Een ietwat curieuze jazzfanaat

De aristocratische jazzfanaat Egbert de Bloeme had een warm hart voor monument en milieu.

Beeld Pieter Boersma

Hij was een aristocratische en ietwat curieuze man die zich inzette voor het milieu. En hij had wellicht de grootste jazzcollectie van Nederland. Op 10 januari overleed jazzfanaat Egbert de Bloeme in Amsterdam aan longkanker. Hij woonde met echtgenote Margreet Swets in een van de oudste panden van Amsterdam, een uit 1540 daterend monument achter de Nieuwe Kerk. Ooit stonden daar de drukpersen van de uitgever en drukker Joan Blaeu (1598-1673). De Bloeme zette alles in het werk om het pand zo authentiek mogelijk te houden. Zo wist hij 17de-eeuwse landkaarten in handen te krijgen die bij Blaeu waren gedrukt. Ook bewaarde hij er zijn verzameling van tienduizenden lp's, cd's, foto's en unieke video- en geluidsopnamen van jazzartiesten.

De Bloeme werd geboren in een Rotterdams gezin van zes kinderen. Zijn vader was van 1935 tot 1945 directeur van de Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC). Na de oorlog werd hij weggezuiverd, omdat de krant fout zou zijn geweest. Later werd hij gerehabiliteerd. Zoon Egbert was al jong geïnteresseerd in jazz. Hij leerde trompetspelen en kocht als middelbare scholier in Rotterdam z'n eerste platen. 'Aanvankelijk veel Westcoast. Gerry Mulligan met Chet Baker had ik al vroeg vrijwel compleet', zei hij acht jaar geleden in een interview met het Jazz Bulletin, orgaan van het door hemzelf opgezette Nederlands Jazz Archief.

Na zijn eindexamen gymnasium in 1958 begon de verzamelkoorts serieuze vormen aan te nemen. Als student rechten ontmoette hij in de Bohemia-club aan de Johannes Vermeerstraat de toen nog onbekende saxofonist Willem Breuker. Het werd een hechte vriendschap. Na een reis door de VS besloot De Bloeme samen met radiomaker Michiel de Ruyter een eigen jazzclub op te richten: Jazzart.

Eind 1967 debuteerde De Bloeme als concertorganisator in het Lurelei-theater aan de Leidsekade (het tegenwoordige Bellevue). Maar de club legde het af tegen Hans Dulfers jazzclub in Paradiso, die professioneler was opgezet. De Bloeme besloot met zijn club te stoppen en ging met professionele apparatuur alle jazzavonden in Paradiso opnemen. De Volkskrant schreef: 'Tijdens de nu al legendarische woensdagavond-sessions in Paradiso kon men vrijwel altijd een snelle, slanke gentleman, op de voet gevolgd door een zwart hondje, in de weer zien met opnameapparatuur.' De Bloeme nam vanaf 1967 ook alle livejazzprogramma's op de Nederlandse radio en televisie op. Zelf trad hij als trompettist op. Met de B.O.C. Big Band won hij in 1983 de eerste plaats op het NOS Jazz Festival.

Zijn andere passie betrof het milieu. In 1972 trad hij in dienst van de Vereniging Milieudefensie, waar hij redacteur werd van het gelijknamige tijdschrift. Twee jaar later stond hij aan de basis van de stichting Reinwater, waarvan hij tot 1989 ook bestuurslid zou zijn. Uiteindelijk kreeg hij in 1977 een vaste baan op het ministerie van VROM waar hij tot zijn pensioen vooral personeelsbladen zou redigeren.

In 1990 werd De Bloeme gevraagd Wim van Eyle op te volgen als voorzitter van het Nederlands Jazz Archief. Om dit archief te ontsluiten, richtte De Bloeme Jazz Bulletin op, waarvan hij veertien jaar redacteur bleef. In 2001 was hij nog eenmaal betrokken bij de organisatie van jazzconcerten. In het voormalige onderkomen van het Werkteater aan de Spuistraat opende zijn echtgenote Pompoen, een jazzpodium met bar, restaurant, theater en een audiovisuele presentatie over de historie van Amsterdam. Na twee jaar moest het worden gesloten en werd het een domein van jonge popmuzikanten en dj's.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden