Een goede baas kan niet tegen personeel

Mensen die zich gedragen als personeel is een bijzonder irritant slag. Hun baas moet ze voortdurend vertellen wat hen te doen staat....

Mijn beste baas ooit was antiquaar. Meestal was hij er niet en deed ik de winkel open, verkocht ik prenten en boeken en ontving ik de dagelijkse, vaste gasten die kwamen roken, drinken en kletsen. Soms verkocht ik de antieke prenten voor een veel te lage prijs. Dit merkte ik dan aan de blijdschap van de klant en daar leerde ik van. Het nadeel van mijn onwetendheid woog voor mijn baas klaarblijkelijk minder zwaar dan het voordeel dat de winkel open was, waardoor er überhaupt iets werd verkocht. Een nadeel van de situatie voor mij was het gebrek aan sturing en wat je tegenwoordig leermomenten zou noemen, maar het voordeel dat ik me eigen baas kon voelen woog daar ruimschoots tegenop.

Ik heb het graag voor het zeggen.

Mijn op een na beste baas was directeur van startende bedrijven. In feite was hij mijn baas niet, hij was opdrachtgever en eens per maand stuurde ik een fijne rekening. Maar goed, samen startten we een bedrijf in psychologische hulpverlening via internet. Ik dacht na over de inhoud en hij deed de rest. Deze taakverdeling voorkwam dat we elkaar in de weg zaten en ook dat iemand iets zou doen wat niet tot zijn competenties behoorde. Nu ik er zo over nadenk heb ik nog een goede baas gehad, en wel een kroegbaas. Ik stond ’s avonds alleen in die kroeg en hij kwam hooguit langs om de pindavoorraad aan te vullen of om mijn sofinummer te vragen. Ook deze taakverdeling voorkwam onnodige conflicten.

Al mijn goede bazen gingen niet met mij om alsof ik hun personeel was, maar alsof ik iemand was die toevallig iets voor hen deed en die ze daarom geld gaven. Misschien gingen zij zo met mij om vanwege mijn onuitstaanbare arrogantie – een vleugje narcisme is mij in mijn jonge jaren niet vreemd geweest. Maar misschien ook hielden zij niet zo van personeel en behandelden ze mij daarom zoals ze deden. Dat is wat ik eigenlijk denk.

Een goede baas kan niet tegen personeel. Personeel is een noodzakelijk kwaad, zoiets als jodium op een schaafwond of een halfjaarlijks bezoek aan de tandarts. Je wil het, omdat het moet. Terwijl je eigenlijk aan de slag wil met klanten of financiers, of je wil wel eens een keer helemaal niets doen, moet je als baas gaan zitten pielen met het pensioen van Piet of de zwangerschap van Marie of de burn-out van Bert. Mensen die zich gedragen als personeel, een bijzonder irritant slag, weten voortdurend niet meer wat ze moeten doen en dat moet je ze dan – alwéér – vertellen. Nog vervelender zijn mensen die zich gedragen als baas, want die weten alles beter en doen voortdurend dingen waar je niets aan hebt of die je plannen doorkruisen.

Personeel, het is dweilen met de kraan open.

Zelf kan ik erg slecht tegen personeel. Je zou zeggen; dat maakt mij dus een goede baas. Maar telkens als ik in de gelegenheid was om baas te zijn en dat is tot nu toe nogal veel voorgekomen, heb ik jammerlijk gefaald. Kennelijk is er nog iets anders van invloed op goed baasschap dan een hekel hebben aan personeel. Wat mij hindert is denk ik een diep gevoeld besef van gelijkheid. Misschien is het mijn anti-autoritaire opvoeding, of anders mis ik het Machiavelli-gen, wie zal het zeggen. Maar ik ga ervan uit dat iedereen net zo – koppig, vastbesloten, eigenwijs, vult u maar in – is, als ik ben. Wie ben ik om anderen te vertellen wat ze moeten doen? Wie zijn die anderen om mij te vragen wat ze moeten doen? Verzin zelf eens wat, zeg. Dat doe ik toch ook?

Voor mijn stagiairs is dit lastig, dat weet ik. Soms maak ik het met opzet nog lastiger voor hen, bijvoorbeeld als ze me komen vragen wat ze moeten doen met een patiënt. Vroeger, toen ik zelf stagiair was, vroeg ik nooit aan mijn baas, een professor die altijd hoog in zijn torenkamer achter de computer zat (publish or perish!), wat ik met deze of gene patiënt moest doen. Zo nu en dan kwam hij naar beneden uit zijn toren en dan vroeg hij wat ik aan het doen was.

O, zei ik dan, ik heb de planten net water gegeven en de vloer gedweild en o ja, er kwam een patiënt langs, die heb ik beter gemaakt.

Aan de manier waarop ik dat zei kon die professor horen of ik dat beter maken wel goed had gedaan. Dan glimlachte hij, of hij zei niets en ging met een zucht weer naar de computer in zijn verheven kamer. Het spreekt voor zich dat ik jaren bij deze professor ben gebleven. Pas toen hij me begon te vertellen wat ik moest doen, ben ik weggegaan.

Dit nu probeer ik te voorkomen met mijn stagiairs. Ik wil ze altijd lekker lang bij me houden. Als ze me vragen wat ze moeten doen, vertel ik hen dat ze dat best zelf wel weten. En dan glimlach ik, of ik zeg niets. *

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden