Een huis voor de auto

Het idee dat aan parkeergarages voor een architect geen eer valt te behalen, is verleden tijd. Betonnen bunkers werden volwassen gebouwen, ontworpen door volwassen architecten....

Duitse krimi's, moorden, achtervolgingen, snel tikkende dameshakken, pieslucht - dat beeld en die geur komen op als je denkt aan parkeergarages. Non places worden ze genoemd, de onoverzichtelijke, ongure, donkere plekken waar je het liefst zo snel mogelijk weer weg wilt. Nee, bij een parkeergarage denk je niet meteen aan ruime zwart marmeren toiletten met matglazen deuren en mooie witte fonteintjes.

Toch weet Floortje Louter (30), die als architectuurhistorica al zes jaar een wonderlijke fascinatie voor de parkeergarage koestert, er wel zo een te vinden: de Chassé Parking in Breda. En inderdaad, in het toilet waan je je even in een vijfsterrenhotel, zo chic. Totdat je het verlaat en regelrecht de knaloranje glazen portiersloge inkijkt, waar natuurlijk monitoren staan maar ook een paar decoratieve planten en een vissenkom met bij de muren kleurende goudvis. Alsof er een interieurarchitect aan te pas is gekomen.

De Chassé Parking is een ontwerp van OMA, het bureau van Rem Koolhaas, en is inmiddels twee jaar open. Het ontwerp laat zien dat de betonnen onderwereld van slagbomen, hellingbanen en kaartautomaten de laatste jaren een metamorfose heeft ondergaan. 'Je hebt hier helemaal niet het idee dat je onder de grond zit', zegt de trotse portier. 'Ik werk ook in andere garages in de buurt, maar dit is de fijnste, het paradepaardje van Breda.'

De Chassé Parking is ook een van Louters favorieten. En zij kan het weten. Ze schreef niet alleen haar doctoraalscriptie voor architectuurgeschiedenis over parkeren, ze is ook co-auteur van het onlangs verschenen boek Parkeren op niveau. De parkeergarage als ontwerpopgave.

Inmiddels is ze een echte parkeergaragefreak. Als ze in een stad komt, is het eerste wat ze volgt de blauwe borden met de P - en dat terwijl ze zelf geen rijbewijs heeft. Maar dat is geen probleem: parkeren fascineert haar als architectonisch vraagstuk. 'Voor auto's zijn er haast net zoveel voorzieningen als voor onszelf. Ze beschikken over hun eigen restaurants (tankstations), kapsalons (autowasserettes), disco's (showrooms), ziekenhuizen (garages) en zelfs laatste rustplaatsen (autokerkhoven)', filosofeert ze in het voorwoord van het boek. 'Verwonderlijk toch dat ”de woning” van een object met zo een bevoorrechte positie lange tijd zo'n ondergeschoven kindje is gebleven?'

Dat slechte imago stamt uit de jaren zestig toen met de massale opkomst van de auto overal in de steden 'betonnen bunkers' verschenen. Deze hadden als stelregel: zoveel mogelijk auto's op zo weinig mogelijk plaats, voor zo min mogelijk geld. 'Het slechte imago van de parkeergarage had ook te maken met het feit dat een parkeergarage openbare ruimte is, maar nooit een bestemming op zichzelf. En dan krijg je dat beeld uit krimi's.' Vanaf de jaren tachtig kwam met het idee van de compacte stad de ondergrondse parkeergarage, in zwang; bereikbaarheid, maar vooral leefbaarheid in de stadscentra werd belangrijk. En inmiddels is men toe aan de leefbaarheid van de garage. En dat mag wat kosten.

Voor opdrachtgevers is parkeren 'big business'. Een parkeerplaats in Amsterdam - een stilstaande auto heeft al gauw 25 vierkante meter nodig - is al snel twintig à dertigduizend euro waard, schrijft Louter in het boek. 'In 2004 stonden er in Nederland zo'n 6,9 miljoen personenauto's geregistreerd. In 1999 bedroeg dat aantal nog 6,1 miljoen, een toename van 800 duizend auto's in vijf jaar!' De bouw van een parkeergarage is dus een goede investering.

Lopend door de Chassé Parking wijst Louter op elementen die in, zeg, een oude Bijlmergarage (het schrikbeeld van elke parkeergarageliefhebber) ondenkbaar zijn. Deze garage bestaat uit één laag met een opvallend ruimtelijk karakter. Hier geen stinkende trappen, gangetjes en enge hoekjes. Overal valt daglicht naar binnen: noodtrappenhuizen steken her en der als lichtschachten door het dak, waarop een groot plein is gelegen.

'Het plafond zelf is veel hoger dan de minimaal voorgeschreven 2,1 meter. Bovendien zijn hier niet van die brede massieve betonnen kolommen nodig, waar verkeerde personen zich makkelijk achter zou kunnen verschuilen, omdat de constructie grotendeels van licht staal is', analyseert Louter. 'In oude garages moet je nogal eens slalommend om de kolommen heen, omdat er bij de bovengrondse bebouwing geen rekening werd gehouden met de constructie onder de grond.'

Een ander verschil met vroeger is de aandacht die er is besteed aan de afwerking. Ze wijst op de helblauwe vloer en het plafond dat licht glooit en golft. 'De vloer is samengesteld als een hoogtekaart, hoe hoger, hoe donkerder het blauw. Het is eigenlijk een grafisch patroon. Maar buiten dat, zo'n gladde toplaag over de betonnen vloer, of die sfeerverlichting achter transparante wanden, dat zie je in oude garages

[Vervolg op pagina 4]

[Vervolg van pagina 3]

niet. Hier heb je echt het gevoel: dit is architectuur.'

In de laatste tien jaar zijn architecten anders tegen de parkeergarage aan gaan kijken. Zij beschouwen het nu als volwassen gebouwtype, dat net zo goed als woningbouw, kantoren of musea moet worden ontworpen. 'Voorheen waren het alleen anonieme bouwkundigen die zich over het onderwerp bogen. Nu zijn het beroemde architecten', zegt Louter. 'Vroeger ontwierp men een gebouw en bedacht men op het eind pas hoe het moest met parkeren, of niet. Nu is de parkeergarage een vanzelfsprekend onderdeel geworden van elk bouwproject. Het is zelfs vaak het startpunt van een bouwopgave. Bij alle grote projecten zie je eerst een enorme bouwput ontstaan, voor de garage. Een kantorencomplex, een winkelcentrum of een megabioscoop zonder garage - dat werkt gewoonweg niet.'

Haar rijkgeïllustreerde boek is het eerste overzichtswerk op parkeergarage-gebied. Een selectie van de belangrijkste of opvallendste parkeergarages laat zien wat er de afgelopen tien jaar in Nederland zowel boven als onder de grond is gebouwd. Van de eerste moderne garages, zoals de bovengrondse Tivoli garage in Tilburg uit 1995 van architectenbureau Benthem Crouwel met aandacht voor materiaalkeuze en details (een transparant, glazen trappenhuis, blauwe sfeerverlichting die ook functioneel is tegen heroïnespuiters), tot aan het 'integrale' aanpak van UN Studio, dat de Erasmusbrug in een adem ontwierp met de garage eronder. Van de jongensachtige garages met spectaculaire hellingbanen (Villa Arena in Amsterdam) tot strakke, multifunctionele parkeergarages met een supermarkt erin (Museumplein). Louter: 'Misschien zeggen we over tien jaar wel: hoe hebben we het kunnen verzinnen? Belachelijk! Maar daar kun je nu nog niets over zeggen. Het boek is in elk geval bedoeld als inspiratiebron voor ontwerpers, opdrachtgevers en exploitanten. Het moet hen op ideeën brengen hoe het beter kan. Want dat is het grappige: een gebouw dat jarenlang zo'n slecht imago heeft gehad, kan alleen maar beter worden.'

Onderweg van Breda naar Tilburg, slaat ze het boek open. De garages die erin staan, zijn in drie categorieën onderverdeeld: de zogenoemde klassieke zelfstandige parkeergarage, type Fischer Price speelgoed in het groot, met meerdere lagen; de 'gecombineerde' parkeergarage, oftewel de welbekende garage onder een kantoor, winkels of woningen zoals de in 2003 opgeleverde H.J. van Heek parkeergarage door Atelier Pro Architects in Enschede. Het derde type is het meest verregaand: de parkeergarage die een 'symbiose' vormt met de omliggende bebouwing .

Dat type heeft volgens Louter de toekomst. De garage onder de Grote Markt in Den Haag (ook van OMA) ziet er in het boek haast onwerkelijk modern uit. Alsof het een artist impression is in plaats van een foto. Hier is de parkeergarage niet, zoals in verreweg de meeste gevallen, in de onderste laag gesitueerd maar tussen twee lagen in; erboven ligt het straatniveau, eronder het tramstation. 'Dat is heel vernieuwend. De parkeergarage was nooit een bestemming. Nu moet je door de garage heen, wil je naar het tramstation eronder. Dat brengt allemaal verkeersstromen op gang en dat is goed. Dan wordt het levendig. En dat bevordert weer een veilig gevoel.'

Parkeergarages zoals die onder de Grote Markt in Den Haag en de parkeergarage die op dit moment bij Arnhem CS (door UN Studio) wordt gebouwd komen volgens Louter een heel eind in de richting van de ideale parkeergarage. 'In beide gevallen maakt de parkeergarage onderdeel uit van een totaalplan. In Arnhem is dat een herstructurering van het hele stationsgebied. De parkeergarage vormt een geheel met het bovengelegen busstation, binnenplein, en kantoren. In de garage zijn geen kolommen. De wanden dragen de hele constructie, en zetten zich bovendien vier verdiepingen het dak. Zo vormen ze op drie voort, tot aan plaatsen een tot onder de schacht waardoor licht en lucht grond reiken.'

Functievermenging is een van de trends die zich aftekent. 'Het is grappig', zegt Louter. 'De eerste, meerlaagse parkeergarage in Nederland, de Torengarage in Den Haag uit 1930 van architect J. Greve, was eigenlijk een heel vooruitstrevend ontwerp. Het was garage, reparatiewerkplaats, showroom en wachtruimte voor de toenmalige chauffeurs ineen. Nu zie je dat multifunctionele weer terugkomen.'

En verder: ondergrondse garages hebben de toekomst. 'Alle steden kampen met ruimtegebrek. Bovengronds parkeren is veel te extensief. Bovendien worden grote bedrijven en opdrachtgevers van nieuwe gebouwen door de overheid gedwongen om de parkeerproblemen op eigen terrein op te lossen.'

Een van de laatste ontwikkelingen in het ondergrondse is het mechanisch parkeren, oftewel automatisch parkeren. Een van de grootste garages van dit type ligt onder de woningen aan de door MVRDV verbouwde Silodam in Amsterdam, ruim 120 plaatsen. De bestuurder plaatst de auto in een bovengronds hokje en vervolgens wordt de auto naar beneden getransporteerd en op een vrije plaats geparkeerd. De bestuurder kan de garage niet in.

'Een dergelijk systeem is sociaal veilig, goedkoper, want dure klimaatinstallaties zijn niet nodig, en neemt minder ruimte in, want je hoeft de portieren niet open te doen en de plafonds kunnen veel lager.' Maar Louter heeft er haar twijfels bij: 'Het blijft toch iets engs: overgeleverd zijn aan de techniek. Je hebt toch altijd het gevoel van: wat als hij er nou niet meer uitkomt?'

Zelf heeft ze een voorliefde voor bovengrondse garages. 'Dan zie je meteen wat het is. Voor mij hoeven garages ook niet allemaal achter schijngevels te worden verstopt. Van mij mag het parkeren best zichtbaarder mag zijn. Maar', zegt ze erbij, 'dat is natuurlijk wel een ontwerpersgedachte. Misschien ga je dat alleen mooi vinden als je al zo lang met het onderwerp bezig bent als ik. Neem bijvoorbeeld Eindhoven, daar heeft KCAP een ondergrondse garage ontworpen waarbij in het maaiveld vides zijn aangebracht waardoor je zo de garage in kijkt. Ik hou ervan. Het is alleen niet praktisch. Als het regent, staat het er zo blank.' n

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden