Column

Een hospice is niet alleen maar treurnis

Toine Heijmans in Groningen

Wat ze achter deze ramen doen is sterven, maar dat is aan de buitenkant natuurlijk niet te zien. De dood is akelig en verschuilt zich ook nog eens achter eufemismen. Het hospice heet Gasthuis Groningen, de naam van een familiehotel. Sterfhuis lijkt me een betere naam, zeg ik tegen Willemien, en die doet daar niet moeilijk over: 'ook goed'.

Gordijndoek waarop vrienden en familie mogen schrijven.

Aan moeilijk doen doen ze hier niet. Als Mark de alcoholist zijn laatste dagen wil doorbrengen aan de toog, dan kan dat - waarom zou je het leven van een stervende kroegtijger op het laatst nog willen veranderen?

Willemien Lenstra schreef een boekje met verhalen uit het hospice waar ze vrijwilliger is. Opschrijven is haar manier van dealen met de dood. Het heeft een prachtige titel: Mevrouw wil versterven! Sylvia Witteman schreef erover, onder de indruk, maar sloeg de uitnodiging af om langs te komen, 'dat durf ik niet'. Een geluk voor mij want in een hospice was ik nog nooit, en Willemien blijkt een geestige, gelijkmoedige vrouw te midden van 125 vrijwilligers met ongeveer datzelfde karakter. Antwoord op mijn mail of ik direct naar het hospice zal komen: 'wou je eerst de Martinitoren beklimmen dan?'

Als ik binnenkom ruikt het niet naar formaline maar naar koffie; gezellig draait ergens een wasmachine. In de hal staat de kaars die ze aansteken als de dood is langs geweest. Die gaat weer uit als het lichaam is vertrokken. 'Een hospice eng? Dit is niet eng toch', zegt Willemien. Degenen die komen om dood te gaan heten 'gasten', een stuk beter dan het koude 'cliënten' waar de zorg zo van houdt.

Als ik wegga is er iets vreemds gebeurd: het sterfhuis stemt me vrolijk. Ze trekken zich er nergens wat van aan, zolang de gasten het maar goed hebben. Dat kan alleen met vrijwilligers, zegt Willemien, 'anders krijg je last van de overheid'. Dan treden wetten in werking en protocollen en voor je het weet moet er een geneesheer-directeur aangesteld en becijferen ze de zorg per minuut - ze vertelt over een bezoek van co-assistenten die geschrokken informeerden naar het reanimatiebeleid. Artsen weten van genezen, hier weten ze van sterven.

Willemien Lenstra: roken, drinken, alles kan, het is hun kamer.

Ik heb lang nagedacht over al die kleine, eindige levens (+)

Sylvia Witteman las het boek 'Mevrouw wil versterven!' van Willemien Lenstra: 'Lenstra schrijft alles gortdroog maar behendig op, met compassie, maar zonder sentimentaliteit of literaire pretenties.' Lees hier de column.

Willemien neemt me mee door het huis. Er zijn vijf kamers. Daar stierven tot nu toe 656 mensen, soms na een uur, soms na twee jaar, en heel soms gaan ze toch niet dood. Een kamer huren kost veertig euro per dag maar als je geen geld hebt is dat niet erg. De gast of zijn familie mag 'm zelf inrichten. Roken en drinken - 'alles kan, het is hun kamer'. Ze koken er niet. Patat en frikadel om drie uur 's middags, de vrijwilligers doen nergens moeilijk over en lopen naar de snackbar. We zijn hier meer met het leven bezig dan met de dood, zegt Willemien: 'we maken er wat van'.

De gasten nemen huisdieren mee, 'hun eigenaardigheden, hun verslavingen soms, dat maakt ons allemaal niet uit'. Als iemand wil trouwen komt er een bruiloft in het zaaltje beneden, met bruidstaart en champagne. En de dag erna een uitvaart. De jongste bewoner was een meisje van één, de oudste een vrouw van honderd. Ze woonden tegenover elkaar. Het meisje had er een oma bij en de vrouw een kleinkind; zo worden met het einde in zicht nog wensen vervuld.

Op de tweede verdieping waken drie mannen in wat een huiskamer lijkt. Ze draaien diensten van vijf uur. Henk leest de krant, Elbart drinkt koffie en Leo maakt de sfeer: 'het is hartstikke gezellig hier'. Leo werkte veertig jaar in de harde commerciële natuursteenbranche, en wil zich nu graag nuttig maken. Elbart is predikant. 'Als je hier een tijdje zit', zegt hij, 'krijg je er een andere kijk op. Dan hoef je niet meer bang te zijn voor de dood.'

Maargoed, 'het is niet alleen maar lachen hoor', zegt Willemien. Een longbloeding is akelig, 'dat moet je opruimen', familieruzies, eenzaamheid - ze schrijft het niet voor niets van zich af. Maar verdrinken in verdriet en zelfhulpboeken, zoals gebeurt in de emotiemaatschappij, is niets voor haar. In de kleine bibliotheek zoekt ze naar een boek van psychiater Elisabeth Kübler-Ross, bekend van haar vijf fasen van rouwverwerking, en ze dreunt op: 'ontkenning, marchanderen, boosheid, verdriet, aanvaarding. Wat een onzin, als je de praktijk kent.' Gelukkig is het boek verdwenen. 'Je kunt je opwinden over onrecht en alles zielig en naar vinden, maar je moet wel praktisch blijven.' Dus als de gast een pakje shag wil van de Aldi, dan haalt ze dat.

Hospice, sterfhuis, bijna-thuis-huis - de beste naam voor wat wij doen, zegt Willemien, is 'noaberhulp'. Burenhulp. 'Maf eigenlijk, dat het nodig is.'

Elbart (links) en Leo waken in wat een huiskamer lijkt.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.