Een geschiedenis van schoonheid en winzucht

Tegelijk met de Centennial Games werd door het US Holocaust Memorial Museum een tentoonstelling geopend over de Spelen van 1936, het dieptepunt van de 'moderne' Olympische geschiedenis....

WIE IN 776 voor Christus een valse start veroorzaakte op de sprint (192,28 meter, één stadion) kreeg een aframmeling. Daar stond tegenover dat de winnaar beloond werd met een slavin of een jaar belastingvrijstelling. Antiek professionalisme dus. Maar de Franse baron Pierre de Coubertin die in 1894 het idee opperde om de Helleense Spelen te doen herleven, wilde daar niet van weten. En van de gymnastike, de naakte lichaamsoefening, kon ook geen sprake meer zijn. Die was in het oude Griekenland volgens de overlevering ontstaan omdat ooit een hardloper onderweg zijn broek verloor. Waarop besloten werd dat de broek een nutteloos ornament was op het atletisch lijf.

Niet bekend

Het waren doorgaans lokale initiatieven en alle kleinschalig. Zoals die eerste Spelen van De Coubertin ook nog weinig te betekenen hadden. Tot zeer laat bleef het zelfs onduidelijk of ze doorgang konden vinden. De Grieken hadden onvoldoende geld voor de organisatie en moesten uit de brand geholpen worden door de puissant rijk emigré George Averoff, een Ted Turner avant la lettre die met een miljoen drachmen de bouw van het marmeren stadion mogelijk maakte en die daar dan ook een standbeeld zou krijgen. Tot woede van De Coubertin. De Franse edelman vond dat alleen hij op die wijze geëerd had moeten worden.

In Athene verschenen 311 deelnemers uit dertien landen en gestreden werd in tien takken van sport. Slechts 81 niet-Grieken hadden de moeite genomen om naar Athene te komen. Toch waren die eerste Spelen kennelijk meer dan waarvoor De Coubertin ze bedoeld had. Het was aanvankelijk zijn doel geweest de Franse jeugd te harden en Frankrijk te verlossen van de idee dat het geen oorlog kon winnen. Maar hij verfoeide de Duitse Körperkultur van Vater Jahn en was een groot bewonderaar van de Engelse competitiezucht.

Dat leek in tegenspraak met zijn meest geciteerde uitspraak ('Deelnemen is belangrijker dan winnen') maar die uitspraak wordt dan ook zelden in zijn context gezien. De Coubertin zag het deelnemen als een overwinning op zich, een bewijs dat de atleet zichzelf kon overtreffen en een voorbeeld kon zijn voor anderen.

Dat was ook een van de redenen om geen materiële beloning te dulden voor een Olympische triomf. Het deelnemen was een triomf op zich en dat de ene deelnemer nu eenmaal beter was dan de andere was geen verdienste op zich. De zelfverbetering was voldoende beloning. Citius, altius, fortius, sneller, hoger, sterker, dat moest de drijfveer zijn. Sport was op de eerste plaats een educatief middel ter verheffing van de jeugd, van een jeugdige elite wel te verstaan. Want voor de gewone (Europese) jeugd was sport in die tijd een ondenkbare weelde.

Het meest revolutionaire in De Coubertins ideeën was waarschijnlijk de herwaardering van de lichaamscultuur en het strijd leveren in de sportarena. In Duitsland had die lichaamscultuur louter in dienst gestaan van de oorlog, althans het weerbaar maken van de jeugd. Zo zag De Coubertin dat ook maar het was hem tegelijk een te ernstige benadering. Lichamelijke vorming, levensplezier en gezonde onderlinge competitie hoefden elkaar niet uit te sluiten. Hij wenste sport bovendien in het verlengde van de cultuur te zien.

Gedurende vijftien eeuwen christelijke beschaving was het menselijke lichaam door de culturele en klerikale bovenlaag afgeschilderd als een bron van verderf. Diezelfde christelijke beschaving had in 393 na Christus de antieke Olympische Spelen doen ophouden. De Romeinse keizer Theodosius maakte een eind aan de verering van Zeus en ontmantelde 'heidense' plaatsen als Olympia waar zich de cultus rond de Griekse goden centreerde. Helemaal zonder slag of stoot ging het niet, want Justianus moest het decreet van zijn voorganger nog jaren later bevestigen, maar een traditie van eeuwen werd wel degelijk afgebroken.

Zelfs al eerder dan 776 voor Christus schijnen Olympische Spelen gehouden te zijn. Dat jaartal geldt alleen als beginpunt omdat voor het eerst de winnaars op een lijst werden gezet. In de vorige eeuw zijn in Egypte papyrus-rollen gevonden met de namen van 921 'antieke' Olympische zegevierders, op een mogelijk totaal van 4237 gelauwerden.

De klassieke Spelen werden op een kale vlakte in Olympia gehouden, een terrein dat ook pas vorige eeuw werd teruggevonden en dat volkomen overwoekerd was. Pas in de vierde eeuw voor Christus werd een stadion gebouwd dat later hergoten werd in marmer. In het 'nieuwe' stadion van Athene in 1896 eindigde de marathon, die algemeen beschouwd wordt als het meest klassieke onderdeel van de Olympische Spelen. Maar ook dat idee berust op een misvatting. Een marathon werd in de oudheid nooit gelopen, ook niet tijdens de 'lijkenspelen' waaruit de antieke Spelen voortkwamen. De langste Olympische afstand was aanvankelijk de diaulos, zo'n 720 meter, later de 24 stadia (4800 meter). Homerus en Pausanias hebben de lijkenspelen bezongen, in het bijzonder de Spelen die rond de dood van Patroclus werden gehouden.

De dood van een andere Griek, Pheidippides, waarover de Fransman Bréal had gelezen, was de aanleiding om de marathon op het eerste Olympisch programma te zetten. Michel Bréal, classicus, taalkundige en oriëntalist, kon De Coubertin maar nauwelijks overtuigen, de baron vond veertig kilometer een 'onbeschaafde' afstand. Alsof hij voorvoelde dat de marathon ooit in het onverantwoord hete Atlanta zou plaatshebben.

Herodotus had geschreven over een beroepsloper die na de slag bij Marathon in volle uitrusting naar Athene rende om hulptroepen te halen voor de slag tegen de Perzen. Die legendarische slag, in 490 voor Christus, werd ondanks een numerieke minderheid door de Atheners gewonnen. Voor het verhaal dat Pheidippides veertig kilometer hardliep om de triomf in de hoofdstad zelf te melden, waarna hij ter plekke dood zou zijn neergevallen, bestaat geen wetenschappelijk bewijs. Maar legendes deden het niet slecht aan het eind van de vorige eeuw.

0 AAROM ook werd Spiridon Louis een legende. De eenvoudige herderszoon, die de eerste Olympische marathonkampioen werd. De Grieken, bewust van de historische ballast, namen alle voorzorgen om hun beste lopers af te vaardigen. Tijdens de training zouden drie overmoedige jongens zijn overleden. Er werd een extra kwalificatiewedstrijd gehouden waaruit Louis tevoorschijn kwam. Een Atheense schone bood zich aan als huwelijkspartner voor elke Griek die de marathon zou winnen. Maar toen ze vernam dat Louis een eenvoudige boerenjongen uit Manoussi was, trok ze zich terug. Louis liep ook een premie van tienduizend franc mis, aangeboden door een geestdriftige Fransman. Louis wenste zijn amateurstatus niet in gevaar te brengen en weigerde de gift.

Sinds de triomf van Spiridon of Spiros zoals hij werd genoemd, waren de marathon en de Olympische Spelen onverbrekelijk verbonden. Pas in 1908 (Londen) werd de afstand officieel verlengd tot 42.195 meter, omdat de koninklijke familie vanuit Windsor Castle de lopers wilde kunnen zien. De marathon in dat jaar leverde onvergetelijke beelden op. De Italiaan Dorando Pietri kwam als eerste het White City stadion binnen maar viel vlak voor de finish vier keer neer. Een official met erbarmen hielp Pietri de finish over, daarmee zijn gevoel maar niet de regels volgend. De Italiaan werd wereldberoemd door zijn diskwalificatie. Zoals Ben Johnson vele jaren onsterfelijk zou worden door dope-gebruik.

De moderne Spelen mogen dan klein zijn begonnen, al in Athene verzamelden zich veertigduizend toeschouwers bij het zwemmen (in zee). Zwemmen was ook al geen onderdeel dat in de oudheid op het programma stond. Zo min als springpaarden, roeiers of turners ooit in het oude Hellas hadden deelgenomen. Het turnen kwam op het programma om de Duitsers tegemoet te komen. Gustav en zijn neef Alfred Flatow wonnen goud.

Het joodse gezin Flatow vluchtte in 1933 naar Nederland maar werd tijdens de oorlog naar Theresienstadt gedeporteerd. Slechts moeder Flatow en Stefan, de zoon van Gustav, overleefden het kamp. Dertig jaar later ontdekte een Oostduitse Olympisch vorser dat de zoon nog in leven moest zijn en in Rotterdam huisde. Als eregast van de anti-fascistische DDR werd hij genood op een jaarlijks Olympisch feest. Flatow, die een eenvoudig Rotterdams appartement bewoonde, wist niet wat hem overkwam. Met grote schroom en bange voorgevoelens ging hij terug naar 'Duitsland'. Maar de Oostduitsers eerden hem. Nog maar twee maanden geleden kreeg hij van Helmut Kohl in Bonn een postzegel overhandigd waarop zijn vader en neef als Olympisch winnaars van 1896 zijn afgebeeld.

De DRR en de Sovjet-Unie droegen de erfenis van De Coubertin tot in het absurde uit. De Olympische Spelen werden onderdeel van de koude oorlog. Zelfs het door De Coubertin beleden amateurisme werd inzet van een ideologische strijd. De Sovjet-Unie, pas sinds 1952 deelnemer van de Spelen, en de satelliet Oost-Duitsland interpreteerden het Olympisch ideaal van De Coubertin zoals Jehova's getuigen de bijbel. Slechts Oost-Europa was zuiver in de leer. Oost-Europese atleten werden tot 'rechtschapen mensen' verklaard en daar hoorde geen luxe bij. In het 'Westen' was slechts sprake van uitbuiting, puur commerciële exploitatie.

Helemaal ongelijk hadden die Oosteuropese landen niet. Want de commercialisering rukte steeds meer op en het individu verdween achter reclameborden. Vooroorlogse Olympische grootheden als 'Babe' Didrickson, Thorpe of Owens zouden steeds schaarser worden. Jesse Owens was van hen de grootste. Toen hij in 1936 ook het verspringen won, van de Duitse favoriet Long, kon Hitler het niet langer aanzien en verliet hij de tribune.

Hitler weigerde de zwarte Amerikanen in Berlijn de hand te schudden. Hij had zich tegen zijn zin door Goebbels laten verleiden om de Spelen te organiseren. Goebbels' overtuiging was dat de Spelen het beeld van Duitsland konden verbeteren. Tijdelijk werden de borden weggehaald die joden verbood openbare gelegenheden te betreden.

De Spelen van 1936 werden het dieptepunt in de Olympische geschiedenis. Dramatisch zouden ook de Spelen van 1972 zijn, opnieuw in Duitsland (München). De onverhoedse Palestijnse gijzeling in dat jaar, waarbij zeventien doden vielen, wekte algemeen afgrijzen, maar er was geen sprake van collaboratie met een abject systeem. De 'Zwarte September' greep een nieuwe ontwikkeling aan: de Spelen waren zo 'groot' geworden dat ze een platform, misschien zelfs een uitdaging werden voor terreur-groepen.

In 1934 was Avery Brundage als voorzitter van het Amerikaans Olympisch comité poolshoogte gaan nemen in Duitsland. Hij kwam terug met de boodschap dat Duitse joden niets hadden te vrezen. In 1972 weigerde Brundage als voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité de Spelen af te gelasten. De Franco-adept Samaranch zal hem nog steeds dankbaar zijn.

Na honderd jaar organiseert niet Athene de Centennial Games maar Atlanta. Tussen de twee steden ligt een geschiedenis van tegenstellingen. Een geschiedenis van schoonheid, onschuld en schitterende anekdotes. De geschiedenis van Abebe Bikila, Paavo Nurmi, Mark Spitz en Carl Lewis en van Dawn Fraser en Fanny Blankers-Koen. Maar tegelijk ook een geschiedenis van stuitende machtswellust en winzucht, een geschiedenis van schande en schuld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden