Een gestrande vlieger

Een 'coquet' paleis met zwanenmeer, klaterfonteinen met monumentale standbeelden - er is heel wat moois voor bedacht. Maar het Museumplein bleef een lege vlakte....

ZOMAAR, onverwacht, ging deze week de onderdoorgang van het Rijksmuseum in Amsterdam open; en werd het plein erachter in gebruik genomen alsof er een slagboom was opengegaan. Op de bomen hangen weer tekenen van leven - 'Bejaarde poes vermist. 20 jaar! Pinkeltje. Zwarte kater met witte bef'. Er staan nog hekken om, maar over het jonge gras dolt al een meisje met een hond en trappen een paar jongens een balletje.

Op het beruchte ezelsoor, de met gras ingezaaide punt van het plein die door een reuzenhand lijkt opgetild, liggen groepjes mensen te zonnen. Een paar meisjes tollen met paraplu's op het hellend podium van groen als showgirls in een ballet van Joop van den Ende. Kinderen laten zich languit van het talud rollen zoals ze dat 's zomers van een hoge duin doen.

Ook op een doordeweekse dag staan er lange rijen voor de kassa's van het Van Goghmuseum. De toeristen kunnen er weer terecht; en iedereen wil zien hoe de nieuwe vleugel is geworden. De route van het Rijksmuseum naar het Concertgebouw is nog gebarricadeerd. Bulldozers verplaatsen hopen zand, steenslag en gravel. Overal wordt nog gewerkt, maar niemand trekt er zich iets van aan.

Hoge hakjes klikken langs de getatoueerde armen van een stratenmaker, kinderen spelen naast de elektriciens die aan de lichtlijn werken, skaters zoeven tussen de schoonmakers door, die de ingangen van de parkeergarages oppoetsen voor de opening morgen. Bankjes voor het Concertgebouw zijn nog maar net uitgeladen, zomaar even ergens neergezet en nog niet op hun vaste plek vastgeschroefd, of er zitten al mensen op. Groepen buspassagiers rusten uit op de hardstenen cirkel rond de nog lege vijver bij het Rijksmuseum. En langs het hek rond het grote veld staat altijd wel een dromer te kijken hoe het gras groeit.

Een paar jaar lang is het grootste plein van Nederland een bouwput geweest, waar tegelijk aan van alles en nog wat werd gewerkt: de nieuwe vleugel en de renovatie van het Van Goghmuseum, parkeergarages voor auto's en bussen in een paar gigantische kelders diep onder het plein, de voorbereiding voor de nieuwbouw van het Stedelijk Museum, de aanleg van een nieuw kelderdepot voor het Rijksmuseum en de herinrichting, naar een ontwerp van de Deense landschapsarchitect Sven-Ingvar Andersson, van het Museumplein zelf.

Ergens in augustus moet het karwei officieel afgesloten zijn, maar de stad heeft het plein, op mooie dagen als deze, al in gebruik genomen.

De randen moeten nog worden afgewerkt, de enkeldiepe vijver staat nog zonder water, de granieten fontein spuit nog niet, lantaarnpalen staan al wel op hun plek maar nog ingepakt, de laatste hand wordt nog gelegd aan de lichtlijn die het plein zelf 's avonds zal verlichten en overdag de parkeergarages eronder, maar grote delen van het plein zijn al voltooid - het idee van Andersson, zijn droom van wijdheid en ruimte, van lichtlijnen en lichtcirkels, zichtlijnen en ruimteassen is al te bespeuren.

Voor het eerst in zijn bestaan, meer dan een eeuw geleden, toen het nog niet eens Museumplein maar Museumterrein heette, is er een omvattend plan op toegepast. Voor het eerst is er structuur aangebracht in dit rafelige restlandje tussen het centrum en oud-zuid, waar niemand ooit echt raad mee wist en waar tientallen architecten zich op hebben stukgebeten, in nooit uitgevoerde plannen en verdoemde prijsvragen.

Jarenlang was het een winderige lege vlakte, met een snelweg in het midden die nergens vandaan kwam en nergens toe leidde; een kale ruimte zonder wanden die alleen opleefde als er een kermis of een circus neerstreek. En wat is er, die hele eeuw lang, niet voor moois voor bedacht. Er zou, in het begin van de eeuw, een 'coquet' paleisje komen, met een zwanenmeer, voor de jonge prinses Wilhelmina. Afgekeurd. De Wagnervereniging wilde er in de jaren twintig een operahuis bouwen. Weggestemd, na verzet van Willem Mengelberg, die concurrentie voor zijn Concertgebouw vreesde.

Wibaut en Berlage hebben zich er in hun dagen vruchteloos mee ingelaten, Carel Weeber in de onze. Maar de kale vlakte bleef uitnodigen tot grote gebaren. Er werd een stationsgebouw voor bedacht, zelfs een aerogare als voorportaal van Schiphol. In de la verdwenen. Het plein zou bebouwd worden met villa's of juist weids en open bestraat worden met een klaterfontein of een monumentaal standbeeld in het midden. Vergeeld en vergeten. Meer dan een eeuw lang heeft de stad er geen raad mee geweten.

Er zal geen plein zijn geweest, dat zo vaak en zo hartgrondig is verketterd. Het heette het Plein der Zuchten, het Plein der Vervloekingen, het Plein der Smarten, het Plein van de Mislukte Plannen. Het was een Poffertjesplein waar eeuwig de walm van een pretpark overheen hing en een Achterdeurenplein, waar het Rijksmuseum, het Van Gogh en het Stedelijk hooghartig hun voorkant vanaf hadden gekeerd.

Maar elke generatie opnieuw kwam weer met eigen plannen. Het bleef een uitdaging: zo'n enorme vrije ruimte, in zo'n architectonisch rijk gebied. Alle grote namen van voor de eeuwwisseling zijn hier vertegenwoordigd: in het Rijksmuseum (P.J.H. Cuypers, 1885), Concertgebouw (A.L. van Gendt, 1888) en het Stedelijk Museum (A.W. Weissman, 1894). Berlage bouwde in de directe omgeving, evenals Salm, Leliman, De Bazel en De Klerk. Zelfs een vleugje Frank Lloyd Wright is er te vinden in het woonhuis-atelier dat zijn navolger Jan de Bie Leuveling Tjeenk voor zichzelf aan het Museumplein bouwde.

Ook in onze dagen ging dat bouwen door. Gerrit Rietveld ontwierp het Van Goghmuseum, Pi de Bruijn de nieuwe uitbouw van het Concertgebouw, Wim Quist de Zuidvleugel van het Rijksmuseum, Kisho Kurokawa de nieuwe vleugel van het Van Goghmuseum, Martien van Goor deed de renovatie van het oude deel van het Van Goghmuseum en Alvaro Siza tekende de nieuwbouw van het Stedelijk Museum.

De omgeving is altijd in beweging geweest, maar nooit haalde een plan voor het plein zelf de eindstreep. Elk idee dat opborrelde, werd afgeschoten of weggehoond. In die geschiedenis van mislukkingen werd ook het masterplan van Sven-Ingvar Andersson meegetrokken. Het werd, bij de presentatie al, te simpel en niet grootstedelijk genoemd. En Andersson zelf was geen visionair, bezield van de verlangde grote gebaren, maar voor zijn tegenstanders 'een tuinkabouter uit de provincie'. De halve stad liep ertegen te hoop, het wekte de woede van de ontwerpers van de nieuwbouw van het Stedelijk en het Van Gogh, maar hij haalde het uiteindelijk toch. En het ging ver, de opdracht die hij kreeg. Hij moest een concept maken 'dat honderd jaar meegaat'.

'Hij weet', luidde de verantwoording van de adviescommissie die Andersson uitkoos, 'met minimale middelen veel te bereiken. Zijn concepten zijn helder en sober tegelijk, met veel aandacht voor detail'. Hij was de aangewezen man om rust te brengen op het plein, tussen al die musea in verandering die om aandacht schreeuwen. Andersson zelf sprak van 'een enorme ruimte met een intiem karakter'. 'Het is een plek waar je adem kunt halen, die rust geeft. Je ziet de lucht en je voelt de wind. Het is een duidelijk herkenningspunt in de stad. Dat moet je niet willen volbouwen. Het wordt mijn werk om die immense ruimte zo groen en zo openlijk mogelijk te houden.'

Hij zag 'een groot open vrij veld onder de wijde luchten, de hemel vlak boven je hoofd; open, met wolken die naar de hemel stijgen, tastbaar en verdwijnend.' En hij zag meer: 'Iemand rust uit op het gras, 20 kinderen rennen rond de bomen, 200 jongeren genieten van de zon, 2000 mensen luisteren naar een concert, 200.000 demonstreren voor de vrede.'

Hij nam het hele plein in beslag, tot in alle hoeken en gaten. Zijn ontwerp loopt dwars over kruispunten en ventwegen heen, zijn bloementuin golft door tot over de trottoirs van de huizen bij het Amerikaanse consulaat. Hij gaf de architecten van het Stedelijk Museum en het Van Gogh geen spat ruimte. Hij drukte zich met zijn ezelsoor, de verhoogde toegang tot de parkeergarage en ondergrondse supermarkt, tegen de keukendeur van het Stedelijk Museum aan en dwong de ontwerper van de nieuwe vleugel van het Van Goghmuseum het volume te beperken.

Een plein zonder wanden is zijn plein niet. Het heeft wanden, heel markante zelfs, die in deze ruimte nog markanter zijn geworden. Op het oude plein leken ze ver uit elkaar te staan. En niets met elkaar te maken te hebben. Hij bracht ze dichter tot elkaar. Het Rijksmuseum en het Concertgebouw bepalen twee zijden. Meer, nu het terrein vrijgemaakt is, dan ooit te voren. De klimwand van Kurokawa's nieuwe vleugel van het Van Goghmuseum heeft zich daarbij gevoegd. Er loopt een heldere lijn van het Concertgebouw naar het Rijksmuseum en van de straatwand, waar de ING Bank en Joop van den Ende Theaterproducties zetelt, naar het Van Gogh.

Andersson heeft, met simpele middelen, die gebouwen vrijgemaakt, zichtruimte gegeven. Maar al die instellingen hebben zich, in hun verbouwingsplannen, niet door zijn plein laten leiden. De ingang van het Rijksmuseum is niet verplaatst van de Stadhouderskade naar het Museumplein. Het Stedelijk en het Van Goghmuseum openen nog altijd naar de Paulus Potterstraat.

Op die rare plattegrond van een gestrande vlieger ontwierp Andersson twee verschillende pleinen. In de punt bij het Rijksmuseum een stedelijk plein, met een hardstenen cirkel die een vijver omgeeft, twee paviljoens boven de uitgangen van de touringcargarage, waar de rijksmusea samen een winkel hebben gevestigd en waarin een aan de Cobra-schilders gewijd café komt. Tussen de platanen, omzoomd met knarsend grind, liggen kiosken, een basketbalveld, een halfpipe voor skaters en skateboarders.

Het andere plein - de grote vlakte tussen het Van Goghmuseum, het Amerikaanse consulaat en het Concertgebouw - is groen, van wand tot wand, groen van het gras, de bloemenperken, Japanse kers, en een gered stukje van het oude lindenlaantje. Langs de musea loopt een flaneerroute, aan de andere kant een fietspad. Hier ligt de grote ruimte, die hij zich droomde, waar de wolken ten hemel stijgen.

Het is een grote vlakte, maar een groot gebaar ontbreekt, of het is dat scheppen van zichtlijnen en ruimte. De vijver is een simpel ovaaltje, geen stedelijk spektakel. Het ezelsoor - verguisd in de ontwerpfase, maar nu geliefd - dat het plein met een ruk lijkt op te tillen, heeft zo'n stedelijk effect. En het biedt een panoramisch gezicht op het plein, maar heel wat nietiger dan Renzo Piano's New Metropolis. Anderssons lichtlijn is een mooi, en even stedelijk, gebaar. De strakgetrokken streep, die het hele plein kruist, werpt daglicht in de parkeergarage voor personenauto's, zelfs op een bewolkte dag, als een veilig baken, tot op het laagste niveau. Maar zijn 'lichtcirkel' is een iele heksenring van sprietige lantaarnpaaltjes; even frêle en even weinig grootsteeds-baldadigheidsbestendig als zijn bankjes.

Hij maakte ruimte, een grote tussenruimte. 'De hemel vlak boven je hoofd, open, met wolken die naar de hemel stijgen.' Maar ruimte scheppen maakt nog geen plein. En ook geen park. Het ligt niet aan hem, denk ik, maar aan de opdracht. Er is nooit een stedelijk plein gewild. Hij heeft, met die 'minimale middelen', strak gemaakt wat er altijd geweest is; voor het eerst vorm gegeven aan dat rafelige restlandje. Andersson heeft die eeuwige aarzeling om er iets van te maken tot opdracht genomen en die hele eeuw van twijfel aangekleed.

Wat eruit voort is gekomen is geen plein, geen park, maar een speelweide - met een opgetilde hoek waar de kinderen vanaf rollebollen. En waar Ajax kan gaan staan om zich toe te laten juichen, als het in die eeuw van het concept nog eens kampioen wordt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.