren. De redactie verzocht de plaatselijke autoriteiten om meer informatie. Helaas voor de journalisten bleek het al snel geen primeur te zijn maar een 'broodje aap'-verhaal dat bijna ieder jaar wel eens opduikt.

Het onschuldige voorval toont echter wel aan dat het net steeds meer het jachtterrein wordt van nieuwsjagende journalisten en eveneens dat het digitale jachtgebied vol ligt met valkuilen.

Dat laatste zou in de toekomst wel eens kunnen leiden tot aanzienlijke 'informatie-ongelukken'. De massaliteit en lastige controleerbaarheid van het medium gecombineerd met de groeiende vraag naar snelheid in het brengen van nieuws, maakt dergelijke ongelukken even onvermijdelijk als het neerstorten van vliegtuigen.

Eerder dit jaar slaagde een Nederlandse arts erin de media in Nederland, Zwitserland en Duitsland om de tuin te leiden. Hij beweerde via het net de verkrachter van zijn vrouw opgespoord te hebben. Naspeuringen op het net onderbouwden zijn verhaal.

Zo bleek dat de arts inderdaad maanden daarvoor met een speurtocht was begonnen en een hoge beloning uitloofde voor aanwijzingen. En nog eerdere berichten toonden overduidelijk aan dat hij nog dagelijks geplaagd werd door het idee dat de dader vrij rondloopt. 'Als ik hem vind, maak ik hem dood', schreef hij vorig jaar zomer in een van de Internet-forums.

Eveneens begrijpelijk was, dat de arts niets wilde zeggen over hoe hij de dader precies had gevonden en wie het was. 'Dat kan het onderzoek van justitie schaden.' Korte tijd later bekende de arts tegenover de Zwitserse politie dat zijn claim een verzinsel was.

Hij had gehoopt dat de werkelijke dader zich onder druk van de berichten alsnog zou aangeven. Zijn poging om met desinformatie de werkelijkheid te bevloeden mislukte. De dader is nog steeds onbekend.

In dit geval was er sprake van een persoonlijke tragedie, maar het ligt voor de hand dat soortgelijke desinformatie-campagnes vaker gebruikt gaan worden.

Beursspeculanten bijvoorbeeld hebben er alle belang bij desinformatie te verspreiden en zo de koersen te beïnvloeden. Zoals de arts min of meer onbedoeld berichten op het net had achtergelaten die zijn relaas onderbouwden, zo kunnen kwaadwillende speculanten doelbewust een heel netwerk opzetten dat veel specifieker is gericht op het misleiden van journalisten.

De meest voor de hand liggende manier om bronnen op het net te controleren is het raadplegen van andere bronnen op het net.

Telefonisch contact met betrokkenen is vanwege tijdsverschillen of onbereikbaarheid echter niet altijd mogelijk en een fysiek bezoek is vanwege de afstand meestal uitgesloten. Kwaadwillenden kunnen op die manier een over de hele wereld verspreid web van betrouwbaar ogende bronnen bouwen die waar nodig naar elkaar verwijzen. De media hoeven dergelijke desinformatie maar enkele uren voor waarheid te houden en het kwaad is geschied: de koersen stijgen en de buit is binnen.

De neiging om zonder voldoende controle te berichten, wordt bovendien vergroot door het feit dat de aanwijzingen voor iedere journalist voor het grijpen liggen. De primeur is er niet, zoals bij andere bronnen, voor degene die het als eerste weet, maar voor hem die er als eerste iets mee doet.

De situatie op het net is daarmee enigszins te vergelijken met die van de avond van de Israëlische verkiezingen. Sommige ochtendkranten riepen Peres al uit tot winnaar voordat er absolute duidelijkheid was. Sommige media trachten die valkuil te omzeilen door lijsten aan te leggen van geclassificeerde bronnen. Ze zoeken bijvoorbeeld uit of een site waar overheidsinformatie te vinden is inderdaad door diezelfde overheid beheerd wordt. Dat is een lovenswaardig streven maar maakt het gevaar alleen maar groter.

Veel journalisten halen bijvoorbeeld de informatie rond de BSE-affaire van het net. Een van de dankbare bronnen vormen de databanken met rapporten en persberichten van de Britse overheid waarin verklaringen te vinden zijn. Het zijn archieven van documenten waarvan weliswaar nog papieren versies bestaan, maar die vrijwel niemand meer onder handbereik heeft. Dat maakt de authenticiteit kwetsbaar. De verleiding kan immers onder overheidsdienaren wel erg groot zijn om bijvoorbeeld achteraf belangrijke nuanceverschillen aan te brengen.

In het debat dat op het net gevoerd wordt over de openbaarheid van overheidsinformatie komt een dergelijk aspect niet aan de orde en voor zover bekend is het ook nergens geregeld. Als de digitalisering toeneemt en op den duur het papier verdringt wordt het bovendien vrijwel onmogelijk om dergelijke aanpassingen op te sporen. Want hoewel Internet een decentraal netwerk is waar informatie vrij verspreid wordt, leidt de oprukkende commercialisering en institutionalisering die de laatste jaren in gang is gezet juist tot een centralisering van de gegevens. Steeds vaker worden er verboden uitgevaardigd om informatie via andere systemen te verspreiden. De informatie is immers op één plek ook voor iedereen toegankelijk.

De ervaring leert dat vanuit dezelfde optiek journalisten nauwelijks kopieën maken van hun originele Internet-bronnen. Ze kunnen er immers op ieder gewenst moment toch weer bij. Mocht een aanpassing ontdekt worden dan wordt het een hele klus om die te bewijzen. In het digitale tijdperk bestaat er namelijk niet zoiets als een 'origineel'. Als iets manipuleerbaar is, dan is het wel digitale informatie en in het verlengde daarvan wellicht dus ook de afnemers.

Het enige verschil met het werk van Winston Smith uit 1984 is dat in het hele boek geen computer, laat staan Internet, voorkomt. De techniek van 1996 zou het werk van het Ministerie van Waarheid een stuk eenvoudiger hebben gemaakt.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden