Een hoge Citoscore is tonnen waard

Deze week zaten ze te zweten en in de week van 10 maart volgt de uitslag. De leerlingen van 6.170 basisscholen (zo'n 85 procent van het totaal) kennen dan hun score op de Citotoets, die (mede) bepaalt naar welke type vervolgonderwijs ze na de zomer gaan.


Maakt het wat uit? Los van al het andere: zomaar een half miljoen euro. Denk maar mee.


Na de basisschool begint de selectie. De gewone onderwijsroute van een vmbo-leerling voert via het mbo naar de arbeidsmarkt. De havist gaat na diplomering direct aan het werk of belandt daar via het hbo. De vwo'ers en gymnasiasten gaan pas (echt) aan het werk nadat ze hun bul hebben gehaald. In theorie kunnen leerlingen via vmbo en mbo doorstromen naar hbo en dan naar de universiteit, in de praktijk gebeurt dat zelden. Het wordt ook tegengewerkt.


Dus: de Citoscore bepaalt (in hoge mate) het type vervolgonderwijs. En dit type vervolgonderwijs bepaalt (in hoge mate) het eindpunt van de initiële opleiding. Hier houdt het verhaal niet op, hier begint het pas goed.


Want het einddiploma heeft, op zijn beurt, weer twee belangrijke effecten. Ten eerste: hoe hoger het einddiploma, des te groter de kans dat gedurende het werkzame leven wordt geïnvesteerd in (nog) meer leren. Bij-, op-, en nascholen komt bij hoger opgeleiden veel vaker voor dan bij lager opgeleiden.


Het tweede effect is nog pregnanter: het einddiploma beïnvloedt de hoogte van het uurloon - en niet zo'n beetje ook.


Hoeveel levert meer leren op? Bas ter Weel van het Centraal Planbureau schreef hier anderhalf jaar geleden een goed stuk over, getiteld Loonongelijkheid in Nederland stijgt. Hij neemt het gemiddelde uurloon van personen met een vmbo-einddiploma als basis. En stelt vervolgens de vraag: hoeveel verschilt dit met hogere einddiploma's? Alle techniek buiten beschouwing latend: de gemiddelde mbo'er verdient per uur een kleine 20 procent meer dan de vmbo'er, een hbo'er 45 procent meer en iemand met een mastertitel zelfs een kleine 70 procent.


Deze uurloonverschillen - om het nog prangender te maken - nemen sinds 1990 toe. Als voorbeeld: het verschil in uurloon tussen de vmbo'er en de universitair gediplomeerde was in 1990 nog 50 procent (tegen 70 nu dus).


Deze verschillen in uurloon tikken in de loop van een werkzaam leven behoorlijk aan. Een rekenvoorbeeld. Als de gemiddelde vmbo'er een bruto jaarloon heeft van 20 duizend euro, komt de gemiddelde master dus, bij een gelijk aantal uren werken, op 14 duizend euro per jaar méér. Doe dat veertig jaar achter elkaar, en we praten over 560 duizend euro. Op deze som is echt wel wat af te dingen, maar het gaat me maar even om de orde van grootte. Tonnen.


De economische formulering hiervan is: het private rendement op (extra jaren) scholing is hoog en neemt toe.


Op grond van deze constateringen (van feitelijke aard) kunnen heel wat conclusies getrokken worden. Ik heb ruimte voor drie:


Houding

Omdat keuzes rond school, juist van jonge kinderen, een leven lang meegaan, en de (economische) gevolgen hiervan voor het individu groot zijn, moet presteren in het basisonderwijs serieuzer genomen worden. Leerkrachten, directeuren en wethouders die het belang van hoge Citoscores wegwuiven of relativeren, handelen tegen het (economische) belang van de betrokken kinderen.


Ingrijpen

Leerproblemen, -moeilijkheden en -achterstanden kun je niet vroeg genoeg repareren. Een school met lage scores? Haal die kids toch eerder binnen, verleng de schoolweek, fiks de problemen vroeg. Zogeheten 'vroege en voorschoolse educatie', voorafgaande aan de basisschool, kan beter, groter, intensiever.


Systeem

Stimuleer tweede en derde kansen in plaats van ze te frustreren. Breek de vaste leerroutes weer open. Bewonder de masterbul van de leerling die vanwege zijn lage Citoscore begon op het vmbo.


Frank Kalshoven is directeur van De Argumentenfabriek


Reageren?


frank@argumentenfabriek.nl