EEN GRIMAS UIT DE OORLOG

Woensdag begint in Bordeaux het proces tegen de 87-jarige Maurice Papon, aangeklaagd wegens misdaden tegen de menselijkheid. Hoe kon het 36 jaar duren voordat hij werd ontmaskerd als oorlogsmisdadiger, en 52 jaar voordat hij eindelijk in de rechtszaal staat?...

TEGENOVER de kathedraal van Bordeaux ligt het Musée Jean Moulin, gevestigd in een statig, achter platanen teruggetrokken herenhuis. Jean Moulin was Frankrijks oer-verzetsstrijder, Gerrit van der Veen en Henk van Randwijk ineen. Met dien verstande dat Moulin voor de oorlog geen kunstenaar of onderwijzer was geweest, maar prefect.

Ik ben de drempel van het museum nog niet over, of ik realiseer me dat Maurice Papon óók prefect is geweest. En hoger nog, tot minister aan toe. Zou het toeval zijn dat de grootste Franse oorlogsheld, gefusilleerd in 1943, én de laatste Franse oorlogsmisdadiger die voor de rechter zal staan, allebei tot de hoge ambtenarij behoorden?

Een suppoost - mairie de Bordeaux prijkt op zijn revers - achtervolgt zijn enige slachtoffer met een boek. Jean Moulin kijkt me aan vanaf het omslag, met de bekende hoed en wollen das. Of ik het niet wil kopen? Een ander boek misschien? Een speldje met de afbeelding van Jean Moulin?

Meteen naast de ingang van het museum hangt een foto van een meter in het vierkant van weer een andere Franse held, de jonge Jacques Chaban-Delmas. In uniform en met een kepie op het hoofd. Delmas - verzetsnaam Chaban - was langer dan een generatie burgemeester van Bordeaux, tussen 1947 en 1995. Hij was premier, voorzitter van de Assemblée Nationale, toegewijd gaullist en nog veel meer. En in 1981 stichter van het Moulin-museum.

Een spel dan misschien, vraagt de suppoost, een soort verzetsganzenborden? Leuk voor de kinderen? De benedenverdieping is gewijd aan de Duitse inval en de bezetting. En het verzet natuurlijk. Illegale blaadjes te kust en te keur, Combat, Libération, le Franc-tireur. De wanden zijn volgeprikt met Bekanntmachungen en lijsten van gefusilleerden. Het beeld van generaal Leclerc kijkt goedkeurend neer op een fraaie maquette van de landing in Normandië.

Ik mis wat. Er zijn geen foto's van de oude maarschalk Pétain, redder van Frankrijk bij Verdun (1917), naar eigen inzicht, en naar dat van driekwart van de Fransen, een oorlog later opnieuw redder. Volgens naoorlogse inzichten oppercollaborateur, die de ziel van het land aan de Duitsers verkocht in ruil voor een fictieve zelfstandigheid. De suppoost beaamt: Pétain hebben we niet. We zijn een verzetsmuseum, geen collaboratiemuseum.

Nog een vraag. Waar is de afdeling, de uitstalkast, de wand of het hoekje misschien, aan Maurice Papon gewijd? Over een week begint immers zijn proces, je kunt het Paleis van Justitie van hieruit zien.

De suppoost deinst terug. Neeneenee, iets over Papon hebben we niet. Waarom, moet ik aan het secretariaat vragen, tweehoog.

Eenhoog is gewijd aan de concentratiekampen, voornamelijk met een permanente expositie van een reeks moderne schilderijen getiteld Nuit et brouillard (Nacht und Nebel) door de mij onbekende J.J. Morvan. Veel gestreepte kampkleding en grijze gezichten. Terwijl ik de doeken langsloop, borrelen de slechte gedachten op. Misschien aangrijpend deze schilderijenreeks, maar toch ook wel comfortabel abstract. Geen namen, geen plaatsen. Toch, even verder is wel een hoekje ingericht met foto's en krantenknipsels. Maar geen woord over Franse kampen, niets over het doorgangskamp Drancy bij Parijs, niets over Mérignac bij Bordeaux.

Op naar het secretariaat tweehoog. Vier dames kijken schaapachtig achter hun computers. De aardigste van de vier neemt het woord. Papon, daar is het museum niet voor. Trouwens, de Fransen zijn er niet aan toe. 'Vijf van de zes bezoekers zijn kinderen, die worden hierheen gesleept. De rest interesseert het niet. De afdeling over de kampen willen ze nog wel bekijken omdat ze dan kunnen griezelen. Maar Jean Moulin interesseert ze hoegenaamd niks en collaboratie al helemaal niet. Ik doe rondleidingen, dus ik kan het weten.' De andere drie beamen het betoog met een gniffel.

De rest van tweehoog is gewijd aan generaal De Gaulle en de bevrijding. Beelden van De Gaulle, foto's van De Gaulle, eretekens van De Gaulle. Eén paneel is gewijd aan De Gaulle in Bordeaux, waar hij op 17 september 1944 triomferend binnentrok. Een vlugschrift dat de bevolking oproept uitbundig te vlaggen, een stencil met de route die de generaal door de stad liep.

Foto's van de generaal die het volk vanaf het balkon van de prefectuur toespreekt. Er staan wat gewichtige heren om hem heen, zoals dat gaat bij zulke gelegenheden. En daar, op een kleine twee meter afstand van de generaal, met zijn rug tegen de luiken van de prefectuur, ontwaar ik een bekend gezicht. Maurice Papon.

De dames van het secretariaat hollen gevieren achter me aan naar het paneel De Gaulle in Bordeaux. Ze buigen zich naar voren. 'Merde, het is 'm.'

Misschien is het museum van Bordeaux er nog niet aan toe. Maar het zou absurd zijn in 1997 vol te houden dat Frankrijk zijn oorlogsverleden nog steeds wegstopt. Aan Papon hebben alle opinieweekbladen - behalve Figaro Magazine - een omslagartikel gewijd. De televisie laat zich niet onbetuigd, de kranten besteden pagina na pagina aan gedetailleerde beschrijvingen van de deportatie van 1560 joden uit Bordeaux, tussen 1942 en 1944, onder verantwoordelijkheid van Maurice Papon.

Het weekblad l'Evénément du jeudi liet onlangs een peiling uitvoeren waaruit bleek dat 67 procent van 'de Fransen' het proces nuttig vindt; 83 procent is geschokt door het feit dat Papon na de oorlog zijn ambtelijke carrière rustig kon voortzetten; 68 procent vindt dat Papon niet had moeten gehoorzamen. Ook al was hij ambtenaar. Zo totaal is de nationale consensus (het Front National houdt zich koest) dat Papon zich nu beschouwt als het slachtoffer van een haatcampagne, en zich heeft vergeleken met de joodse kapitein Dreyfus, eind vorige eeuw ten onrechte veroordeeld wegens landverraad. Tact is nooit Papons sterkste eigenschap geweest.

Maar Frankrijk is Bordeaux niet. Bordeaux is druk met de boekenbeurs die volgende week begint. Met de kermis op de Esplanade des Concordes. Met de verbouwing van het paleis van Justitie, als gevolg waarvan het proces in een rampzalig klein zaaltje moet worden gevoerd. Met zijn werkloosheid van 18 procent doordat de haven volstrekt uitgerangeerd is. Hoe dan ook, niet met het proces-Papon. De boekhandels die ik aandoe, hebben geen enkel boek over Papon in de vitrine, ofschoon er recentelijk een handvol is uitgekomen.

'Ik geloof niet in complotten', zegt Maître Gérard Boulanger, advocaat van een aantal familieleden van gedeporteerde joden uit Bordeaux. 'Ik geloof bijvoorbeeld niet dat het zestien jaar geduurd heeft om Papon voor de rechter te krijgen omdat president Mitterrand zich persoonlijk zou hebben ingespannen dat proces tegen te houden. Ik geloof daarentegen heel erg in de psychoanalyse, en ik denk dat het belachelijke zaaltje dat voor deze zaak beschikbaar is, een perfect voorbeeld biedt van een freudiaanse lapsus. Heel Bordeaux had tot vandaag plakband op zijn mond en wil het eigenlijk nog steeds niet weten.'

Gérard Boulanger was de eerste die in 1981 een strafklacht tegen Papon indiende, namens de familieleden van slachtoffers. Hij schreef twee boeken, waarvan het laatste, Papon, un intrus dans la République (Papon, een indringer in de republiek), zojuist is verschenen. Het behandelt voor een flink deel 'de psychoanalyse van een stad en de sociologie van een kaste'.

Boulanger laat eerst het dossier-Papon zien. Vijftigduizend pagina's getuigenissen, archiefstukken, verslagen in een kast. Rukt dan de lokale krant Sud-Ouest open. Een pagina Papon. 'Ze schrijven informatief. Grote series. Dat is voor het eerst. En mijn eerste overwinning.'

Bordeaux tijdens de oorlog, doceert Boulanger, dat is 'een karikatuur van Frankrijk', een 'grimas van de periode'. In juni 1940 ontvlucht de Franse regering Parijs voor de oprukkende Duitsers. De veertiende van die maand belandt ze in Bordeaux. Daar neemt maarschalk Pétain op de zestiende de macht over, en besluit hij dezelfde nacht om half een tot de wapenstilstand. Vandaar dat Bordeaux 'la capitale tragique de la France' heet. Twee weken is Bordeaux hoofdstad van Frankrijk, tot Pétain met zijn gevolg op 30 juni vertrekt naar het kuuroord Vichy, dat zijn naam zal geven aan het beschamende bewind dat dan begint.

De psychologie van Vichy is eenvoudig, legt Boulanger uit. Maarschalk Pétain deed alles om de illusie van zelfstandigheid te wekken. Hij wilde voor alles zelf orders uitdelen - en anticipeerde dus op de bevelen die hij verwachtte van de Duitsers.

Boulanger: 'De eerste grote Franse razzia in het kader van de Shoah, op 15 juli 1942, was die in Bordeaux, georganiseerd door de secretaris-generaal van de prefectuur, tevens verantwoordelijke voor joodse kwesties, Maurice Papon.' Papon was twee maanden eerder naar Bordeaux gekomen, in het kielzog van de door Pierre Laval benoemde prefect Sabatier. 32 Jaar oud was de ambitieuze secretaris-generaal, en zijn handtekening staat onder een litanie van papieren waarin de arrestatie en de deportatie van joden uit Bordeaux wordt bevolen. 'Een handige administrateur die goed raad weet met moeilijke situaties. Zijn houding is correct en hij werkt goed mee', staat in een Duits rapport.

Papon was niet de enige. 'In Bordeaux kreeg ik de indruk dat de mensen in Zuidwest-Frankrijk niet vijandig stonden tegenover een verstandige vorm van collaboratie. De administratie werkt in het algemeen goed, en de politie in het bijzonder', schreef Herbert Hagen, SS'er en vertrouweling van de ontwerper van de Endlösung, Reinhard Heydrich.

Bordeaux kende een zogenoemde 'aristocratie van de kurk', die sinds drie eeuwen de wijnhandel aan de kades van de Gironde in handen had. Oude protestantse families met wortels in Duitsland, Scandinavië en Nederland, die tijdens de oorlog mooie banden met Duitsland onderhielden. De katholieke elite was niet minder meegaand - eigenaren van de wijngaarden, geestelijke eigenaren van de juridische faculteit van Bordeaux waar het Franse fascisme van Maurras de dominante denkrichting was.

De reizende tentoonstelling De jood in Frankrijk was in Bordeaux een doorslaand succes. Dertienduizend schoolkinderen leerden er 'eindelijk een jood van een Fransman te onderscheiden'; de begeleidende tekst werd verzorgd door de plaatselijke advocatuur.

Op 10 januari 1944 stuurt Maurice Papon zijn laatste konvooi joden naar Drancy, 417 mensen, vooral vrouwen, meisjes en 54 kleine kinderen. Nauwelijks een half jaar later, half juni, een week na de invasie in Normandië, is Papon nog altijd nummer twee in Bordeaux, zij het dat hij nu deel uitmaakt van het verzet, en zich aan de zijde bevindt van de door De Gaulle benoemde regeringscommissaris Cusin.

GÉRARD Boulanger: 'Bordeaux was na de oorlog bevangen door een soort totale verstijving. De hele elite had gecollaboreerd, de kooplieden, de intellectuelen, de ambtenarij, de politiek. En De Gaulle had geen enkel belang bij een werkelijke zuivering. Hij had de eerste maanden na de bevrijding nauwelijks meer dan Parijs en omgeving in handen. De erfzonde van het gaullisme is geweest vrijwel de hele top van Vichy liefdevol over te nemen. Zogenaamd in het landsbelang, maar in werkelijkheid om de macht te veroveren tegen de achtergrond van de opkomende Koude Oorlog. Zo kon ook Papon zich ''omscholen'' zonder dat iemand in Bordeaux een kik gaf.'

Jacques Chaban-Delmas, van het Moulin-museum in Bordeaux, had zelf in het verzet gezeten. Chaban-Delmas was een vertrouweling van De Gaulle, maar daarvóór werkte ook hij voor Vichy, in het kabinet van de minister van Financiën. Chaban-Delmas kon bijna een halve eeuw onafgebroken gekozen burgemeester van Bordeaux blijven, dankzij het pact van zwijgzaamheid tussen hem en de lokale bevolking.

Boulanger: 'Landelijk was het niet anders. Toen in 1994 een en ander over het Vichy-verleden van president Mitterrand naar buiten kwam, dreigde rechts daar politiek gebruik van te maken. Toen heeft een medewerker van Mitterrand in een interview laten weten dat hij dan wel eens een boekje zou opentrekken. Het was meteen afgelopen. Meteen stil.'

Vele hoge ambtenaren zetten hun carrière na de oorlog probleemloos voort. Papon werd in 1947 prefect van Corsica, in 1957 politieprefect in Parijs. Hij zat in de Assemblée, en bracht het uiteindelijk tot minister van Begrotingszaken onder Giscard d'Estaing. Pas in 1981, 36 jaar na de oorlog, werd zijn verleden bekend, toen het satirische weekblad Le Canard Enchaîné een artikel publiceerde onder de kop 'Papon, aide de camps.'

De man die Papon ontmaskerde, heet Michel Slitinsky. Hij is een kleine man met een snor, 72 jaar, en woont in een buitenwijk van Bordeaux. Slitinsky is jood, geboren en getogen in Bordeaux, en hij was 17 toen zijn vader en zuster werden gearresteerd tijdens een van de razzia's. Zelf wist hij te ontsnappen over het dak. Zijn vader stierf in Auschwitz. Na de oorlog besloot Slitinsky de schuldige van de moord op zijn vader te zoeken.

Slitinsky: 'Ik heb tientallen jaren geen idee gehad van de verantwoordelijkheid van Papon. Ik kende zijn naam niet eens, zo goed was hij afgeschermd - niet in de laatste plaats door zijn collega-prefecten. Vergeet niet dat Papons baas in Bordeaux, de prefect Sabatier, later lid van de Raad van State kon worden, en nota bene voorzitter van de Vereniging tot herstel van de vernielde synagoges. Het cynisme daarvan kun je pas goed proeven als je weet dat de joden van Bordeaux in de synagoge opgesloten werden.'

Vanaf het begin van de jaren zestig begon Slitinsky vermoedens te koesteren tegen Papon. En vanaf 1969 verzamelde hij actief getuigenissen. Maar het was bij lange na nog niet genoeg, toen in februari 1981 bij toeval uit een ton in het departementale archief van Bordeaux een massa papieren tevoorschijn kwam: de stukken van de sectie joodse kwesties van de prefectuur. Daar stond de handtekening, keer op keer, van de man die op dat moment minister van Begrotingszaken was: Maurice Papon.

Slitinsky kreeg de papieren in handen en gaf ze door aan de Canard. Een bom ging af. Maar dat betekende nog niet dat Papon meteen voor de rechter stond. Advocaat Boulanger: 'Klaus Barbie werd in 1983 gearresteerd. Vier jaar later kon zijn proces beginnen. Bij Papon duurde dat zestien jaar.' Barbie was een Duitser. Papon was niet alleen Fransman, maar een hooggeplaatste ambtenaar, met machtige vrienden. Wat de zaak nog moeilijker maakte: met Papon werd in symbolische zin de Franse staat beschuldigd.

Frankrijk heeft bij wijze van spreken sinds Philips de Schone een krachtig staatschauvinisme gekend. Voor De Gaulle was de overheid boven alle kritiek verheven. De Gaulle werkte bij voorkeur met hoge ambtenaren - bijvoorbeeld met Jean Moulin. Nadat Moulin in 1943 gefusilleerd was, zei De Gaulle tegen de man die Moulins opdracht had overgenomen om het verdeelde verzet bij elkaar te brengen: 'Ik adviseer u altijd zeer verheven en zeer zuiver (très haut et très net) uit naam van de staat te spreken. De verschillende vormen en acties van ons bewonderenswaardige verzet zijn de middelen waarmee de natie vecht voor haar heil. De staat is boven die vormen en acties verheven.'

De Gaulle heeft zijn hele leven het bestaan van Vichy eenvoudig ontkend. De Franse staat kon niet bekritiseerd worden, en dat is zo gebleven tot president Chirac twee jaar geleden als eerste president erkende dat Vichy een 'fout' was die ook de staat kon worden aangerekend.

René Rémond, vooraanstaand historicus, schreef onlangs dat de relatie tussen staat en burgerij in Frankrijk de afgelopen halve eeuw ingrijpend is veranderd. 'Het onderscheid tussen legaliteit en legitimiteit is een recente verworvenheid.' Je hoeft maar naar een foto van Maurice Papon te kijken om te begrijpen dat deze verworvenheid aan de voormalige minister voorbij is gegaan. Veel geciteerde uitspraak van Papon: 'Er is geen gewetensprobleem wanneer men de bevelen van de regering gehoorzaamt.'

Begin dit jaar stond Papon een televisie-interview toe. Hij droeg zijn gebruikelijke krijtstreeppak, dat regelrecht uit de oorlogsperiode lijkt te stammen. De presentator schoof twee fotootjes van kinderen naar Papon toe, kinderen die onder zijn verantwoordelijkheid op transport waren gezet en nooit terugkwamen. Papon had er geen boodschap aan en schoof de foto's met de mouw van zijn colbert weg.

Bordeaux bevindt zich nog altijd stevig in handen van de gaullisten. Chaban-Delmas leeft nog, en heeft twee jaar geleden zijn stad overgedaan aan Alain Juppé, inmiddels ook al ex-premier. Juppé is van na de oorlog, en heeft zich in de kwestie-Papon vlekkeloos opgesteld. Hij zal Bordeaux vermoedelijk niet opluisteren met een eigen museum.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden