EEN HEEL STERRENSTELSEL II

Wat voorafging: op koninginnedag 1972 wordt Jannie op het politiebureau ondervraagd door De Caluwe en verbalisant Van de Vijver. Op de handtas van de arrestante heeft het lab een massa spatjes getraceerd....

Steeds maar kijkend naar die nog altijd in verschillend tempo ronddraaiende spoelen van de bandrecorder, herinnerde ze zich opeens weer de dag dat haar moeder hertrouwde. Toen had, in de brede vensterbank van de woonkamer van haar aanstaande stiefvader, ook zo'n bandrecorder staan draaien. Meegebracht en geïnstalleerd door de dominee, die haar moeder en nieuwe vader in de huiskamer in het huwelijk zou bevestigen. Uit angst dat al die kinderen, die stuk voor stuk niet alleen ongelovig geworden waren, maar die ook nog in het schemergebied van de kleine criminaliteit de dagelijkse boterham binnen schraapten, de psalmen en gezangen van de huiskamertrouwdienst niet mee zouden zingen, had de dominee van een ouderling een recorder en banden met geestelijke liederen geleend. Het monterde haar een beetje op om aan haar oudste broer te denken. Die had, toen het apparaat was gestart om het geestelijke lied ver boven 't prachtig sterrendak te produceren, maar vervolgens enkel een nadrukkelijk gesis voortbracht, met een brede glimlach vergenoegd opgemerkt:

'O, wat zingen ze mooi, dominee, 't gaat over ruisen, Ruisch, o Godstroom der genade. Of wacht, nee, ze zingen, Gouden harpen hoor ik ruischen.'

'Welnee,' had haar jongste broer geroepen, 'ze zingen: Daar ruischt langs de wolken.'

Een daverende vuistslag op tafel deed haar opschrikken uit haar mijmering.

'Godverdegodverdegloeiendegodver, komt er nou nog wat van, Jannie, enig idee hoe die spatjes op jouw handtas komen?', donderde De Caluwe.

'Ik ben niet verplicht om wat te zeggen,' zei ze.

'Kom, Jannie, werk nou mee, voor je eigen bestwil, je schiet er niks mee op om je mond te houden, dan sodommieteren we je meteen de cel in, en hoef je niet te denken dat je de eerste dagen weer vrij komt, we hebben echt genoeg bewijs om je een flink tijdje vast te houden, hoe komen dat sterrenstelsel op jouw handtas?'

'Ik weet het waarachtig niet,' zei ze, 'ik weet het echt niet.'

'Wou je ons dat nou echt proberen wijs te maken, ik had je toch voor verstandiger gehouden, maar laten we het dan eerst eens anders proberen. Wat heb je gisteren gedaan? Waar was je gisterenavond?'

'Gisterenavond?'

'Ja, zaterdagavond, 29 april 1972.'

Ze legde beide handen naast elkaar op haar voorhoofd. Soms wilde dat, mits je handen erg koud waren, de hoofdpijn enkele seconden nog wel iets verlichten. Maar haar handen voelden warm, bijna gloeierig aan, en ze zei:

'Alstublieft, help me nou toch eerst eens aan een asperientje. Zo gaat het echt niet.'

Van de Vijver stond op. 'Zal ik dan toch maar. . .'

'Om de donder niet,' zei De Caluwe.

Van de Vijver ging weer zitten.

'Jannie, nog een keer, waar was je gisteravond tussen half tien en half één.'

Ze zuchtte, legde haar beide handen voor zich op het tafelblad, keek naar die toch tamelijk rustgevend draaiende bandrecorder, en zei:

'Ik heb gisteren de hele dag thuis gezeten, nou ja, 's morgens heb ik even een halfje brood gehaald maar dat was echt alles, ik ben 's avonds pas om een uur of negen de deur uit gegaan, ik heb toen eerst een hapje gegeten in een snackbar. . .'

'Welke snackbar?'

'Snackbar Lelieblank, bij het busstation.'

'OK, dat zullen we laten natrekken. Hoe lang ben je daar gebleven?'

'Niet zo erg lang, zo lang dat ik rustig een patatje, twee nasiballen en een frikandel kon wegwerken. . . er was alleen. . . daar stond. . . ik. . .'

De hoofdpijn leek nu af te dalen in haar lichaam. Ze voelde zich doodziek. Eigenlijk was elke pijn, in welk lichaamsdeel dan ook, beter dan hoofdpijn, want leed je hoofdpijn, dan was je hele lichaam solidair met je hoofd, dan leed als het ware je hele lichaam pijn, terwijl de pijn van een verstuikte enkel zich strikt beperkte tot je onderbeen. Zelfs menstruatiepijn was enkel buikpijn, maar hoofdpijn en dan vooral deze hoofdpijn, deze stekende, zagende, klauwende hoofdpijn was ondragelijk. Had ze maar een asperientje, of nog liever, één, nee, twee saridons.

'Wie stond daar?'

'Tantetje.'

Ze zag het, ondanks de hoofdpijn, weer voor zich. Hoe Tantetje daar had gestaan. Met een idioot, transparant hoofddoekje om haar valse, overvloedige blonde krullen. Met een lange jurk aan, die geen vrouw waar ook ter wereld ooit zou aantrekken. Met daaroverheen een reusachtig gebreid vest dat blijkbaar voor jas moest doorgaan. Op schoenen met krankzinnige blokhakken. En met een handtasje, nee, ongelofelijk, waar vond iemand zo'n tasje? Ze had Tantetje aangekeken, en toen had ze opeens bedacht dat ze, als ze Tantetje meenam bij het eerste gedeelte van haar missie, ze perfect gecamoufleerd zou zijn. Alle aandacht zou immers naar Tantetje uitgaan. Niemand zou nog op haar letten. Ze had uitnodigend naar Tantetje geglimlacht en die had verbaasd teruggeknikt. Tantetje was niet gewend aan een glimlach, Tantetje was gewend aan verbazing, verbijstering, scheldwoorden, hoongelach.

Wordt vervolgd, door Charlotte Mutsaers. Vanavond om 22.00 uur bij 'De Avonden' (VPRO, Radio 5), morgen op de Voorkant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden