Een grove ziekenfabriek met vriendelijk smoel

Ingang en aankleding AZG in Groningen, Wytze Patijn, 1990/'97. Tentoonstelling: Stad binnen de stad, Centrum voor architectuur en stedebouw, Groningen....

Wie vandaag de dag in de stad Groningen zich naar de nieuwe hoofdingang begeeft van het Academisch Ziekenhuis, die waant zich daar - tussen de Ooster- en Petrus Campersingel, vlakbij het Damsterdiep - opeens op een vliegveld van internationale allure. Hoe kil en onpersoonlijk die enorme, bolle aankomsthal ook overkomt, voor een ziekenhuis is het een hele stap vooruit.

Want in zo'n vierhonderd jaar tijd is het doorsnee ziekenhuis getransformeerd van een vriendelijk gasthuis tot een norse, ondoordringbare betonnen burcht waarvoor de benaming 'fabriek' nog te flatteus is.

De kiemen van die onmenselijke grootschaligheid liggen in de negentiende eeuw, toen de oorlogvoering steeds grotere aantallen slachtoffers eiste. Zo bouwde de Britse ingenieur Isambard K. Brunel in 1855 in het plaatsje Renkioi bij de Dardanellen een reusachtig ziekenhuis met duizenden bedden voor de gewonden van de Krimoorlog. Ook tijdens de Amerikaanse burgeroorlog vloeide veel bloed, om de slachtoffers op te vangen werden enorme ziekenhuizen gebouwd, sommige met ruim drieduizend bedden.

In de meeste Europese steden besefte men evenwel terdege dat dit noodsituaties waren. Men hield vast aan het idee dat een ziekenhuis een vriendelijke huisvesting nodig heeft die zijn bijdrage moet leveren aan de stedebouwkundige samenhang van een stad. Al was het waar dat het ontegenzeglijk veel voordelen had om de diverse geneeskundige specialismen zoveel mogelijk bij elkaar te plaatsen.

Men verzon daarvoor de bouw van verschillende paviljoens die dicht bij elkaar op een vrij groot, parkachtig terrein werden geplaatst. Elk paviljoen, dat vaak een landhuisachtig karakter kreeg, kreeg zijn eigen specialisme.

Dat was ook de opzet die de medici in Groningen aan het einde van de vorige eeuw in hun hoofd hadden. De stad kende nog geen centraal ziekenhuis. Zo was de Barak voor besmettelijke ziekten aan de Zuiderkuipen gevestigd, de Inrichting voor ooglijders aan de Ubbo Emmiussingel, en de Interne- en vrouwenkliniek aan de Munnekeholm.

Voor het samenvoegen van alle specialismen zou een groot terrein nodig zijn. De voormalige stadswallen, die in 1877 vrijgekomen waren na de sloop van de vestingwerken, zouden geschikt zijn, maar na grondige bestudering van de locaties bleek alleen de Oostersingel aan alle eisen te voldoen.

Zo begon in 1898 de bouw van het Algemeen Provinciaal- Stads en Academisch Ziekenhuis van Groningen naar ontwerp van architect Johannes Jacobus van Nieukerken (1854-1913), die een grote voorliefde had voor de Hollandse neo-renaissance. Toen het ziekenhuis in 1903 gereed was, stonden dan ook langs de Oostersingel een aantal losse gebouwen in het groen waarvan het poortgebouw, de ingang, het meest in het oog sprong. Het waren gebouwen die, ondanks hun grootte, de stedelijke traditie van het gasthuis in ere hielden.

Al spoedig zouden er meer gebouwen komen, maar een echte grote sprong deed het ziekenhuis in 1926, toen het zijn grondgebied kon verdubbelen nadat een deel van het Verbindingskanaal was gedempt. Het terrein strekte zich nu uit van de Oostersingel tot aan de Petrus Campersingel. En daarmee vormde het een forse hindernis tussen de Groningse binnenstad en de nieuwbouwwijken die ten oosten van de stad werden aangelegd.

In een kleine tentoonstelling in het Centrum voor Architectuur en Stedebouw aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen wordt aandacht besteed aan die onverkwikkelijke situatie. Terecht heeft dit overzicht de naam gekregen 'Stad binnen de stad', want het terrein is sinds het eind van de jaren dertig in toenemende mate verworden tot een stedelijke jungle.

De oorzaken zijn vele. Het gemeentebestuur van Groningen had bijvoorbeeld voor de Tweede Wereldoorlog geen enkele visie op een stedebouwkundige samenhang van de stad. Maar vooral moet het gezocht worden bij de arrogante, kortzichtige en vooral wereldvreemde medische staf. Vanaf de jaren zestig zou binnen het wereldje van medici een ongekende machtsstrijd uitbreken waarbij de negentiende-eeuwse oorlogen verbleken. Niet alleen in Groningen, overal in het land.

Gesteund door grote geldstromen uit Den Haag werden ziekenhuizen getransformeerd tot high tech-instituten waarvoor uitgekiende organisatieschema's werden ontworpen die steeds tot de conclusie leidden dat het nog groter en nog massaler moest, wilde het efficiënt gerund kunnen worden.

Hoe sterk de medici op zichzelf waren gericht in die dagen, toont hun spraakgebruik: ze hadden het over 'intramurale zorg', geneeskunst die tussen de muren plaatsvond. Maar het waren wel hùn muren, ze beseften niet dat de patiënt zijn eigen vertrouwde woning moest verlaten.

De ziekenhuisbouw tussen de jaren zestig en negentig werd zo een schandvlek in de architectuurgeschiedenis. Architecten ontwierpen beton rondom organisatieschema's, met vooral korte, en rechte looplijnen. Wat zo'n bunkerachtig gebouw betekent voor de buitenwereld, zou hun worst wezen.

In 1969 werd voor het Academisch Ziekenhuis Groningen (AZG) een plan gemaakt voor een geheel nieuw ziekenhuis waarin alle paviljoens werden samengevoegd in hoogbouw van zeven bouwlagen. Toen ontwaakte het Groninger stadsbestuur. Het beleid veranderde radicaal, de nieuwbouw moest passen binnen het Binnenstadsplan van 1976.

Het plan dat daaruit volgde, is nu voor een groot deel gerealiseerd - maar echt hoopgevend is het niet. Grove, kille, massale bouwblokken liggen rond de rand van de binnenstad en nog altijd blijft het terrein een sta in de weg, een steriele barrière. Vandaar dat in 1989 aan architect Wytze Patijn werd gevraagd naar de stedebouwkundige situatie te kijken, en te onderzoeken hoe het ziekenhuis een wat vriendelijker smoel kon krijgen.

Dat werk is nog niet helemaal klaar, maar valt al wel op hoofdlijnen te beoordelen. Ronduit een vondst is de gedachte een grote hoofdingang op de zuidpunt van het terrein te maken. Daarmee ontstaat er nog iets van een samenhang tussen de binnenstad, het ziekenhuis en de Oosterparkwijk. Ook niet slecht is het idee een parkeergarage onder die grote ingang te leggen, en het ziekenhuis te voorzien van een winkelstraat, terrassen en stadstuinen.

De idee om de verschillende afdelingen 'huisnummers' te geven, riekt naar jaren-negentig-tuttigheid. Met huisnummers wordt een ziekenfabriek nog geen ziekenhuis. Want dat is zeker: het AZG nieuwe-stijl blijft een onmenselijke massaliteit uitstralen. Daar kunnen het fraaie, reusachtige, rondgevormde houten plafond van de ingang, de mallotig vormgegeven lifthuisjes, de fraai gevormde stoeltjes bij de opname-balie, het uit luidsprekers klinkende gekwetter van vogeltjes en de blikken bloemkiosk geen verandering in brengen. Het zou ook teveel gevraagd zijn om na zulke duistere jaren opeens een architectonisch hoogtepunt te verwachten.

Hilde de Haan

Ids Haagsma

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden