Een hazeslaapje in het heilig woud In 'De gouden tak' inventariseerde J.G. Frazer de mentale geschiedenis van de vroegste mens

De Britse antropoloog Sir James George Frazer (1854-1933) was geen groot reiziger. Hij waagde zich zelden buiten Trinity College in Cambridge, maar vergaarde desondanks grotekennis van religieuze riten en gebruiken uit de hele wereld....

VOORDAT de bewoners van het dorpje Cape Coast Castle op de avond van 9 oktober 1844 de boze geest Abonsam in zee dreven, hadden ze vier weken absolute stilte in acht genomen. Niemand mocht zijn geweer afschieten of op een trommel slaan. Bekvechten was verboden. Dorpelingen die ruzie kregen en daarbij lawaai maakten, moesten onmiddellijk voor de koning verschijnen en kregen een zware boete. Loslopende honden, varkens, schapen of geiten mochten worden gedood of meegenomen, en de eigenaar had in dat geval geen recht op schadevergoeding. Zo misleidde men de geest, om hem vervolgens op een afgesproken tijdstip aan het schrikken te maken met een hels lawaai van potten en pannen en musketvuur. Maar voordien moest het absoluut stil blijven. Als een van de dorpelingen voor die tijd stierf, mocht zijn familie hem pas na afloop van deze vier weken bewenen.

Een Engelsman die erbij was heeft deze ceremonie beschreven, en zijn verhaal is te vinden in het onlangs vertaalde hoofdwerk van de Britse antropoloog James George Frazer, The Golden Bough (De Gouden Tak). Dat werk bevat vele honderden van dit soort verhalen, indertijd (eind negentiende eeuw) met belangstelling gelezen door koloniale ambtenaren en bestuurders die in de verste uithoeken van het Empire leerden leven met de stille kracht van animisme en magie.

Maar Frazer komt, naarmate je dieper doordringt in zijn boek, ook dichterbij. Hij schrijft over de moeder van het koren in Beieren en over de bewoners van Scherpenheuvel in Vlaanderen, die als het Allerzielen is kaarsjes branden en zielebrood eten. Frazer speculeert: 'Misschien dacht men oorspronkelijk - net als de Eskimo's in Alaska tot op de dag van vandaag - dat de geesten bezit namen van de lichamen van hun verwanten, om zo te delen in het voedsel dat de nabestaanden consumeerden.'

Frazer schrijft over het moderne carnaval, zo suggestief dat ik moest denken aan de verbranding van Kiske en Miske bij het Spanjaardsgat in Breda, een indrukwekkend schouwspel waarbij honderden feestvierders toekijken terwijl de reusachtige mascottes van het carnaval aan de overkant van het water in vlammen opgaan. En diezelfde avond wordt, een paar kilometer verderop in het Ginneken, de baron begraven; deze heer van stand heeft dan vier dagen mogen heersen over een grandioos feest. Een lange rouwstoet trekt door de smalle straten naar de Ginnekenmarkt, waar de mensen in rijen dik staan te wachten. Na wat korte plechtigheden roept iemand: 'Le baron est mort! Vive le baron' Dat is het sein voor een laatste uitbarsting van feestgedruis. Vroeger ging je de dag daarna met z'n allen in de kerk een askruisje halen. De vastentijd was begonnen.

Het is natuurlijk veelbetekenend dat we sinds een eeuw of anderhalf steeds meer over dit soort gebruiken en rituelen kunnen lezen. Antropologen, psycho-analytici en godsdiensthistorici maken een systematische studie van verhalen en getuigenissen, ze trekken de wijde wereld in, en al zijn ze in het regenwoud van Brazilië, toch hou je het gevoel dat ze in hun verslagen iets wezenlijks te melden hebben. Hoe meer je leest over de lugubere mensoffers van de Azteken, hoe meer je het gevoel krijgt dat het vertelde niet helemaal nieuw is - en ook niet zo exotisch. Hetzelfde kun je zeggen over de Mikado's in Japan, of de travestie-ceremonie van de Iatmul in Nieuw-Guinea zoals beschreven door Gregory Bateson. We komen er steeds meer over te weten, en kennelijk bevredigt die nieuwe kennis bij zeer velen een diepe nieuwsgierigheid.

Tegelijkertijd moet je concluderen dat de beschreven rituelen en ceremonieën en gewoonten veel van hun oorspronkelijke vanzelfsprekendheid verliezen. Het zijn museumstukken, vreemd en aantrekkelijk, maar ook ontheemd en beroofd van een zekere onschuld. We interpreteren en vertalen, maar we hebben er zelf niet echt deel aan. Ook in Nederland bestaat een uitvoerige documentatie van lokale folklore, niet langer overgeleverd van generatie op generatie, maar vastgelegd in druk, en object van intensieve studie. Zodra je gaat nadenken over dingen die je ouders en je grootouders ook al deden, reconstruerend tot in het donkerste verleden, is er iets veranderd. Het is niet langer vanzelfsprekend.

Frazer schreef zijn grote werk (dat in de meest uitgebreide editie dertien delen telt) in de overtuiging dat geen enkel taboe, geen enkel ritueel, geen enkele totem vanzelfsprekend is, en het lezen van The Golden Bough is dan ook een oefening in relativisme. Elk (bij)geloof, elke amulet waar deze erudiet zijn aandacht op richt, blijkt een produkt van naïeve verbeelding of menselijk opportunisme; vrijwel nergens is sprake van een spirituele dimensie, een uitleg die het onzegbare intact laat.

The Golden Bough moest een mentale geschiedenis van de vroege mensheid worden, een alomvattende hypothese over de geest van de primitieve cultuur. Als uitgangspunt nam Frazer een merkwaardig ritueel dat plaatsgreep in het voorhistorische Italië, om precies te zijn bij het heiligdom van de godin Diana aan het meer van Nemi. Meteen op de eerste pagina schildert Frazer het tafereel in onheilspellende kleuren: 'In dit heilig woud stond een bepaalde boom; en om die boom kon men op ieder moment van de dag en waarschijnlijk tot diep in de nacht een sombere gestalte zien rondsluipen. In zijn hand had hij een ontbloot zwaard en hij loerde voortdurend argwanend om zich heen, alsof hij elk moment verwachtte door een vijand te worden overvallen. Hij was priester en moordenaar, en de man naar wie hij speurde zou hem vroeg of laat vermoorden en het priesterschap van hem overnemen. Zo was de regel van het heiligdom. Een kandidaat voor het priesterschap kon hem alleen in het ambt opvolgen door hem te doden en nadat hij hem had gedood bleef hij in functie tot hij zelf werd gedood door iemand die sterker of sluwer was dan hij.

'Bij het ambt dat hij op deze hachelijke voorwaarden vervulde behoorde de koningstitel; maar ongetwijfeld heeft geen gekroond hoofd ooit onrustiger geslapen of was het vervuld van bozer dromen dan het zijne. Want jaar in, jaar uit, 's zomers en 's winters, bij mooi weer en bij slecht weer, moest hij zijn eenzame wake houden, en waagde hij met elk onrustig hazeslaapje zijn leven. De geringste verslapping van zijn waakzaamheid, de geringste vermindering van zijn lichaamskracht of van zijn gedrevenheid met het zwaard bracht hem al in gevaar; grijze haren konden zijn doodvonnis bezegelen.'

Dit kleine stukje tekst roept zo ontzettend veel vragen op dat we negenhonderd pagina's later - wanneer het ritueel zo goed en zo kwaad als dat gaat is uitgelegd - in feite beschikken over een tamelijk uitputtend panorama van rituele praktijken en tradities. Alles wat hierboven passeerde aan voorbeelden en anekdotes is dan ter sprake geweest - en nog veel, veel meer, uitvloeisel van de door Frazer gehanteerde comparatieve methode. 'De merkwaardige regel van dit priesterschap', schrijft hij, 'kent geen parallel in de klassieke oudheid en vindt er geen verklaring in. Voor een verklaring moeten we verder weg zoeken. Niemand zal waarschijnlijk ontkennen dat een dergelijk gebruik riekt naar een barbaarse tijd; het handhaafde zich tot in de keizertijd en stak scherp geïsoleerd af tegen de gepolijste Italiaanse maatschappij van die tijd, als een rots uit de oertijd die oprijst in een gladgemaaid gazon.

'Maar juist die wreedheid en barbaarsheid van het gebruik bieden ons hoop op een verklaring. Recente onderzoeken naar de vroegste geschiedenis van de mens hebben immers de wezenlijke overeenkomst - onder vele uiterlijke verschillen - in de wijze waarop de menselijke geest zijn eerste primitieve levensfilosofie creëerde, onthuld. Als we derhalve kunnen aantonen dat een barbaars gebruik, zoals dat van het priesterschap van Nemi, ook elders heeft bestaan; als we achter de motieven die tot de instelling ervan leidden kunnen komen; als we kunnen bewijzen dat deze motieven op ruime schaal, misschien zelfs universeel, werkzaam zijn geweest in de menselijke samenleving en onder verschillende omstandigheden tot een veelheid aan gebruiken die in specifieke zin verschillend, maar in grote lijnen hetzelfde waren hebben geleid; als we, ten slotte, kunnen aantonen dat juist deze motieven, mèt een aantal eruit voortkomende gebruiken, in de klassieke oudheid aanwezig waren - dan mogen we daaruit gerust concluderen dat dezelfde motieven in een nog verder verleden aan de wieg stonden van het priesterschap van Nemi.'

Met een machtige vloed van data (je kunt ook zeggen: suggesties, veronderstellingen) voldoet Frazer aan de voorwaarden die hij zelf stelt - alsof hij een advocaat is die een jury moet overtuigen. En eigenlijk heeft hij zijn ultieme suggestie allang geponeerd voordat hij het ritueel bij Nemi verklaart. Halverwege zijn boek laat hij als het ware terloops vallen dat de wederopstanding van Christus opvallende overeenkomsten vertoont met die van de Phrygische vruchtbaarheidsgod Attis. Frazer merkt op dat aanhangers van deze godheid de eerste Christenen plagiaat verweten om de simpele reden dat de cultus van hun god ouder was, en met de voor hem zo karakteristieke ironie concludeert hij: 'Deze flauwe redenering werd door de Christenen makkelijk weerlegd. Zij gaven toe dat in tijd gezien Christus inderdaad de jongste van de twee was, maar bewezen triomfantelijk dat hij in werkelijkheid de oudste was door terug te vallen op de sluwheid van Satan, die in deze zo gewichtige aangelegenheid zichzelf had overtroffen door de gebruikelijke tijdsvolgorde in de natuur om te draaien.'

Het is trouwens jammer dat de Nederlandse uitgever dit moment in het betoog van Frazer niet veel prominenter presenteert, hetgeen ook had gekund; in de editie van 1890 laat de geleerde alle voorzichtigheid varen en wijdt hij heel wat tekst aan de mogelijkheid dat de kruisiging louter een variant is van talloze andere, heidense rituelen waarbij men een persoon die (tijdelijk) als een god werd gezien ter dood bracht. In de heidense rituelen kan het om een offer gaan om de vruchtbaarheid van het land zeker te stellen, maar ook om een 'zondebok' (scapegoat - de term is van Frazer) die al het kwaad van de wereld weg zou nemen.

De theorie van Frazer is te gecompliceerd om in kort bestek weer te geven, maar komt terug in een eendelige uitgave van The Golden Bough die vorig jaar bij Oxford University Press verscheen. Speciaal voor die uitgave heeft Robert Fraser (geen familie) het werk nogmaals gecomprimeerd, en duidelijk meer ruimte gegeven aan onderdelen ervan die in 1922 (toen Frazer met zijn vrouw een eendelige uitgave produceerde) te controversieel zouden zijn geweest. De Nederlandse editie is een vertaling van de editie uit 1922.

Bekend in dit verband zijn de smalende woorden van Robert Graves, die in zijn eigen mythische geschiedenis The White Goddess over Frazer zegt: 'Sir James Frazer kon zijn fraaie vertrekken op Trinity College in Cambridge aanhouden tot zijn dood, door zijn gevaarlijke onderwerp voorzichtig en methodisch te omzeilen - alsof hij de kustlijn van een verboden eiland in kaart bracht zonder zich daadwerkelijk uit te spreken over het bestaan ervan. Wat hij zei en toch weer niet zei was dat de overlevering, het dogma en de rituelen van het Christendom verfijningen zijn van een groot aantal primitieve en zelfs barbaarse geloven, en dat vrijwel het enige originele element in het Christendom de persoon van Jezus is.'

Frazer heeft eigenlijk nooit over religie geschreven, omdat hij zich niet bezig hield met de subjectieve of zelfs irrationele kanten ervan. Hij kon het onzegbare niet intact laten, want dat is een kwestie van beleving - een psychologisch feit waar hij geen flauwe notie van had. Daarom gaf hij de primitieve mens met al zijn afgoden een zuiver functionele geest: je hebt regen nodig, en daarvoor is de procedure zus en zo (offer, dansen, een paar weken onthouding, noem maar op). Dat er tussen de primitieve mens en zijn goden veel meer aan de hand was, lijkt in de visie van deze scepticus uitgesloten.

Hij heeft dus ook nooit begrepen waarom zijn werk enorme invloed had in kringen van modernisten, waarom dichters als Eliot en Yeats (bij ons Hugo Claus) gefascineerd waren door de wereld die hij opriep. Eliot verwerkte het materiaal over vruchtbaarheidsriten in The Waste Land, maar Frazer viel naar verluidt in slaap toen zijn assistent hem delen van het gedicht voorlas. D.H. Lawrence, Wyndham Lewis, iedereen vond zijn eigen weg in The Golden Bough, maar aan de auteur van dat werk is het allemaal voorbij gegaan.

Toch ligt de poëzie in dat boek als het ware klaar. Neem al die honderden voorbeelden van taboes. De mannen in een bepaalde streek van Borneo durfden niet naar een blanke reiziger te kijken, uit angst dat hij hun ziek zou maken. Ze waarschuwden hun vrouw en kinderen bij hem uit de buurt te blijven. Degenen die hun nieuwsgierigheid niet konden bedwingen slachtten kippen om de boze geesten gunstig te stemmen en smeerden zich in met hun bloed. Een Singalese boer zou het niet in zijn hoofd halen om goed voedsel, zoals koeken en geroosterd vlees, van de ene naar de andere plaats te vervoeren zonder er eerst een ijzeren spijker in te steken, om te voorkomen dat een demon bezit van de etenswaren neemt, zodat degene die ervan zou eten ziek zou worden.

Dit gaat maar door: het ene verhaal is nog mooier dan het andere, omdat ze de wereld in zich opnemen in plaats van haar te beschrijven. De essentie van die verhalen is niet louter materialistisch, zoals Frazer lijkt te denken, niet alleen bepaald door de noodzaak om te overleven. Deze verhalen zijn metaforen, en gaan daarom veel dieper. De Italiaanse denker Giambattista Vico had hier, honderdvijftig jaar voor Frazer, interessante dingen over te zeggen.

We moeten Frazer lezen en herlezen: niet om de theoretische grondslagen van zijn werk, de commentaren kun je rustig overslaan. Hij geeft ons in de verhalen die hij vertelt geschiedenis die tegelijk eindig is en eindeloos, realiteit en utopie. Zijn boek is merkbaar gedateerd, politiek vaak alles behalve correct, maar van alle tijden.

James George Frazer: De Gouden Tak. Uit het Engels vertaald door Aris J. van Braam. Contact, ¿ 145,-.

James George Frazer: The Golden Bough. Oxford University Press, import Nilsson & Lamm, ¿ 34,60.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden