Column

Een gesproken gedicht met bellenblaasbellen vol nevel

Jeanne Prisser bericht over wat zich afspeelt in de voorhoede van de beeldende kunst. Deze week: in de ban van de taal, in de vorm van glasgedichten en woordwolken, en als deel van een surrealistische wereld.

The Poet van Maria Barnas. Beeld Annet Gelink Gallery

Amsterdam, 1 november

Op elke straathoek in de Amsterdamse Jordaan leek een vrachtwagen te willen keren. Toen ik, op weg naar Annet Gelink Gallery, overstak om voor de zoveelste keer zo'n wagen te ontwijken, liet ik mijn telefoon vallen. Beeldscherm naar boven, toch in duizend stukjes. Duizend scheldwoorden later zocht ik troost en vergetelheid bij The Planet O, de expositie van dichter en kunstenaar Maria Barnas.

In de wandelgangen van de Amsterdamse kunstwereld had ik gehoord dat zich hier een bellenblaasmachine ophield. Nu, dat klopte. Het ding, dat luisterde naar de naam The Poet, zag er indrukwekkend uit: buisjes, draadjes, een speaker, een soort toeter en een bak zeepsop. Een galeriedame moest eerst even wat 'droogijs' halen, dat vervolgens in een witte plastic ton doen, een knopje indrukken en toen begon het apparaat te werken.

Hoe? Dat ga ik niet eens proberen uit te leggen, maar wat ik hoorde was een gesproken gedicht en wat ik zag waren bellenblaasbellen gevuld met de nevel van het droogijs. Het vreemde van die nevel was dat die niet steeg maar viel. Er spatten steeds bellen nevel voor mijn voeten uiteen. Heel sprookjesachtig, al deden ze me ook aan wijlen mijn telefoon denken. 'Woorden zijn als wolken in mijn mond', zei Maria Barnas ondertussen.

Eigenlijk ging deze tentoonstelling niet over dingen die stuk vallen maar over taal. Als taal materiaal is, hoe ziet ze er dan uit? Een zinnige vraag voor een dichter. Kan taal ongeschonden door de lucht reizen of dreigt elk woord als een zeepbel uiteen te spatten? Nog zo'n zinnige vraag. Tegelijkertijd ging de tentoonstelling over ruimtevaart, modernisme en fobieën. Ik weet: dat klinkt volslagen bizar. Maar ik waande me gewoon op Barnas' Planet O zonder me ergens aan te storen. Een vreemde planeet hoeft zich ook niet aan aardse regels te houden.

Op sokkels lagen mooi gevormde stukken glas waarin Barnas woorden had geblazen. Een video combineerde beelden van gewichtloosheid met teksten over ruimtevaartrituelen. In een tweede video gingen modernistische sculpturen met elkaar in discussie. En dan hing er nog die lijst met fobieën. Mensen blijken bang te zijn voor van alles: van ovenwanten tot oneindigheid en van Duitsers tot koorts. Angst dat mijn telefoon zou vallen leek niet meer te bestaan, zo ver was ik nu door de ruimte gereisd.

Maria Barnas, The Planet O, Annet Gelink Gallery, Amsterdam, t/m 12/11.

Amsterdam, 1 november

Ik had de smaak te pakken en besloot me nog wat langer op te houden in de wereld van de taal. Na de glasgedichten en woordwolken van Maria Barnas vervolgde ik mijn weg naar galerie Van Gelder voor de tentoonstelling van Voebe de Gruyter. Zij is een kunstenaar, zo had ik tijdens mijn vooronderzoek ontdekt, voor wie beelden altijd vergezeld gaan van woorden (en andersom) en die, gelijk Barnas maar dan anders, met beide kunstvormen een volstrekt eigenzinnige, poëtische en soms wat surrealistische wereld optrekt. Haar potloodtekeningen leken intrigerende handleidingen voor een geheimzinnig parallel universum, dat leek op het onze maar zich volgens andere wetten gedroeg. Ik stormde het stenen trappenhuis in en rukte (of duwde, daar wil ik van af zijn) vol verwachting de deur naar de galerie open.

De eerste aanblik viel tegen. Waar ik had verwacht te worden begeesterd door de visie van iemand die zelfs in de afgeknipte lokken zwart haar op de kappersvloer nog Arabische verhalen leest en die gelooft dat het menselijk handelen volledig wordt gestuurd door de beweging van atomen, stond ik in een galerieruimte die minimaal was ingericht te koekeloeren naar een over een doos gedrapeerd wit laken met de woorden 'morning glass' erop. Daarnaast stond een rij grijze vellen karton tegen de muur met uitgeprinte teksten erop. Dan: een tafeltje met een strijkijzer van wit papier plus twee tekeningen en een schilderijtje aan de muur ertegenover. Dat was het.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

De gedeelde tijger van Voebe de Gruyter. Beeld Galerie van Gelder

Uiteraard: de lege ruimte tussen de werken had óók betekenis, net als die tussen twee mensen. En ik moest me openstellen voor wat er was, me niet blind staren op wat er níét was. Toch bekroop me een licht gevoel van teleurstelling. Op sommige dagen wil ik van mijn hakken geblazen worden door de kunst. Dit was zo'n dag. Maar de kunst was koppig en - nouja, goed, zelf ben ik ook niet altijd even ootmoedig.

Aldus reikte ik het werk de hand. Het witte laken liet ik links liggen, maar de teksten langs de muur las ik met groeiend plezier. Ze waren beeldend, ik kan niet anders zeggen. Ze riepen kunstwerken op in mijn hoofd. Het langst bleef ik staan voor een Japans aandoende collage met een getekende tijger. Alles aan dat beest was goed: de houding, de strepen en die blik. Ik verdwaalde alsnog in de wereld van Voebe de Gruyter. Haar tentoonstelling was mager, maar aan die tijger had ik genoeg.

Voebe de Gruyter: Atomes Crochus, Galerie Van Gelder, Amsterdam, t/m 23/11.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden