Interview

Een geestuitdrijving moest haar zoon van een djinn verlossen: ‘De imam zei dat er een geest was’

De rechtszaak waarin een vrouw van Marokkaanse afkomst wordt beschuldigd van langdurige mishandeling van haar zoon om een djin uit te drijven, begint vandaag. De verdachte deed vorig jaar hier haar verhaal. ‘De imam zei dat er een geest was.’

Beeld Eleni Debo

De djinn heeft haar leven verwoest. De geest die bezit nam van haar inmiddels 9-jarige zoontje Anouar, heeft haar alles afgenomen wat haar lief is, daar is de 39-jarige Amina van overtuigd.

In de lunchroom in de Utrechtse wijk Kanaleneiland rollen tranen uit haar zorgvuldig opgemaakte donkere ogen. Ze oogt als een moderne, mediterrane vrouw met haar strak in model geföhnde zwarte haren en een smetteloos wit jasje. Door een in haar ogen culturele kwestie is haar zoon van haar afgenomen en moet ze 25 januari voor de rechtbank in Roermond verschijnen.

Het Openbaar Ministerie beschuldigt haar ervan dat ze haar zoon langdurig heeft mishandeld. Hij zat onder de blauwe plekken. Ze zou zijn handen in de oven hebben gehouden en wattenstokjes in zijn oren hebben gestoken, met een gehoorbeschadiging tot gevolg. Na twee maanden in de gevangenis werd ze net voor Kerst vrijgelaten.

Een foto van Anouar vlak voordat hij bij zijn moeder werd weggehaald toont hoe uitgemergeld en bleek de jongen was; zijn grote ogen staan treurig. Amina – niet haar echte naam – houdt vol dat zij het beste voorhad met haar zoon. Voor veel Marokkaanse Nederlanders maken djinns deel uit van hun realiteit, deze onzichtbare wezens – geschapen uit rookloos vuur – uit de Arabische cultuur, die ook voorkomen in de Koran.

Het zijn praktijken die als hocus pocus klinken in het geseculariseerde Nederland, waar het geloof in geesten, duivels en demonen niet bepaald algemeen wordt geaccepteerd. Maar voor Marokkaanse Nederlanders als deze moeder zijn djinns en djinnuitdrijvers helemaal niet ongewoon. Graag wil ze haar kant van het verhaal vertellen, om, zegt ze, het begrip hiervoor te vergroten.

Amina was 3 jaar oud toen haar familie Casablanca verruilde voor Houten, bij Utrecht. Ze begon er aan een hbo-opleiding, werkte bij een woningcorporatie en trouwde. Een ongelukkig huwelijk, hij sloeg haar. Een paar maanden nadat hun zoon Anouar was geboren, scheidden ze.

Na een kort verblijf bij haar familie vond ze een huurwoning. Veertig uur per week werkte ze. Haar zoontje vulde de leegte van haar bestaan, zegt ze. ‘Ik was zijn vader, moeder, broer en maatje ineen, en hij was alles voor mij. Hij is erg intelligent. Ik kon met hem heel volwassen gesprekken voeren. Hij ging altijd met me mee. Hij kwam niets tekort.’

Haar moeder vond het maar niets dat haar dochter als gescheiden vrouw op zichzelf was gaan wonen met haar kind. Haar familie bleef de kant van haar opdringerige ex-man kiezen. Het liep zo hoog op dat ze in 2015 met haar familie brak.

Toen was ze al een jaar of twee bezig zich meer te verdiepen in de islam. Het geloof gaf haar houvast in een moeilijke periode. Met Anouar ging het zichtbaar niet goed. Er was iets met hem aan de hand, zag zijn moeder. ‘Hij had het vaak over geesten. Dan zei hij: ik zie een geest in de vorm van mijn oma voor me. Hij was als een helderziende. Dat maakte me angstig.’

Anouar at steeds minder. Soms was hij agressief. Regelmatig viel hij zomaar flauw. Door zo’n val liep hij verwondingen op, zegt Amina. Ze kan het zich voorstellen, zegt ze, dat mensen dachten: er klopt hier iets niet, als ze de magere en bleke jongen zagen met blauwe plekken. ‘Ik was bang dat ik zou worden beschuldigd van kindermishandeling.’

Ze ging met hem naar het ziekenhuis, misschien had hij wel last van epilepsie. Dat bleek niet zo te zijn. Op de geestelijke gezondheidszorg wilde ze geen beroep doen. De mogelijkheid dat haar kind of zij psychische problemen zou kunnen hebben, wuift ze weg. Ze was bang dat die hulpverleners haar haar kind zouden afnemen en hem zouden opsluiten in een inrichting.

In plaats daarvan ging Amina naar de imam om raad. In moskeeën van Rotterdam tot Venray bevestigden meerdere geestelijken haar vermoeden. Dat er in het lichaam van haar zoon een geest huist. ‘Zij voelden de aanwezigheid van iets. Dat komt voor in de Marokkaanse cultuur. Ik was bang dat als ik tegen Nederlandse hulpverleners over geesten zou beginnen, zij zouden denken dat ik gek was.’

Ze koos voor de rokja, de djinnuitdrijving met de Koran. De islamitische geestelijken lazen Koranverzen voor. Als het slecht ging met Anouar, moest ze op YouTube filmpjes aanzetten met specifieke Koranverzen. Dat deed ze bijvoorbeeld als hij weer buiten zinnen raakte en haar ging schoppen en slaan. Er zat dan zoveel kracht in dat kleine mannetje, zegt Amina, dat ze hem in een houdgreep moest nemen om hem tot bedaren te brengen.

In augustus 2016 waren Amina en Anouar bij een goede vriendin, toen daar de politie en de Kinderbescherming op de stoep stonden. ‘’Uw kind wordt mishandeld’, zeiden ze. ‘We nemen hem nu mee.’ Ik zei: ‘Mijn kind is ziek.’' Anouar kwam terecht bij een Neder-Turks pleeggezin. Onder toezicht van de jeugdbescherming mocht zijn moeder hem eens in de twee weken zien.

In mei 2017 oordeelde de rechter dat Anouar op korte termijn weer bij zijn moeder kon wonen. Maar in de zomer hoorde Amina dat Anouar tegen zijn pleegmoeder zou hebben gezegd dat hij niet terug wilde naar huis. Het kind vertelde over mishandelingen. De Jeugdbescherming deed aangifte tegen Amina. Tegen de politie verklaarde de jongen ook dat hij seksuele handelingen moest verrichten bij zijn moeder; dat hij een vinger bij haar naar binnen stopte.

Amina schrok toen ze tijdens haar verhoor door de politie op 17 oktober hoorde van de beschuldigingen. Ze mocht niet meer naar huis. Na drie dagen in een politiecel ging ze naar de vrouwengevangenis Ter Peel. Nooit eerder had ze een gevangenis van binnen gezien.

Amina zegt dat het allemaal de schuld van de djinn is. ‘Sommige imams zeiden: wat in je zoon zit is te krachtig, ik kan het niet aan.’

Die djinn zet haar zoon ertoe aan haar te beschuldigen, zegt Amina. ‘Als een geest bezit van je neemt, kun je een heel ander persoon worden.’

Amina heeft nu haar hoop gevestigd op advocaat Anis Boumanjal. Met zijn Marokkaanse wortels begrijpt die tenminste waarover ze het heeft. Haar zoon zal bij haar terugkomen, daarvan is Amina overtuigd. Dat hij liever in het pleeggezin wil blijven wonen, gelooft ze niet. ‘Hij heeft mij nodig, hij is het enige wat ik nog heb.’

Nederlands-Marokkaanse vrouw beschuldigd van kindermishandeling bij uitdrijven djinn

Het Openbaar Ministerie beschuldigt een 39-jarige vrouw van Marokkaanse afkomst van langdurige mishandeling van haar inmiddels 9-jarige zoon om een djinn uit te drijven. Zij moet donderdag voor de rechtbank verschijnen van Roermond.

Het is, voor zover bekend, voor het eerst dat een Nederlandse rechter zich over een ontspoorde djinnuitdrijving buigt. Ook in Nederland geloven veel moslims in deze onzichtbare wezens uit de Arabische cultuur die volgens de Koran zijn geschapen uit rookloos vuur.

De moeder zou de handen van haar zoon in de oven hebben gehouden en met wattenstaafjes in zijn oren hebben gepeurd, met een gehoorbeschadiging tot gevolg. De jongen is in augustus 2016 uit huis geplaatst en woont bij een pleeggezin.

Het Hof in Antwerpen veroordeelde in 2016 een islamitische djinnuitdrijver tot tien jaar cel voor de dood van een 18-jarig meisje met een moslimachtergrond. Het lesbische meisje zou volgens haar ouders bezeten zijn en werd overgoten met kokend water. In Marokko is het vaker gebeurd dat een patiënt de djinnuitdrijving niet heeft overleefd of daar gehavend is uitgekomen. In Nederland zijn tot dusver geen excessen bekend.

Wel horen hulpverleners soms schrijnende verhalen van patiënten die met brandwonden terugkomen na een djinnuitdrijving in Marokko. Of bij uitdrijvers zijn geweest die honderden euro’s vergoeding vroegen. ‘Ik adviseer mijn cliënten om dit niet in Marokko te doen, dat kan heel heftig zijn’, zegt therapeut Nadia el Wahabi van GGZ-organisatie Indigo. ‘Ik heb een vrouw bij me gehad die door haar man werd geslagen maar dacht dat die er niets aan kon doen omdat hij bezeten was door een djinn. Ik heb gezegd dat ze gewoon aangifte moest doen.’

GGZ-instellingen en behandelaars zijn zich er steeds meer van bewust dat veel patiënten met een moslimachtergrond denken dat een djinn de oorzaak is van hun psychische problemen. Zij werken daarbij soms samen met imams of islamitische geestelijke verzorgers. De behandeling is effectiever als de patiënt het gevoel heeft dat zijn verhaal over djinns serieus wordt genomen door de behandelaar.

Uit onderzoek blijkt dat 60 tot 80 procent van de patiënten met een moslimachtergrond met een psychose denkt dat djinns erbij betrokken zijn. Inmiddels is volgens hoogleraar klinische pathologie Jan Dirk Blom ‘de djinn ingeburgerd geraakt in de ggz’, in elk geval in gebieden met veel bewoners met een niet-westerse achtergrond.

‘Wij halen soms de imam de spreekkamer in en betrekken de islamitische geestelijke verzorger’, zegt psychiater Anne-Marie van Dam van de Amsterdamse GGZ-organisatie Arkin. ‘Een behandelaar moet aansluiting zoeken bij wat de cliënt vindt, anders heeft de behandeling geen zin. Het helpt dan als de imam zegt dat er geen djinn in het spel is.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden