Een Indiaas maatpak voor James Bond

India ziet grote kansen voor zijn textielproducenten nu op de wereldmarkt de export-quota zijn opgeheven. De Chinezen verslaan is onmogelijk, maar die ambitie heeft niemand....

Van onze verslaggever Rob Vreeken

Alleen al om de esthetiek van het productieproces is het verheugend dat Century Mills nog bestaat. Van de vele oude textielfabrieken in Bombay zijn de meeste gesloten, en wat daarbij aan industriële schoonheid verloren is gegaan, is hier in volle glorie te zien.

Een hal met grote bergen wit, pluizig katoen. In oude machines van Trützschler, West-Duitsland, wordt de katoen schoongemaakt. Een hal met 28 kabaal en trilling producerende weefmachines van Picanol uit België. Verderop een hal met prachtige spinmachines van Elitex uit Tsjechoslowakije.

De fabriek lijkt wel een stadje. Er zijn tientallen gebouwen met daartussen straten en laantjes. Overal lopen arbeiders en witte-boordenmannen doelgericht rond; ieder lijkt precies zijn taak in het raderwerk van de productie te kennen. Al meer dan een eeuw gaat dat hier zo toe: de naam dankt de onderneming aan haar geboortejaar, 1900. Century is een 'composite mill', een ouderwetse fabriek met alle stadia van de productie in eigen huis, alles tussen het ruwe Indiase katoen en de rollen geverfd textiel die de poort uitkomen.

Die katoen is een van India's troeven op de wereldmarkt van textiel, sinds op 1 januari het quota-regime van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is opgeheven. Het land produceert zijn grondstoffen zelf. China, de onverslaanbare concurrent, haalt 20 procent van zijn katoen van elders.

Voor R. K. Dalmia, directeur van Century Mills, is dat een van de redenen om erg optimistisch te zijn over de kansen van het Indiase textiel op een wereldmarkt zonder quota-beperkingen. 'Er zijn grote mogelijkheden', zegt hij. 'Alle fabrieken vergroten hun capaciteit. Wij ook. We gaan onze capaciteit in denim zelfs verdubbelen. En eind dit jaar opent Century een nieuwe fabriek voor 200 duizend meter textiel per dag.'

Dalmia is niet de enige optimist. Hoewel iedereen wist dat China ogenblikkelijk en enorm zou profiteren van de opheffing van de export-restricties, voorspelden waarnemers dat India goede tweede zou worden. Op grote afstand en niet zo spectaculair, maar toch.

Niet alleen de Indiase regering, ook onafhankelijke bronnen als McKinsey en de WTO zelf publiceerden vorig jaar opgewekte prognoses. McKinsey houdt een jaarlijkse exportgroei van 15 tot 18 procent voor mogelijk, de Indiase regering hoopt op 50 miljard dollar aan textielexport in 2010 (tegenover 13 miljard nu).

De eerste cijfers over dit jaar lijken de optimisten te steunen. Volgens secretaris D. K. Nair van de werkgeversorganisatie ICMF (Indian Cotton Mills Federation) steeg de Indiase export naar de VS in het eerste kwartaal met 30 procent (vergeleken met dezelfde periode vorig jaar) en die naar Europa met 25 procent. Nair: 'Ik heb altijd al gezegd dat het goed zou komen met India. Daarin word ik nu bevestigd .'

Maar zwartkijkers zijn er ook. Zij wijzen op India's zwakke plekken en menen dat het land met gebrekkig gereedschap de verscherpte concurrentie van na 1 januari moet aangaan. Door de verwachte daling van de wereldprijzen van textiel (het gevolg van een groter aanbod) kan India er volgens de somberste visie zelfs op achteruitg aan.

India's achilleshiel is de fragmentatie van de industrie. Naast enkele honderden grote, moderne ondernemingen zijn er honderdduizenden kleine bedrijven en micro-bedrijfjes (de huisnijverheid). Jarenlang heeft de overheid de kleinschalige industrie beschermd, een politieke vooringenomenheid die zijn diepste wortels heeft in de dorpse ideologie van Mahatma Gandhi. Ook in de verdeling door de Indiase regering van de WTOquota werd de kleinschalige sector voorgetrokken.

Dit beleid - in 2000 werd er een eind aan gemaakt - diende de werkgelegenheid op het platteland. Maar een neveneffect was het uitblijven van investeringen en (mede daardoor) het achterop raken

van de arbeidsproductiviteit. Nair geeft toe dat de versnippering een groot probleem is. De textielindustrie van concurrent China is juist grootschalig, en strak georganiseerd. Maar er is, zegt hij, een proces gaande van samenwerking en fusies. Verder slaan bedrijven de handen ineen bij zaken als export, ontwerpen en inkoop van grondstoffen.

Tekortschieten van de capaciteit kan inderdaad een probleem worden, zegt Nitin Kasliwal, directeur van S. Kumars Ltd. in Bombay. Er zijn miljarden dollars investeringen nodig om de wereldmarkt te kunnen bedienen. Aan Kasliwal zal het niet liggen. De Kumarsgroep is een van de grootste in India, met 200 miljoen dollar omzet per jaar. De westerse markt wordt bediend in een joint venture met het Schotse Reid and Taylor, dat in Mysore 'de modernste textielfabriek ter wereld' heeft staan, aldus Kasliwal. 'Wij leveren aan alle topmerken. James Bond loopt in onze kostuums.'

Of kan de capaciteitskwestie ook anders dan door modernisering worden opgelost? Professor Sri Ram Khanna, hoogleraar economie aan de Universiteit van New Delhi, wijst erop dat juist de kleine producenten op het platteland razendsnel kunnen reageren op een grotere vraag. 'Dat doen ze door uitbesteding aan een groot aantal kleine producenten. Precies het tegenovergestelde van het Chinese systeem.'

Aan juist die flexibiliteit ontbreekt het de Indiase industriële bedrijven, wat hier wordt genoemd de 'georganiseerde sector'. Die zucht onder India's tweede zwakke plek: de rigide arbeidswetten. Ditmaal geen erfenis van Mahatma, maar van de socialist Nehru en zijn links-populistische dochter Indira Gandhi.

Ontslag van werknemers en inkrimpen van afdelingen is zo goed als onmogelijk. Ondernemers zijn daardoor huivering om te investeren. Ook worden bedrijven kunstmatig in partjes opgehakt om de arbeidswetgeving te ontduiken.

Professor Khanna stelt dat de 'dreiging van vakbondsactiviteit fataal kan zijn' voor eenmalige of seizoensgebonden buitenlandse bestellingen. Kasliwal noemt de arbeidswetgeving 'archaïsch' en zegt dat China geen lastige bonden of een ontslagverbod kent.

Als andere pre's van China ziet hij het schaalvoordeel, de betere infrastructuur (India's derde zwakke stee) en de actieve steun van de overheid. 'Het is een grote mythe dat de Indiase regering de sector afschermt. Onzin. Juist de Chinezen doen dat. Zij hanteren een puur administratieve prijs. Plus hun exportsubsidies. Plus de kunstmatig lage koers van hun munt.'

Wat India daar tegenover kan stellen, is veel en goedkopere arbeid, betere kwaliteit en superieur design. Om de Chinese agressie te verslaan, is dat niet toereikend, maar die ambitie heeft dan ook niemand in India.

De tijd dat India” s werelds grootste textielproducent was, zal niet terugkeren. Maar het vertrouwen in mooie stijgende curven is er, zo niet ogenblikkelijk (Dalmia, Nair), dan toch wel na een aanpassingsperiode van zeker twee jaar (Kasliwal, Khanna). 'De potentie is echt enorm groot', zegt Kasliwal.

Dat betekent winst op een terrein waar India dat goed kan gebruiken: industriële werkgelegenheid voor laaggeschoolden. Call centers zijn prachtig, maar zetten voor de werkende en werkloze massa's geen zoden aan de dijk. In het gunstige scenario levert de textiel tot 2010 vijf miljoen banen op.

Het vroegere textielbolwerk Bombay zal van die groei overigens niet profiteren. Geen textielondernemer investeert nog een rupee in de stad. Hooguit in de omringende deelstaat Maharashtra, en verder in deelstaten als Tamil Nadu, Gujarat, Karnataka en Madhya Pradesh.

S. Kumars Ltd. heeft alleen nog zijn hoofdkantoor in Bombay. Century Mills houdt stand, maar is een van de laatste der Mohicanen. Directeur Dalmia: 'Textiel in Bombay is zo goed als over.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden