Een grens die niet bestaat

25.000 man passeren dagelijks Torkham, de belangrijkste grensplaats met Afghanistan. Voor de Taliban een makkie.

Van onze correspondente Deedee Derksen

10, 11? Khatima weet haar precieze leeftijd niet. Maar ze is oud genoeg om kookolie, auto-onderdelen, opium en kogels over de Khyberpas te smokkelen. Vindt haar vader. Zeker drie dollar per tasje kan ze thuisbrengen.

Met haar blauwe meisjesogen, bloemetjesjurk en lieve glimlach ziet Khatima er niet uit als een smokkelaarster. Toch is ze een schakel in de Afghaans-Pakistaanse terreur- en drugsnetwerken, voor wie de Khyberpas een knooppunt is. En dat is natuurlijk juist waarom ze is uitgekozen. ‘Meestal kan ik wel doorlopen als ik de grenswacht een paar roepies geef. Alleen slaan ze me soms toch.’

Commandant Mohammad Rajab weet dat kinderen drugs en kogels door of langs zijn grenspost bij Torkham smokkelen, dat Talibanstrijders oversteken, dat ladingen kalasjnikovs, mobiele telefoons en hardhout hier dagelijks van nationaliteit wisselen. Hij weet het allemaal. Maar wat doet hij ertegen? ‘Ik heb hier tachtig man politie. Wij kunnen onmogelijk alles in de gaten houden.’

Torkham is de belangrijkste grenspost langs de 2500 kilometer lange, zwaar omstreden Durand Line tussen Afghanistan en Pakistan. Op deze pas tussen de besneeuwde bergen van de Hindu Kush passeerden in vroeger tijden Alexander de Grote, Dzjengis Khan en keizer Babur in de hoop op glorie. Tegenwoordig worden de legale en illegale grensovergangen vooral gebruikt door Afghanen die in Pakistan werken. En door Talibanstrijders, Al Qaidaleden en drugs- en wapensmokkelaars.

Een kleine proef op de som. We lopen naar een plek ongeveer een halve kilometer ten noorden van de officiële grenspost van Torkham.

Het enige wat ons daar weerhoudt van een oversteek naar Pakistan via een drooggevallen riviertje, is enkelhoog prikkeldraad. Er is geen grenswacht te bekennen, die om een paspoort of een visum zal vragen. Zo gemakkelijk is dat dus.

Deze grens is eigenlijk geen grens, vinden Afghanen die hier wonen – en de regering-Karzai met hen. In 1893 tekende de emir van Afghanistan, de in Kabul verguisde Abdur Rahman Khan, onder druk van Londen een verdrag waarin de grens van het Britse India werd getrokken – bij wijze van bescherming tegen de strijdlustige Afghanen met wie ze twee oorlogen hadden uitgevochten. Maar dit document had een geldigheid van slechts honderd jaar, stellen de Afghanen. Zij vinden dat de eigenlijke grens bij Attock is, bij de rivier de Indus in Pakistan.

Het is de reden achter Afghaanse onwil om de grens effectief te bewaken – ook al brengt het hun land in enorme problemen. ‘Deze mensen hebben het volste recht om naar Peshawar te gaan’, zegt commandant Rajab, wijzend op de langzame stroom passerende Afghanen en hun houten handkarren met daarin hun vrouw, kinderen en hun bagage – wat het ook moge zijn.

Aan de andere kant van de grens houden Pakistanen volgens Rajab ongeveer veertig Afghanen per dag vast. ‘Om ze kaal te plukken’, zegt hij bitter. Zijn mannen hebben een keer geteld wat er zoal langskomt op een doordeweekse dag in Torkham. Ze kwamen op 1200 trucks en 25 duizend passanten. Van hen worden er aan deze kant van de grens per dag slechts vierhonderd geregistreerd. Vooral de Arabieren en de Pakistanen. Rajab: ‘Ik haat de Arabieren, en ik haat de Pakistanen ook. Zij hebben het slecht voor met mijn land.’

Hassan Khan, een 27-jarige Afghaan die voor Terre des Hommes een schooltje runt bij Torkham, gaat net als veel van zijn landgenoten elke dag op en neer van zijn huis in Peshawar naar de grenspost. Na de Russische inval in Afghanistan is zijn familie de grens overgestoken. Hoewel hij nu werkt in Afghanistan, woont hij liever in Pakistan. ‘Daar is stromend water, elektriciteit en daar zijn de huizen goedkoper.’

Maar daarmee houden de verschillen op. Dezelfde riksja’s rijden in Peshawar en Jalalabad: met op de zijkanten felkleurige bloemetjes geschilderd, of grijnzende gewapende strijders en rondspattend bloed. Dezelfde mannen met platte pakolhoofddeksels en wollen waistcoats lopen er, van dezelfde stammen: Shinwar, Mohmand, Khogyani. Dezelfde sociale codes gelden er, waarbij eer en gastvrijheid hoog in aanzien staan. Dit is Pashtunistan, het gebied van de Pashtuns.

De stammen voelen zich ernstig in de steek gelaten door zowel de Afghaanse als de Pakistaanse regering, zegt Haji Wares Shinwari, directeur van het departement voor Tribale en Grenszaken in Jalalabad en een belangrijk stamleider. ‘De maleks (uit Pakistan, red.) zijn zeer teleurgesteld. Ik nodig ze hier uit, en ik probeer ze met praten zoet te houden, maar ik kan ze helaas geen financiële hulp bieden namens de Afghaanse overheid, zoals vroeger. Sommigen zijn door de omstandigheden gedwongen de Taliban medewerking te verlenen.’

Ook aan de Afghaanse kant van de grens is er bittere teleurstelling. Zo hebben de stammen in de provincie Nangahar, waarvan Torkham deel uitmaakt, vorig jaar collectief beloofd om de opiumproductie te stoppen. Het resultaat: de papaverteelt is spectaculair gedaald in de provincie, volgens de laatste cijfers van de Verenigde Naties. ‘Maar er is geen enkele hulp geboden, zoals de aanleg van scholen of wegen’, zegt Shinwari.

De minister van Drugsbestrijding bestrijdt dat fel. ‘Het is onzin dat ze geen hulp hebben gekregen’, zegt generaal Khodidad. ‘Wij hebben 30 miljoen dollar in de regio geïnvesteerd. We hebben bruggen en scholen gebouwd en geholpen bij het verbeteren van markten.’

Maar de drugs lijken niet geheel te zijn verdwenen uit Nangahar. Integendeel: het aantal laboratoria waar de opium tot heroïne wordt verwerkt, lijkt toe te nemen. Tot een paar jaar geleden werd heroïne vooral in Pakistan gemaakt (waar 30 procent van de Afghaanse opium heengaat, waarvan 15 procent via de Khyberpas). Maar nu gebeurt dat al in Afghanistan.

Dagelijks produceert het lab van Abdullah Ahmedi 150 kilo heroïne. Met vijftien man werken ze acht uur per dag voor ongeveer 10 dollar. De meeste werkers en hun vrouwen en kinderen zijn zelf verslaafd, net als de tanige Ahmedi (35), die lodderig uit zijn ogen kijkt. ‘Met heroïne is het net alsof iemand langzaam je vlees wegsnijdt. Het doodt je stukje bij beetje.’De heroïneproducenten werken net als molenaars. Een drugshandelaar komt de kleverige opium brengen, de producent verwerkt het (voor een kilo heroïne is 6 tot 10 kilo opium nodig), en de handelaar komt het witte poeder ophalen. Per kilo opium rekent de heroïneproducent ongeveer 80 dollar.

In de vallei waar Ahmedi werkt, vlak bij het Tora Boragebergte, zijn ongeveer 70 heroïnelabjes. En als Afghaanse militairen in aantocht zijn om de labjes op te doeken, wordt de werkgever van Ahmedi getipt. Volgens hem en andere ingewijden is een substantieel deel van de overheidsambtenaren, van laag tot hoog, betrokken in de drugshandel. Ook in Nangahar.

Een deel van de opium die in de provincie tot heroïne wordt verwerkt, komt nu naar verluidt uit Pakistan, waar de papaverteelt in het grensgebied in opkomst zou zijn.

Minister van Drugsbestrijding Khodidad zucht als hem ernaar wordt gevraagd. ‘Het is heel simpel: de papaverteelt volgt onveiligheid. Of het nu aan deze of aan de andere kant van de grens is. Dat maakt niet zoveel uit.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden