Een grote, zwarte biefstuk

De hoofdstad kent vele adresjes die in geen enkele toeristengids voorkomen. Een belegd broodjes voor 80 eurocent bij Joop de Knaller, topshoarma in Oost....

René is dood. We hebben hem niet gekend. Hij had een klein eethuis in een smalle, onprettige straat in het hart van Amsterdam, drie minuten lopen van het Centraal Station. Maar Roy leeft. Op maar een halve minuut lopen van het station. We waren op weg naar René, van wie we nog niet eens wisten hoe hij heette, toen we plotseling kennismaakten met Roy. We waren er niet op voorbereid. Ons hoofd stond er niet naar om pardoes Roy meteen zo helemaal te leren kennen.

We waren op zoek naar de biefstukken van de Hell's Angels. Omdat een jonge Am sterdammer ons er schaterend over had verteld. Hij was er geweest, een jaar of wat geleden. In het eethuis zouden grote, zwartgeblakerde biefstukken voor je op tafel worden gesmeten. De klandizie van het huis zou voornamelijk bestaan uit mannen die Hell's Angels willen lijken, met misschien wel een echte ertussen, hij had een motorfiets voor de deur zien staan.

We wilden het meemaken en fantaseerden hoe degene die de zwarte biefstuk zou terugsturen naar de keuken we hadden 'm medium besteld, ober dat met de dood moest bekopen. We stelden vast dat in elk geval de ander naderhand het bericht zou moeten schrijven, toen we opeens in het eethuis stonden. Dat dachten we, want in de Oude zijds Armsteeg is verder niets anders waar men binnen kan voor een consumptie. Bar The Last Waterhole, tevens jongerenhotel met drugsbalie en soms levende muziek. Die is nu niet levend, maar wel enorm lawaaiig. We zoeken de eethoek.

Die is er niet. Een vrouw vraagt of ze kan helpen, ze denkt na over onze vraag over de biefstukken en zegt dan laatdunkend dat de Hell's Angels oude opa's zijn die hier niet komen. Maar dan gaat haar een licht op. René! Dat was hiernaast, die was berucht om zijn biefstukken. Het was een smeerkees, hij woonde in zijn eigen eethuis waar hij geen vergunning voor had. Dat hij doodging was een hele verbetering voor het aanzien van de steeg. Er wonen nu normale mensen in dat huis. Biefstukken bakken ze niet.

De jonge Amsterdammer die ons het adresje had getipt, wist nog iets bijzonders. Het allersmerigste Indonesische afhaaleten. Zo slecht, zei hij, dat zelfs hij het had moeten weggooien en dat doet hij echt maar hoogst zelden. Maar we konden hem duidelijk maken dat het niet per se vies hoefde te zijn. Het ging ons om iets heel anders. In Amsterdam kan het de vreemdeling duizelen. Zo veel eethuizen, zo veel drugsadresjes, hoe vind je hier de weg naar de plek waar je wezen wilt en waar je niet beduveld wordt?

Op gidsjes kun je niet aan, die zijn altijd verouderd en beklemmend eenkennig. Ze weten de weg in de binnenstad, maar geen boekje brengt de mensen naar Joop de Knaller in Amsterdam-Oost, waar een belegd broodje 80 eurocent kost. We zouden er nooit van geweten hebben als de jonge Amsterdammer ons niet naar een Turk bracht, pal tegenover Joop de Knaller.

Het Turkse cafetaria Mesut 2 in de In dische buurt. Hoe komt men hier terecht? Het gaat als vroeger, van mond tot mond. De jonge Amsterdammer heeft een Hindoe staanse collega die voor alle collega's op het werk soms broodjes shoarma meebrengt en die broodjes vallen op. Shoarma is al zo ingeburgerd dat het van varkensvlees gemaakt wordt en in de supermarkt te koop ligt.

Maar deze is geweldig lekker en dat is ongewoon, inmiddels. Toen de eerste broodjes shoarma te koop waren, waren ze nog een sensatie. Maar de klad kwam erin, het is nu voornamelijk ellendig toeristenvoer dat langs de straat te koop is. Behalve bij de Turk die voor de Turken bakt. Die moet goed zijn. De ene collega geeft de andere het adres. In Amster dam-West heb je Mesut, in Amster dam-Oost heb je Mesut 2. Onofficieel tot de beste shoarmatenten van Amsterdam uitgeroepen en dat is te merken. Het is er vol, tot diep in de nacht, vrijdag en zaterdagnacht zelfs tot drie uur. Geen modieuze yup te bekennen, hier eet het gemene volk, en goed. En de kinderen van het gemene volk kopen om de hoek hun zachte drugs.

Volgens onze gids door de levendige Am ster damse Indische buurt is Warda 2 aan de Javastraat de beste coffeeshop. Binnen begrijpen we onmiddellijk dat dat beste niet op het interieur slaat. In een kleine, gore ruimte met stroomdraden uit het plafond waar geen lampen meer aan zitten, kopen aan de lopende band jonge en oudere mensen een softdrug naar keuze.

De kenner zegt dat hier niet alleen de kwaliteit top is, maar dat ook de prijs nog eens de helft is van wat in de binnenstad de coffee shops aan toeristen en provincialen rekenen. En er staat een koffieautomaat waaruit we een gratis espresso tappen die tien keer beter is dan de koffie aan het ontbijt van menig duur Amster dams hotel.

Op de deur van Warda 2 is de vergunning geplakt van de gemeente. Tegen het kunstleer van twee grote banken hangen wat klanten die met hun hoofd heel ergens anders zijn. Het ruikt lekker, het is de geur de we vaak opsnuiven in de hal van het Centraal Station. Hasj ruikt nog beter dan sigaren.

Sigaren? Onze gids weet nog een adresje en hij vertelt. Er zijn nogal wat mensen die op hun werk beter geen joint kunnen roken, ze zouden erom ontslagen kunnen worden. Maar een sigaartje kan weer wel. In een andere buurt in Amsterdam, waar net als in de Indische Buurt geen toeristen komen, is het drugscafé Club Media gevestigd. Hier, in de Gerard Doustraat, verkoopt men naar verluidt sigaartjes gevuld met hasj. Ze ruiken naar sigaren en niet naar hasj, de roker wordt niet ontslagen.

Heel wat anders dan Warda 2. Een keurige bedoening, ruim en licht en koffie voor geld. We zouden makkelijk kunnen denken dat Club Media een journalistencafé is. De gevel is versierd met namen van Nederlandse kranten en wie binnenstapt, loopt als het ware dwars door de Volkskrant heen.

De man achter de drugsbar weet niet zeker of die sigaren er nog zijn, we moeten even wachten, hij gaat zoeken. Maar even later zegt een compagnon dat de sigaren op zijn. Pas op de terugweg, na een dagje grote stad, herinneren we ons de man weer die we Roy hadden gedoopt. Pal tegenover het station, wij nog op weg naar de zwarte biefstuk, stond hij plotseling voor een raam. Naakt, met een washandje voor zijn piemel. Het washandje wipte even opzij. Dag piemel.

Wat moet dat, zo'n naakte man in een nette woning tegenover het Stationsplein, die hoort toch in een onguur bosje op te duiken? Zijn wij wel bij de tijd nog? We gingen 's avonds terug, maar het venster bleef leeg. Op een groot bord naast de deur van het appartementencomplex vonden we zijn naam. We belden vanuit het station.

'Met Nico.' 'Met De Cocq, mijnheer, kan het zijn dat we u een paar uur geleden naakt voor het raam zagen staan?' 'Haha, ja, dat kan kloppen.' 'Waarom deed u dat?' 'O, dat doe ik al heel lang, dat doe ik voor mijn plezier. Ja, alleen als ik in Nederland ben, ik ben veel in het buitenland, daar heb ik mijn werk.' 'Wat voor werk?' 'Nou heel saai werk hoor, maar als ik in Nederland ben, doe ik dit, ik vind dat leuk.' 'En dat okergele washandje dat u droeg, of was het een vlag?' 'Haha, dat is een stukje zeemleer, dat heb ik zelf geknipt.'

'Er lopen nogal wat mensen langs. Nooit moeilijkheden?' 'Nou nee, de mensen vinden het allemaal juist leuk, ze zwaaien, ik word veel gefotografeerd ook, prachtig.' 'Zouden wij ook een foto mogen maken?' 'Ja natuurlijk, als u een beetje vlug bent, want ik moet zo naar de sportschool en vannacht ben ik al weer het land uit.'

Roy zit achter een gordijntje te wachten tot we voor zijn venster staan. Dan springt hij tevoorschijn. Hij straalt van plezier. Ook Roy staat niet in een gidsje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.