Een grote mond en wat die inhoudt

De helft om me heen trekt er zijn neus voor op: polemisten. Polemisten, de herkomst van het woord zegt het al, zijn de oorlogszuchtigen onder de schrijvers....

Misschien is het ordinair, maar ik mag ze graag. Ze bieden vermaak en ach, woorden doden niet, al zullen de polemisten dat zelf weleens betreuren. Mooi is dat ze je gevoel van eigenwaarde strelen: je kunt zo verstandig op ze reageren. Het is ook net of meningen er weer even toe doen, en dat geeft, met excuses voor de brave gedachte, de burger moed.

Als het goed is gaat het ze om meer dan koppensnellerij. Een goede polemist wijst op zwakke plekken waarvan wij, laksere geesten, het bestaan al bijna hadden geaccepteerd. Hij zegt in zijn luciditeit wat nog niet was uitgesproken. Hij forceert veranderingen, breekt hokjes open die blijken te benauwen en doet suggesties ter verbetering aan de hand. Hij wil verandering onder het motto dat erbij horen nooit genoeg is, niet in de kunst tenminste.

Een van de boeken die ik deze zomer als liefhebber van het genre dus meteen kocht was Het geheim van het vermoorde geneuzel van Ilja Leonard Pfeiffer. In de vier, vijf jaar dat hij zich als zodanig roert, heeft Pfeiffer zich een kundige twister over poëzie getoond.

Ik herinner me hoe ik hem voor het eerst las en wilde doorlezen, al was ik het met de strekking niet eens. Pfeiffer voldoet aan de drie g's die de polemist maken: gevat, gedurfd en genadeloos. Soms ben ik het trouwens hartgrondig met hem eens, vooral als hij pleit voor impopulaire zaken als complexiteit en onzuiverheid.

Iedere generatie zoekt eigen maatstaven en canons, dat kritische vermogen tot ordening hebben we nu eenmaal. Natuurlijk verandert er ook vanzelf van alles. Spanje is bezig het Florida van Europa te worden, zwangerschappen duren vanwege gezondere placenta's niet meer negen maanden maar negen maanden en een week (arme moeders van de toekomst . . .) en de literaire modes volgen elkaar snel op. Bij dat laatste kan de polemist een glorierol spelen als scheidsrechter of scherprechter.

Nu heeft iedereen na zijn schooltijd, als er stoeten namen langsgaan, behoefte door de bomen het bos te zien en zijn voorkeuren en afkeren vast te stellen. Slechts een enkeling krijgt vroeg of laat de kans dat in het openbaar te doen.

In Zomergasten hoorde ik Hafid Bouazza zijn moderne invloeden noemen, en al keken Scorsese, Nabokov en Von Karajan elkaar vast heel verbaasd aan, je begrijpt zo'n namedropping als noodzaak tot zelfprofilering. Zoiets klopt altijd.

Ook Pfeiffer kan goed bewonderen; Lucebert is zijn onbetwiste held, zijn liefde, zijn geweten. Hij houdt van wat raast, gist en gevaarlijk is. Maar meestal trekt hij van leer, tegen de 'opgedrongen verwondering' van Kopland, hij noemt het Wim Kayzerpoëzie, en tegen neuzelaars, puristen of waarheidszoekers ('de betekenis van poëzie bestaat alleen op papier'). Hij veroorlooft zich in zijn hoon zelfs een enkele flauwe naamgrap en vervormt T. van Deel tot Theepunt. Intussen is hij niet zo dom de unieke Lucebert tot alleenzaligmakend te verheffen. Dat zou maar leiden tot epigonisme of onmacht.

Het geheim van het vermoorde geneuzel bestaat uit eerder verschenen artikelen. De ondertitel luidt: Een poëtica, waarmee de schrijver de vraag of de bundeling een meerwaarde heeft, zelf bevestigend beantwoordt. Daar is wel wat op af te dingen. Waar het theoretisch blijft volg ik Pfeiffer makkelijk, maar als hij zijn denkbeelden toetst aan de praktijk, daalt het niveau en worden de argumenten willekeuriger. En wat moeten die klassieke dichters, aan wie de classicus Pfeiffer gezag lijkt te willen ontlenen, bij dit Nederlandse kermistableau?

Ik vroeg me, me vermeiend in het vele, af wat Pfeiffer nu wil. Het woord blufpoker schoot af en toe door me heen. Dan zag ik deze jonge, wildgemaande voordenker een doodlopende steeg inlopen en te grabbel gooien wat hij elders, bijvoorbeeld in het aantrekkelijke programmatische gedicht 'Vuurvogel', met vernuft opbouwt.

Het is de makke van de polemist: hij overschreeuwt zichzelf, het hoort er een beetje bij, en tja, zijn vijanden loeren overal. Daar staat tegenover dat hij vast vele stille vrienden heeft, en dan reken ik de hielenlikkers niet mee. Als het goed is trekt hij zich van beide groepen niets aan en laat naar zich gissen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden