Eén graad ernaast en de titel is voor een ander

Dankzij een zwemlaboratorium met elf camera's, vijf promovendi en 45 stagiares weet Ranomi Kromowidjojo tot op de graad nauwkeurig onder welke hoek ze het water in moet duiken. Het kan deze week bij de WK in Barcelona het verschil maken tussen winst en verlies.

Over haar gevoel moet Ranomi Kromowidjojo niet beginnen tegen Roald van der Vliet. De bewegingswetenschapper is een man van graden en grammen, van millimeters en seconden. Hij bestudeert al zes jaar de bewegingen van topzwemmers, met de bedoeling ze sneller te laten gaan. Eén ding staat voor hem vast. 'Gevoel is gelul. Sporters weten vaak niet wat ze voelen. Het klopt eerder niet dan wel.'


Van der Vliet (40) kan zwemmers wel beter leren voelen door technische ondersteuning. In het Eindhovense zwembad De Tongelreep heeft hij de beschikking over elf camera's, vijf promovendi, 45 stagiaires en allerlei hoogwaardige informatietechnologie waarmee hij de bewegingen van zwemmers tot in detail kan vastleggen en analyseren. Vooral over starten en keren is veel kennis vergaard in zijn Innosportlaboratorium.


Als Kromowidjojo traint op de start, een van haar sterke punten, kan ze haar duik meteen terugzien op een beeldscherm. Van der Vliet kan haar verder vertellen onder welke ze hoek van het startblok afsprong, hoe ze het water in ging, wat haar maximale diepte was, hoe ze door het water gleed, wat de grootte was van het 'wak' (het gat waardoor ze in het water schoot: hoe kleiner, hoe minder snelheidsverlies).


In zijn database zitten ongeveer duizend starts van Kromowidjojo, die vanaf morgen in actie komt bij de WK zwemmen in Barcelona. Elke start kan Van der Vliet meteen vergelijken met haar snelste start. Het systeem dwingt de olympische kampioene om objectieve gegevens te koppelen aan haar gevoel. Ze duikt, kijkt op het scherm, duikt opnieuw en kijkt weer hoe ze het heeft gedaan. Dat doet ze doorgaans zes keer per starttraining.


Van der Vliet: 'Wij meten het, zij krijgt feedback. Daardoor heeft ze leren voelen wat een goede start is. We weten ook dat ze slechter wordt als we haar twee weken niet helpen. Je moet je gevoel steeds weer afstemmen op de werkelijkheid.'


Het luistert nauw. Dankzij de bewegingsanalyses weet Kromowidjojo tot op de graad nauwkeurig onder welke hoek ze het startblok moet verlaten. Een graad meer of minder betekent 0,1 seconde tijdsverlies. Een hoek van 24 of 26 graden in plaats van 25 graden, het ideaal, kan het verschil zijn tussen winst en verlies.


Van der Vliet. 'Eén graad is in haar geval 0,1 seconde. Dat is het verschil tussen een meter voor liggen of niet. Het verschil tussen eerste of tweede worden.'


Van der Vliet is ervan overtuigd dat het zwemlaboratorium een belangrijke rol speelt in het succes van Kromowidjojo en andere Nederlanders, maar hij waakt voor snoeverij. Hij ziet zichzelf als onderdeel van een team dat bestaat uit de zwemmer, de bondscoach, de krachttrainer, de sportarts en fysiotherapeut, de teammanager en de technisch directeur. De een kan niet zonder de ander.


Van der Vliet: 'Het is niet zo dat Ranomi 0,4 seconde sneller zwemt dankzij ons lab. Als de krachttrainer zijn werk niet goed doet, komt die tijdwinst er nooit. Je kunt wel vragen: 'Wat kan Ranomi dankzij ons?' Je kunt het ook omdraaien: 'Wat kunnen wij dankzij haar?' Zij is een supertalent. Zij is in staat om 1 graad verschil in de afzethoek te voelen. Ik zou dat nog niet tot op vijf graden kunnen.'


Toch wordt het vakmanschap van het laboratorium herkend. Van heinde en verre trekken topzwemmers naar Eindhoven voor beeldanalyses. De Britse en Turkse zwembond polsten onlangs bij een bezoek of Van der Vliet en zijn team niet te koop waren. Zij kunnen niet tippen aan het werk van de Brabanders, ondanks de veel hogere topsportbudgetten waarover ze beschikken.


Van der Vliet gelooft dat iedereen harder kan zwemmen dankzij de huidige technologische hulpmiddelen, van de recreant tot olympisch kampioenen.


Metingen

Pieter van den Hoogenband had wellicht zelfs nog meer gouden medailles gewonnen als via metingen was aangetoond dat een lichaamsbedekkend zwempak snellere tijden had opgeleverd. Van den Hoogenband ging af op zijn gevoel. Hij vond zo'n pak niet lekker zitten en droeg lange tijd een zwembroek. Hij verloor van concurrenten in pak.


Van der Vliet: 'Een goed pak zit niet lekker, want je wordt samengeperst. Je voelt je klote, maar je gaat goed. Nu gebeurt het ons niet meer dat iemand iets doet zonder dat wij het hebben uitgetest.'


Zo weet Van der Vliet zeker dat zwembroeken met pijpen tot net boven de knie sneller zijn dan klassieke korte zwembroekjes en badpakken. Lichaamsbedekkende pakken zijn sinds 2010 verboden, omdat het sommige zwemmers oneigenlijk voordeel opleverde en zwemmen veranderde in een materiaalsport.


Uit de overstelpende hoeveelheid data waarover Van der Vliet beschikt, zijn lang niet altijd zulke duidelijke conclusies te trekken. Steeds opnieuw moeten hij en bondscoach Marcel Wouda afwegen wat bruikbare informatie is. Met andere woorden: waar wordt een zwemmer sneller van? Dat is niet eenvoudig, omdat elke topzwemmer volgens Van der Vliet 'abnormaal' is. 'Ze hebben een afwijking, waardoor ze voor topzwemmen geschikt zijn.'


Hij gebruikt Van den Hoogenband als voorbeeld. Die neemt 90 milliliter zuurstof op per kilo lichaamsgewicht, tweemaal zo veel als een doorsnee Nederlander die twee keer in de week voetbalt. 'Dat betekent dat hij twee keer zo goed is in duurarbeid als ik. Zelfs als hij niet traint en ik wel, zwemt hij mij het snot voor de ogen. Zijn uitgangspositie maakt dat hij beter is dan ik ooit kan worden. Je kunt je uitgangspositie maar met een bepaald percentage verbeteren.'


Volgens de bewegingswetenschapper is nog lang niet duidelijk over welke eigenschappen de ideale zwemmer moet beschikken. Grote handen en grote voeten helpen het lichaam voort te stuwen. Een dun, lang lijf vermindert de weerstand. Een aangeboren uithoudingsvermogen helpt. Verder zijn de onderlinge verschillen tussen zwemmers aanzienlijk.


Van der Vliet: 'Als ze normaal waren, zouden ze zijn zoals ik: 1.80 meter, middelmatige intelligentie, schoenmaat 41. Ik denk dat ik met onze technologie elke Nederlander 100 meter in 53 seconden kan laten zwemmen. Als je talent hebt, kun je 50 seconden halen. Alleen als je superabnormaal bent, doe je het in 47 seconden en word je olympisch kampioen.'


Vanwege hun unieke eigenschappen vergelijkt Van der Vliet zwemmers alleen met zichzelf, niet met elkaar. Hij doet geen moeite om een model voor succes te ontwikkelen, zoals andere wetenschappers zouden doen. Vergelijken is niet nuttig, vindt hij: 'Alleen maar leuk. '


Hij gebruikt Kromowidjojo en Hinkelien Schreuder als voorbeeld. Beiden zijn snelle starters en waren lid van de estafetteploeg die olympisch goud veroverde in 2008. In haar beste race is het diepste punt dat Kromowidjojo onder water heeft bereikt na de duik van het startblok 1.35 meter. Schreuder kwam 45 centimeter minder diep en bleef steken op 90 centimeter.


'Als Ranomi zou doen wat Hinkelien deed, zou dat niet goed voor haar zijn. Andersom ook niet. Ze zijn niet normaal. Als ze normaal waren, zaten ze op het gemiddelde. We hebben zevenduizend starts geanalyseerd. Laat het gemiddelde 93 centimeter zijn, ik noem maar iets. Op die diepte gaat Ranomi langzamer. Dat weet ik zeker. We hebben het geprobeerd.'


Een ander 'leuk, zinloos feitje', vindt Van der Vliet, ontstaat door de starttijden (over de eerste 15 meter) van Kromowidjojo en Van den Hoogenband te vergelijken, de kampioenen die een liefdeskoppel vormen. 'Pieters beste start ooit was geloof ik 5,8 seconden, Ranomi heeft 5,94 staan. Je kan zeggen: hij zou relatief weinig voor liggen. Je kan ook zeggen: hij zwemt in de resterende 85 meter 5 seconden van haar weg.'


Dook Van den Hoogenband misschien niet diep genoeg? Van der Vliet aarzelt. Hij schat dat de voormalig olympisch kampioen niet erg diep ging, rond de 90 centimeter. Maar uit zijn antwoord blijkt opnieuw dat zijn adviezen maatwerk zijn. 'We denken nu dat hij te ondiep ging. Aan de andere kant: hij kon verschrikkelijk hard zwemmen. Als je dat kunt, kun je er ook voor kiezen eerder boven water te komen en te beginnen met zwemmen.'


Keerpunt

Het zwemlab is niet af. Over de start weet Van der Vliet 'dingen die anderen echt niet weten'. Voor het keerpunt geldt hetzelfde. Ook dat wordt tot in detail gemeten: waar begint de draai, hoe lang duurt die, hoe lang heeft de zwemmer contact met de muur, onder welke hoek zet hij af, wat is het snelheidsverloop, hoeveel kracht wordt er gezet.


De start en het keerpunt zijn relatief eenvoudig te meten, omdat het startblok en de muur vaste punten zijn. Na de WK zwemmen in Barcelona neemt het lab een driedimensionaal systeem in gebruik dat de zwemslag meet. Dat is ingewikkelder, omdat water wervelt.


'Je kunt met kracht jezelf in beweging brengen of het water naar achteren duwen. Als je een slechte techniek hebt, duw je vooral water naar achteren. Als je veel golven maakt, verdwijnt veel energie in de golf. We willen snappen waarom de een veel vooruit komt en de ander weinig.'


Ook op het mentale vlak hoopt het zwemlab meer kennis op te doen. De kernvraag: waarom is de druk voor de ene zwemmer een stimulans en voor de andere ondraaglijk? Want hoeveel hulp Van der Vliet en andere begeleiders de zwemmers ook kunnen bieden, ze staan alleen op het startblok.


Als Kromowidjojo volgende week vrijdag in de finale van de 100 meter vrije slag haar handen naar het startblok brengt voor de duik, kent ze zelfs het belang van de ideale afzethoek. Een graad ernaast en de titel kan voor een ander zijn. En ze voelt zodra ze het water raakt of ze op koers ligt voor de hoofdprijs.


Of niet.


De bewegingswetenschapper: 'De start is het moment waarop elke zwemmer 100 procent op zichzelf wordt teruggeworpen. Op het belangrijkste moment is er geen hulp. Het is te vergelijken met een militair in een oorlogssituatie: je schiet raak of je gaat eraan.'


Door


Ranomi Kromowidjojo zwemt veel sneller dan de gedrogeerde zwemsters uit het voormalige Oostblok in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. In de atletiek zijn veel wereldrecords van atletes die doping gebruikten nooit verbeterd. Wat is het verschil?


Volgens Van der Vliet is techniek het sleutelwoord. Meer kracht betekent niet automatisch harder zwemmen. Hij denkt dat de Oost-Europese vrouwen wel sterk waren, maar veel minder goed snapten hoe ze zichzelf in het water moesten voortbewegen. 'Vergelijk zwemmen met fietsen. Fietsen is simpel. Als je sterker bent, ga je harder. In water kun je met kracht jezelf in beweging brengen, of alleen water naar achteren duwen. Als je het slecht doet, verplaats je alleen water.'


De nadruk op techniek blijkt uit de lichaamsbouw van de hedendaagse toppers. Ze hebben smalle heupen, brede schouders en ogen afgetraind. Van der Vliet: 'Vroeger waren het bonken van vrouwen. Ze zwommen puur op kracht.'


De trainingsleer is ook veranderd. De consensus is nu dat er vroeger te hard werd getraind. In het voormalige Oostblok werd dat mogelijk gemaakt door dopingprogramma's. Nu zijn de coaches slimmer, mede dankzij de technologische vooruitgang. 'De trainingsleer is verbeterd. Onderwatercamera's waren vroeger echt niet gewoon.'


Door slimmer te trainen krijgen zwemmers dopingrecords uit de boeken


Roald van der Vliet bewegingswetenschapper

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.