Een hoogleraar mag overal vrijuit over spreken, of toch niet?

Is de universiteit een bolwerk van debat, of mag er alleen wetenschappelijk verantwoorde taal klinken?..

Ze gaan het vandaag zeker over De Affaire hebben, zegt Taede Sminia, voorzitter van het Rectorencollege, de club van dertien wetenschappelijke bazen van de Nederlandse universiteiten. Tijdens hun laatste vergadering van het academisch jaar staat de zaak-Van der Horst hoog op de agenda.

Want dat een rector magnificus passages uit een rede van een hoogleraar laat schrappen, lijkt ongehoord. En dat de discussie daarover ontaardt in een welles-nietes-spelletje eveneens. ‘De kwestie is volledig uit de hand gelopen’, zegt Sminia, rector magnificus van de VU in Amsterdam.

De kwestie: prof. Pieter van der Horst, hoogleraar Nieuwe Testament aan de Universiteit Utrecht, wilde in zijn uittrede-rede het antisemitisme in een historische context plaatsen. Ook wilde hij zeggen dat ‘de islamitische wereld de fakkel van de redeloze jodenhaat van de nazi’s heeft overgenomen en met vuur en verve verder draagt’. En: ‘De islamisering van het Europese antisemitisme is een van de meest huiveringwekkende ontwikkelingen van de laatste decennia.’

Via de decaan aan de theologische faculteit kwam de concepttekst terecht bij de Utrechtse rector magnificus Willem Gispen, die Van der Horst, een gerespecteerd wetenschapper met een lange publicatielijst, op het matje riep. In de rede die Van der Horst op 16 juni in het Academiegebouw in Utrecht uitsprak, waren de gewraakte passages verdwenen.

Is de academische vrijheid in het geding? En hoe ver reikt die vrijheid eigenlijk?

Eén gebod

In de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gaat artikel 1.6 over de academische vrijheid. Het artikel bestaat uit één gebod. ‘Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.’ Uitleg ontbreekt.

Toevallig is afgelopen maand een voorstel voor een nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek naar de Tweede Kamer gezonden. Die ene zinsnede over de academische vrijheid is onveranderd. De toelichting op de wet biedt aanknopingspunten: daarin komt het begrip zeventien keer voor.

Bijvoorbeeld: ‘De academische vrijheid blijft een toetssteen voor zowel universiteiten als hogescholen.’ En: ‘De academische vrijheid hangt ten nauwste samen met de vrijheid van meningsvorming en meningsuiting (*). Het begrip richt zich op docenten, studenten en onderzoekers. Zij hebben de vrijheid bij het geven en ontvangen van onderwijs en het verrichten van onderzoek hun eigen wetenschappelijke inzichten te volgen en daarbij niet afhankelijk te zijn van bepaalde politieke, filosofische of wetenschapstheoretische opvattingen.’

Er zijn grenzen aan de academische vrijheid (‘het onderzoeksthema moet passen binnen het door de instelling vastgestelde onderzoeksbeleid’), maar de rol van de rector en de andere leden van het universiteitsbestuur blijft beperkt: ‘Het bestuur moet staan voor de basiskwaliteit (*) van het onderwijs en onderzoek, maar gaat niet over de feitelijke inhoud van het onderwijs en onderzoek.’

Daarom vindt rectorenvoorzitter Sminia dat je als rector uiterst voorzichtig moet zijn met het op voorhand schrappen van passages uit redes. ‘Zo’n rede, een openbaar college, gaat meestal niet over het vakgebied van de rector. Dat betekent dat je de wetenschappelijke kwaliteit nauwelijks kunt beoordelen. Als rector moet je vertrouwen hebben in de hoogleraar.’

Maar uit een rondgang langs collega-rectoren blijkt dat veel van hen Gispens ingreep, juist om redenen van wetenschappelijke kwaliteit, kunnen billijken.

‘Kwaliteit houdt minimaal in dat de auteur zijn argumenten kan onderbouwen, en die argumenten op wetenschappelijk verantwoorde wijze naar voren weet te brengen’, schrijft rector Henk Zijm van de Universiteit Twente in een e-mail. ‘In Utrecht heeft het College van Promoties geoordeeld dat dat laatste niet het geval was. Gezien dat oordeel is een rector gerechtigd de auteur daarop te wijzen.’

Rector Kees Blom van de Radboud Universiteit Nijmegen houdt om die reden de redes in de gaten, zegt hij. ‘Soms vermoed ik dat een hoogleraar buiten zijn boekje kan gaan. Dan eis ik dat ik de rede van te voren zie. Ik deel soms ook nog mee dat ik, als de uitgesproken tekst mij niet bevalt en dus afwijkt van wat ik heb goed gekeurd, ik hem of haar het woord zal ontnemen.’

Blom acht ingrijpen niet alleen op grond van gebrekkige wetenschappelijke kwaliteit gerechtvaardigd. Zelfs wetenschap van hoog niveau kan moreel verwerpelijk zijn, bijvoorbeeld omdat die kan leiden tot vernietiging van de mens.

‘Daarom is wetenschappelijke vrijheid een precair begrip dat direct gekoppeld dient te worden aan verantwoordelijkheid. En wie past daar op in een academische gemeenschap? Dat is de rector magnificus – omdat die niet alleen lid is van het College van Bestuur, maar leider van het corps der hoogleraren. Kortom: de ingreep van Gispen is zeker te rechtvaardigen.’

Toch is het juist vanwege die maatschappelijke verantwoordelijkheid van de universiteit dat andere rectoren precies de tegenovergestelde conclusie trekken. Frans Zwarts van de Rijksuniversiteit Groningen ziet de universiteit als vrijdenkersorganisatie. ‘Meningen van wetenschappers hoeven daarbij niet per se door wetenschappelijk denken geschraagd te zijn.’

Sminia: ‘De persoonlijke visie is een wezenlijk element van een oratie of uittrede-rede. Het is de rol van een hoogleraar om maatschappelijke zaken aan de kaak te stellen. Hij hoeft zich niet tot wetenschappelijke argumenten te beperken.’

Rector Frank van der Duyn Schouten (Universiteit van Tilburg) is het daar niet mee eens: ‘Wanneer een professor met een nadrukkelijke verwijzing naar zijn ambt van hoogleraar een verhaal houdt zonder wetenschappelijke onderbouwing, maakt hij of zij misbruik van zijn wetenschappelijke gezag.’

En Blom: ‘Als een hoogleraar zich buiten zijn vakgebied begeeft, is het de mening van een individuele burger die van de gelegenheid gebruik maakt omdat er veel mensen luisteren. Dat is een oneigenlijke situatie, zeker bij oraties en afscheidsredes omdat die worden uitgesproken onder auspiciën van de universiteit.’

Maar toch. In het advies van de Raad van State bij het nieuwe wetsvoorstel staat dat het academische systeem niet moet zijn gestoeld op ‘georganiseerd wantrouwen’, maar op het ‘organiseren van kritische tegenkrachten’. Sminia zal er tijdens de rectorenvergadering vandaag op wijzen dat ingrepen alleen verantwoord zijn als de redes in strijd zijn ‘met God of gebod’. ‘Je kunt niet alles zeggen, maar je mag best kijken wat het losmaakt. De universiteit als bolwerk van debat. Daar mag de maatschappij niet aan twijfelen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden