Een goede Europeaan is eurosceptisch

De gemeenschappelijke markt is het grootste succes van de Europese Unie. De kans is groot dat het daarbij zal blijven....

HET staat al vast dat de Intergouvernementele Conferentie (IGC), die gisteren in Turijn is begonnen, niet tot echte resultaten zal leiden. De IGC, die komend jaar onder Nederlands voorzitterschap moet worden afgerond, is bedoeld om het Verdrag van Maastricht te herzien.

Het belangrijkste project waartoe in 1991 in de Limburgse hoofdstad werd besloten, de Economische en Monetaire Unie (EMU), staat echter niet op de agenda. Dat is voor 1998. Geen enkel EU-lid zal tot concessies bereid zijn, als niet vaststaat of de EMU er werkelijk komt en wie daaraan zullen deelnemen. Daarom zal de komende IGC in het teken staan van het zoeken naar - informele - coalitiepartners.

Wie hieruit concludeert dat de IGC rustig kan worden genegeerd omdat het met Europa toch nooit wat wordt, onderschat echter de betekenis van rituele dansen. De Europese Unie is in de eerste plaats een onderhandelingsplatform waar de lidstaten met elkaar in gesprek zijn en voor hun nationale belangen opkomen. Daarmee is de Europese Unie fundamenteel anders dan een natiestaat. Zij moet dat model ook niet willen kopiëren.

Veel aanhangers van de Europese Idee spiegelen zich onbewust aan de nationale staat, en willen een Europa met een eigen regering, leger en politie. Om hun goede bedoelingen te onderstrepen leggen ze de nadruk op een krachtig Europees parlement en een grote rol voor het Europese Hof.

Maar een superstaat zal Europa nooit worden, omdat de lidstaten niet wensen daarin op te gaan. De kracht van Europa zit juist in het ontpolitiseren van tegenstellingen tussen de lidstaten, niet in het voeren van een eigen beleid. Dat maakt transparante besluitvorming onmogelijk. De Europese Unie zal dus nooit de legitimiteit verwerven van de afzonderlijke lidstaten, die voor de burgers een onvervangbaar identificatiepunt blijven.

Volgens de oorspronkelijke Europese Idee is het de bedoeling dat Europa ooit, in de verre toekomst, een eenheid wordt. De gedachte was dat de creatie van een gemeenschappelijke Europese markt vanzelf tot politieke eenwording zou leiden. Ondanks het succes van de interne markt, die met behulp van supranationale Europese instellingen tot stand is gekomen, is die verwachting niet uitgekomen.

Op politieke gevoelige gebieden als buitenlands beleid, defensie, politie en justitie, bleven de lidstaten aan hun nationale soevereiniteit vasthouden. Daardoor is een mix ontstaan van federale en intergouvernementele elementen, een structuur die in Maastricht is bekrachtigd. Op sommige punten kunnen de lidstaten door meerderheidsbesluiten worden overstemd, op weer andere hebben zij een vetorecht. En omdat Europa steeds 'in beweging' is, staan de spelregels nooit helemaal vast.

Het verdrag van Maastricht was een momentopname, bevredigde niemand, en beloofde meer dan de Europese Unie kan waarmaken. Ondertussen hebben de lidstaten zich wel uitgeleverd aan een ondoorzichtig Europees geheel, waarop zij steeds minder greep hebben. Niemand weet tot hoever 'Europa' zal uitdijen: in de diepte, met steeds meer ongecontroleerde macht voor anonieme instellingen in Brussel, en in de breedte, waar de uitbreiding met notoire probleemlanden in het verschiet ligt.

TOCH hebben de huidige lidstaten zich in Maastricht al wèl gebonden aan het keurslijf van de EMU, met een strak tijdpad en strenge boekhoudkundige criteria. In dat EMU-traject zit een dubbele bodem, die op Duits verzoek is aangebracht.

Als in 1998 blijkt dat niemand aan de EMU-criteria voldoet, is het mogelijk om het belangrijkste project van 'Maastricht' geheel volgens de regels van het verdrag niet uit te voeren. Maar omdat het wel of niet doorgaan van de EMU een politieke beslissing is, is het ook mogelijk dat een klein groepje landen in een vlucht naar voren van start gaat. De EMU-criteria verliezen immers hun 'hardheid' als Duitsland daaraan zelf niet voldoet.

Deze eurodialectiek stelt de geloofwaardigheid van de Europese Unie natuurlijk zwaar op de proef. Dat hebben de plannenmakers van 'Maastricht' aan zichzelf te wijten. De Europese staatslieden dachten in 1991 over hun schaduw heen te kunnen regeren, waardoor hun opvolgers in een dwangpositie zijn gebracht. Alleen de Britten hebben in Maastricht enkele opt-outs bedongen. Zij kunnen nog alle kanten op.

Toch zijn juist de Britten het enige voorspelbare element op de komende IGC. De Britten zijn altijd eurosceptisch, en willen niet verder gaan dan een los verband van soevereine staten dat binnen een Europese vrijhandelszone samenwerkt. Een Europese Politieke Unie (EPU), met sterke communautaire instellingen, een toenemend aantal terreinen waarop met (gekwalificeerde) meerderheid wordt gestemd, en een gemeenschappelijke buitenlandse politiek, is de Britten een gruwel.

De Britse visie is down to earth. De overige lidstaten, Duitsland en Frankrijk voorop, doen zich wel Europees voor, maar hoe ver ze daarmee willen gaan blijft onduidelijk. Voor bondskanselier Kohl is Europa een geloofsartikel, maar omdat hij zo maximalistisch is ingesteld rekent men altijd met een minder federaal gezinde opvolger.

De minimalistische Britten heten de Europese Unie te verlammen. Maar als men bedenkt dat de Britten, net als de eurosceptische Denen, aan kop gaan bij de uitvoering van Europese regelgeving, terwijl een land als Italië daar zeer vrijelijk mee omspringt, kan men zich afvragen wie de beste Europeanen zijn.

De Britten fungeren als een welkome rem op het integratieproces. Als het proces van eenwording onverminderd verder moet gaan, wat de Duitsers willen, zou de Europese integratie een onbeheersbare dynamiek krijgen. Dat kan nooit de bedoeling zijn.

De kern van de Europese Idee is om democratische staten in vrijheid te laten samenwerken. Dat veronderstelt een keuzemogelijkheid die zich slecht verdraagt met de 'onomkeerbare' Europese integratie die bondskanselier Kohl voor ogen staat.

Natuurlijk hebben Europese federalisten gelijk als ze zeggen dat een intergouvernementeel Europa weinig slagkracht heeft, of dat de huidige Unie zonder supranationale hervormingen totaal verlamd raakt als die tot dertig lidstaten wordt uitgebreid. En het machteloze optreden van de EU in Joegoslavië wordt door de federalisten juist als bewijs gezien voor de noodzaak van een geïntegreerd Europees buitenlands en veiligheidsbeleid.

Hierbij wordt impliciet verondersteld dat Europa zich moet verenigen om mee te tellen in de wereld. Maar de belangrijkste opgave is het behoud van de vrede binnen Europa zelf. Dat gaat beter zonder centrale macht. Daarin zat de ratio voor de 'verankering' van Duitsland. En daarin zit nog steeds de ratio om terughoudend te zijn met het politiek optuigen van een overkoepelend Europees lichaam.

ALS 'Brussel' werkelijk machtsmiddelen zou krijgen, wordt zij politiek controversieel. Dan raakt zij al snel aan nationale bevoegdheden, en roept zij de spanningen op die ze wil voorkomen. Zelfs zoiets 'onschuldigs' als het opheffen van grenscontroles, waaraan de Franse regering het recht ontleent om een aanpassing van het Nederlandse drugsbeleid te eisen, maakt al nationaal gekleurde emoties los.

Omdat Europa vanwege de implementatie van de interne markt op economisch terrein steeds meer 'een realiteit' is geworden, is er niet meer zo'n behoefte aan visionaire plannen voor 'nog méér Europa'. Er is al Europa genoeg. Dat vraagt om een herwaardering van de nationale staat.

De bedenkers van 'Maastricht' hebben er een knoeiboel van gemaakt. Maar dat kan op de komende IGC worden gecorrigeerd door 'Maastricht' alsnog te laten verzanden. Als er nu minder Europees idealisme is en meer euroscepsis, is dat geen terugval, maar een kwestie van gezond verstand.

Dirk Jan van Baar is historicus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden