Een gigantische legpuzzel die Leptis Magna heet

Ooit was Leptis Magna de belangrijkste stad aan de Libische kust. Nu vragen de restanten wat inbeeldingsvermogen. Portretten zijn slordig teruggezet op kartelige zuilen....

STRIEMEND heet is de wind. Zo heet dat een wandeling door Leptis Magna een merkwaardige route krijgt: van de ene schaduwzijde naar de andere. Van de porticus bij het Bad van Hadrianus, met zijn Korinthische marmeren zuilen, naar het nymfeum, de afgebrokkelde halfronde tempel waaruit de nymfen al lang zijn verdwenen. Vandaar naar de resten van de beurs, die met stapels brokstukken veel weg heeft van een haastig verlaten marmerwerkplaats. Daarachter ligt de zee, helder blauw en verleidelijk in de hete wind die uit het zuiden komt.

Tussen het water en het zand ligt nog een restant van een Romeins havenhoofd. Zwarte mannen duiken vanaf de rotsblokken in zee. Waarschijnlijk zijn het gastarbeiders, die Libië uit Soedan heeft laten komen. Ze zoeken wat verkoeling in hun middagpauze. De haven was ooit de levensader van Leptis Magna.

Eens moet een deel van de Libische kustvlakte bedekt zijn geweest met schaduwrijke bossen. De Griekse geschiedschrijvers Herodotos en Strabo maken melding van bosrijke gebieden in het noorden. Nu loopt de woestijn haast direct over in zee. Het proces van verwoestijning zette misschien al in bij de Romeinen. Ze hadden hout nodig voor de bouw van hun enorme steden en begonnen de bossen te kappen.

Het waren de Feniciërs die Leptis Magna vestigden aan de Noordafrikaanse kust, in het eerste millenium voor Christus. De ondernemende zeevaarders uit het huidige Libanon legden de mediterane kusten als het ware open voor de Grieken en de Romeinen. Emporia, handelsposten, werden gesticht tot aan de Atlantische kust toe. Ze groeiden uit tot koloniën, zoals Leptis Magna, Oea en Sabratha in het huidige Libië, Hippo Regius en Cirta Regia in wat nu Algerije is, en in Tunesië: Carthago. Dat verdraaide Carthago, waar de Romeinen zo lang hun tanden op stuk beten.

Ruim honderd jaar en drie oorlogen hadden ze nodig om de Carthagers ten val te brengen. Tijdens de tweede van deze Punische oorlogen zagen ze de Carthaagse leider Hannibal zelfs de Alpen overkomen met zijn olifantenleger of wat daar toen nog van over was. Carthago werd in de Derde Punische oorlog (149-146 v. Chr.) voorgoed uitgeschakeld. Pas toen kon staatsman Cato de Oudere rustig slapen. Onsterfelijk werd hij met de woorden, waarmee hij elke van zijn messcherpe redevoeringen zou hebben beëindigd: Ceterum censeo Carthaginem esse delendam - voorts ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden. Afrika lag open voor de Romeinse heerscharen. Toen Julius Caesar een eeuw later ook de Numidische koning onder de voet liep, was een nieuwe Romeinse provincie geboren: Africa Nova.

CARTHAGO is verwoest, zo veel is zeker, en wat nog over is van Leptis Magna, vraagt wat inbeeldingsvermogen. Aan conservering is nooit veel gedaan. De wind, soms zoutig als hij van zee komt, dan weer schurend met zand uit de woestijn, heeft vrij spel. 'Hammam', zegt de gids, en wijst naar de brokkelige zuilen, portieken en baden van het Hadrianus-complex. Straks zal hij nog soukh zeggen, markt, en daarmee houden de overeenkomsten in onze Arabische woordenschat op.

De onderkanten van enkele zuilen zijn als boomstronken gebeeldhouwd, de bovenste delen zijn voor de Tweede Wereldoorlog slordig met beton opgelapt door Italianen. Het badcomplex is het grootste buiten Rome. Het zwarte graniet en grijs marmer werden soms zelfs vanuit Turkije aangevoerd. Brokstukken liggen her en der verspreid. Leptis is een El Dorado voor illegale souvenirjagers, ook omdat er zo weinig bezoekers zijn. De politieman die dit jaar speciaal is benoemd, zit te suffen in een plakkerig kantoortje bij de ingang. Het is natuurlijk ook geen functie, hoofdcommissaris van een Romeinse ruïnestad.

Het Romeinse stadsplan laat zich goed lezen vanaf de duinen aan de kust. Leptis Magna werd opgebouwd in de klassieke Romeinse traditie: rechthoekige blokken in een symmetrisch patroon langs de hoofdstraat, de cardo. Het zanderige pad dat van het badcomplex naar de haven loopt, langs het nymfeum, het nieuwe forum en de basilica - waar de handel en de rechtspraak plaatsvonden - was ooit een ruime straat met imposante zuilenrijen aan weerskanten. Stukken van prachtig gebeeldhouwde kapitelen en stompjes zuil liggen half begraven onder het zand.

De dimensie die ontbreekt in Leptis Magna, is de hoogte. Geen enkele van de muren reikt nog tot aan zijn oorspronkelijke, imposante bouwhoogte. Zeelui, dagenlang onderweg, moeten diep onder de indruk zijn geweest van de grootschalig ontwikkelde stad in de rijksprovincie van barbaren en wilde dieren.

Langs de hoofdstraat werden de goederen uit Afrika naar de haven vervoerd om verscheept te worden naar Rome: goud, graan, olijfolie, wijn, edelstenen, ivoor, ebbenhout, slaven, struisvogelveren voor de kolossale waaiers waarmee de bourgeoisie zich koelte liet toewuiven, wilde dieren voor hun circussen en arena's.

Leptis was de belangrijkste van de drie steden die in de tweede eeuw na Christus opbloeiden aan de Libische kust. Samen met de steden Sabratha en Oea vormde Leptis de Tripolis. De huidige hoofdstad van Libië hield er haar naam aan over, althans in het Westen; onder de Romeinen heette de stad Oea. De Libiërs noemen haar Tarabulus, maar die naam hebben ze ergens in de geschiedenis geërfd van de Romeinen.

Een groepje Vietnamezen scharrelt wat door de basilica. Ze nemen houterige foto's van elkaar op de Romeinse puinhopen. Ik moet er ook op; iemand uit Europa is hier net zo'n bezienswaardigheid als een Romeins gebouw. Libië wil voorzichtig het toerisme wat bevorderen, maar de bezoekers in de Romeinse steden zijn voornamelijk Aziatische gastarbeiders en Libische dagjesmensen.

Muren, bogen en pilaren staan nog overeind. Duizenden steenstukken zijn op hoopjes bij elkaar gelegd in de basilica. Stukjes kantwerk in steen, siertekens, bewerkte friezen, delen van timpanen, marmeren koppen. Enkele gevallen portretten zijn slordig teruggezet op kartelige zuilen. Gebroken friezen met inscripties zijn op de grond aan elkaar gelegd. Veel is er niet van te maken. Leptis Magna is een gigantische legpuzzel, maar de ziel van de stad is er niet kapot gerestaureerd of onder de voet gelopen door hordes toeristen.

De mooiste beelden staan in Tripoli of in het museum bij de ingang, en dat laatste is al een paar jaar gesloten. Toch heeft de stad nog sprekende details: druiveranken kringelen omhoog bij het hoofdaltaar van de basilica, bevallige figuurtjes omarmen elkaar en medaillons rijgen zich aaneen op pilaren.

Libië heeft ooit pogingen gedaan de ruïnes aantrekkelijk te maken voor bezoekers. Door de stad loopt een vreemd, in onbruik geraakt smalspoortje, half bedekt met zand. Het lijkt een bespottelijk idee: de Romeinse stad bekijken vanuit een ape-treintje, maar wie de hitte eenmaal heeft gevoeld, denkt daar anders over.

Aan de westelijke kant van Leptis zijn de omtrekken zichtbaar van enkele tempels, maar het pronkstuk ligt weer wat van het water af: het theater. Een woud van zuilen markeert de grootte van de vertrekken achter het podium, waar nu wat Koreanen met identieke blauwe honkbal-petten foto's maken.

DE BURGERIJ in Leptis was in goeden doen, en droeg haar deel bij aan de opbouw van de stad. Het theater werd geschonken door de rijke zakenman Anobal Rufus. Leptis Magna kwam in de derde eeuw na Christus tot grote bloei. De stad had Rome namelijk een keizer geleverd, Septimius Severus, en genoot keizerlijke privileges.

Achter het theater staat de kolossale vierkante triomfboog ter ere van Septimius, in Rome staat er nog één. Delen van reliëfs met paarden komen nog zichtbaar uit het verval. De verweerde werkbank en de gammele houten trap onder de arcade wijzen erop dat de restaurateurs zich lang geleden hebben bedacht.

Vanonder een bos woeste haren en een krullende baard staart Septimius Severus de museumzaal in met zijn blinde, marmeren ogen. De tijd is de keizer genadig geweest: zijn gezicht heeft nog een neus. Een groep schoolmeisjes kwettert voorbij. Ze dragen de groene kostuumpjes van de Jamahiriya, de Libische volksstaat. Met andere resten van de Romeinen is Septimius ondergebracht in het mooie nationaal museum in Tripoli.

ROME WAS niet bang voor zijn buitenlandse onderdanen. Het rijk leerde van de overwonnen volkeren en schroomde niet de briljantste onder hen op te nemen in zijn hogere kaders. Septimius schopte het tot keizer, ze zijn er in Libië nog trots op. Twee museumzalen zijn gewijd aan de Romeinen, na de zaal van de Grieken die lange tijd de oostelijke provincie Cyrenaica bestierden en eveneens indrukwekkende steden achterlieten.

In het museum is een deel van het overgebleven stadsmeubilair bijeen gebracht: mozaïeken, bustes en beelden. De elegante moeder van Germanicus laat haar stevige borsten zien onder een flinterdun jurkje, Afrodite zwijmelt meer dan manshoog weg naast Augustus die de helft van z'n gezicht mist. Vanuit een hoekje schiet een tengere Diana pijlen de ruimte in.

Een groot deel van het Romeinse pandemonium, van bevallige vrouwen en onverschrokken helden, goden en stervelingen, is vertegenwoordigd. Het meisjesklasje wordt in vakkundig geregisseerd tempo langs een mannelijk naakt geleid. Anatomieles was de bedoeling niet van het schoolreisje.

In Sabratha, een paar uur rijden van Tripoli, klinkt muziek. Vrouwen van het platteland, een dagje uit aan de kust, hebben trommels en tamboerijnen meegebracht en lopen zingend over de Romeinse paden.

De marmeren latrines bij zee bieden het mooiste uitzicht. Niet alleen door het kleurcontrast van de blauwe zee en de oranje-gele stad, Sabratha heeft zowaar iets van een sky line. De zuilenrijen van de tempels steken als fabriekspijpen de lucht in, maar het profiel van Sabratha wordt vooral bepaald door het theater.

Het is voor de verandering eens mooi gerestaureerd, met oranje-roze zandsteen. Honderdacht Korinthische zuilen dragen de drie verdiepingen hoge façade achter het podium. Rond de orkestbak zijn vele reliëfs met mythologische voorstellingen en dolfijnen intact gebleven. Het is niet groter dan het theater van Leptis, maar er is meer van over. Terwijl het verval van Leptis al inzette na het einde van de Severiaanse dynastie, bleef Sabratha overeind tot de Vandalen kwamen, in de vijfde eeuw. De Byzantijnse keizers wisten tijdelijk iets van de glorie te herstellen, totdat de Arabieren er in de zevende eeuw mee afrekenden.

De vrouwenoptocht beweegt zich in de richting van Isis' tempel, waar acht zuilen in het gelid staan. De Isis-cultus had zijn oorsprong in Egypte, evenals die van Serapis, van wiens tempeltje nog een ruw grondpatroon is te vinden. Het Romeinse godenrijk stond een tijd lang min of meer open voor anderen. Ze zouden wellicht geen bezwaar hebben tegen de eenzame moslim die bij de tempel van Antonius in het zand knielt voor zijn middaggebed.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden