Een gedreven kijken

ALS HET HEM ernst is in zijn onlangs verschenen dichtbundel Jaargetijden, en als we de cyclus van geboorte, groei, bloei en verval die in deze gedichten wordt verbeeld, symbolisch moeten lezen, dan moet Jan Wolkers, gisteren 75 jaar geworden, nu de tijd van zijn leven hebben....

Zonder geloof loop ik op water

Bij twintig graden vorst,

De waterwezens die mijn voetzolen bekijken

Hebben een fijne dag.

In iedere aardplooi grijnst een glimlach

De tanden bloot of er gestorven was.

De lente is een 'valse lente', een 'wreed begin'; kou bedreigt het jonge leven, en de openingsakkoorden zijn 'een waslijn van verdriet'. En dan de zomer: 'De zomer kan me gestolen worden./ Fris groen verschrompelt zinderend tot as.' De herfst is het seizoen van de pijnlijke herinnering: 'Een poppenwagen schimmelt in de schuur,/ een wang van celluloid is nooit tevreden.' De winter, ten slotte, wast vergevingsgezind alles schoon. 'Het knerpen heeft geen afstand die beklijft./ De rijp geeft stijfselbomen helderheid.'

Het zijn opmerkelijk heldere, ingetogen gedichten, zonder bombast of effectbejag. Geen ode aan de natuur zoals je van iemand die regelmatig jubelt over al wat groeit en bloeit, zou verwachten, geen ode aan de poëzie van een schrijver die in voordrachten zijn liefde voor dit genre luid belijdt, maar sensaties van iemand die de dwingende symboliek van de jaargetijden ondergaat, omdat hij nu eenmaal leeft, kijkt en zich herinnert.

Dit is het leven, meer is er niet. 'Het hemels koninkrijk verruil ik voor een pad' - de mollige pad die een van Wolkers' zonen hierbij tekende is een aandoenlijk, groots en simpel wezen.

In de herziene, uitgebreide editie van het Schrijversprentenboek dat in 1996 een tentoonstelling over Wolkers' leven en werk begeleidde, staan de plaatjes bij de seizoenen. Het boek opent nog steeds met het trefzekere interview door Hella S. Haasse. Beeldend kunstenaar én schrijver, 'op het eerste gezicht lijkt dat heel complex', stelt zij vast. 'Maar het komt eigenlijk allemaal neer op een gedreven kijken.'

Mooie foto's, van de beeldschone moeder van Wolkers, Jannetje van der Heijde, die veertig jaar later weer opduikt, maar dan als Annemarie Nauta, zijn tweede vrouw die model stond voor Olga in Turks fruit: precies hetzelfde volmaakt ronde gezicht, dezelfde geprononceerde mond en wazige blik. Die vrouw verliet hem, zijn moeder ging pas veel later dood.

Een foto van een jonge god op het strand van Oostkapelle, zijn hand op het hoofd van zijn zwangere eerste vrouw. Een 'moetje'. Dat het niets zou worden met dat huwelijk stond al vast op de huwelijksdag van haar jongste zus. Het echtpaar, allebei daags ervoor naar de kapper geweest, staat er bedremmeld bij, stijf in jacquet en avondjurk. Er is geen andere foto waarop Wolkers zo weinig op zichzelf lijkt.

En dan al die foto's met Karina - serene glimlach, ironische wenkbrauwbogen: zonder twijfel de laatste en definitieve vrouw, want het zijn foto's waarop Wolkers er gelukkig uitziet. Na hun verhuizing naar Texel en de geboorte van de tweeling Bob en Tom - de eerste lijkt sprekend op hem, de tweede op haar - schreef Wolkers nog maar één roman: De onverbiddelijke tijd (1984). De gedrevenheid is voorbij. De destructieve passie en de sterke doodsdrift waaruit zijn romans waren ontstaan, hebben geen voedingsbodem meer.

Wolkers wijdt zich met des te meer overgave aan de schilderkunst, grote poëtische doeken in pasteltinten. De beelden die hij maakt, sierlijke plastieken van glas, zijn in tegenstelling tot het dramatische, gezwollen proza uit de jaren zeventig en tachtig, ijl, sober en evenwichtig.

De afgelopen vijftien jaar is het proza van Wolkers vooral gelegenheidswerk: openingstoespraken bij exposities, symposia en jubilea, essays in NRC Handelsblad. Deze week verschijnt de vierde bundel met zulke stukken: Wolkers in Wolkersdorf.

De titel - Wolkersdorf is een godverlaten dorpje in Oostenrijk - is goed gekozen, want Wolkers is in deze essays helemaal in zijn eigen Wolkersdorf. Zijn wereld van dingen die het leven de moeite waard maken: schilderijen, gedichten, kikkers.

Even vanzelfsprekend duiken de mensen weer op die zo'n grote indruk maakten dat ze in een verhaal of roman terechtkwamen: het 'schrepel vrouwmens' Marie van der Tang, een patiënte uit het gekkengesticht Endegeest in zijn geboorteplaats Oegstgeest. Zij woonde een tijdje in huis bij de familie Wolkers - 'uit financiële noodzaak en christenplicht, geen ongewone combinatie bij lieden die de leer van Calvijn aanhingen' - en inspireerde de schrijver tot een van zijn aangrijpendste verhalen, 'Gezinsverpleging', uit de bundel Serpentina's petticoat.

En daar is ook weer de arme Herman de Voogd, de Spin uit Kort Amerikaans, zijn enige medeleerling op de Leidse Schilderacademie, NSB'er, schilder van geëxalteerde stillevens en geëindigd in het gekkenhuis.

Luid orerend leidt Wolkers zijn lezers, zijn leerlingen, rond door het landschap van zijn geest, en plukt voorbeelden uit een overvloed. Voor elke situatie heeft hij passende dichtregels paraat, van Nijhoff, Achterberg, Slauerhoff, Keats of Shakespeare. Toonders Terpen Tijn mag meedoen naast de begenadigde landschapsschilder Barend Cornelis Koekoek. De 'door anabole steroïden opgepompte' Jezus van Michelangelo wordt vergeleken met die van Joop Klepzeiker ('Jezus Christus!' roept een voetballer die de bal in de vijver schiet, waarop medespeler Jezus goedmoedig zegt: 'Ik gaat al!').

In het stuk over zijn fascinatie voor kikkers treedt zijn vader op, die ooit over de kikkerplaag in Egypte grapte: 'Dat zou voor Jan geen plaag zijn.' Het essay is eigenlijk een mooi kort verhaal, over een jongen die net na het uitbreken van de oorlog iets belangrijkers aan zijn hoofd heeft: met het geld dat hij had verdiend met koper poetsen, zou hij een paartje boomkikkers gaan kopen: 'Het was net of ik het groen, dat ik met Brasso van het metaal had gepoetst, weer in huis ging halen in kikkervorm.'

Af en toe schmiert de verteller wel heel nadrukkelijk, in zijn poging het jonge publiek te behagen. Zoals in zijn beschrijving van de gekken van Oegstgeest, 'kaalgeschoren tot op het bot zodat ze van een criminele uitstraling verzekerd waren want betaald voetbal had men toen nog niet', of, over de figuren van achttiende-eeuwse schilders, die 'zo onatmosferisch kleurig in de kleren zitten dat het lijkt of ze twee eeuwen te vroeg in pitbullsmoking erop uit getrokken zijn'.

Maar in alle stukken overheerst de liefde voor de dingen die argeloos mooi zijn, onvolkomen of veronachtzaamd, en liefst alledrie. Wolkersdorf is niet groot, maar het is er heel goed uit te houden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden