Een geboren voyeur ziet zichzelf

VOOR HET beoordelen van het niveau van literatuur is het van geen belang of het daarin beschrevene echt gebeurd is....

Op 15 januari werd Springer 70 jaar, bij welke gelegenheid Allemaal gelogen verscheen, een keuze uit de verhalen, columns, gedichten en voordrachten die hij niet eerder in een eigen boek heeft gepubliceerd. Het is een reis die de periode 1958-'98 bestrijkt en voert langs verschillende genres en ook landen, want als de diplomaat Schneider is hij in Nieuw-Guinea, Teheran, Thailand, Angola, Bangladesh, New York en Oost-Berlijn gestationeerd geweest. Een leven vol verplaatsingen, die al vóór deze carrière inzetten: hij werd in 1932 geboren in Batavia, kwam via jappenkampen naar Den Haag en ging na de oorlog rechten studeren in Leiden.

Veel gereisd, veel meegemaakt. Geen wonder dus dat Springer altijd genoeg te vertellen heeft gehad. Maar wél een wonder dat het zulke goede literatuur heeft opgeleverd, want over het gehalte daarvan beslissen andere factoren dan de bereisdheid van de schrijver. Zo moet hij niet alleen kunnen kijken, maar vooral ook kunnen zíen, en het vervolgens onvervreemdbaar weten op te schrijven.

Dáárover had ik Springer in het interview van Liesbeth Dolk dat voorin in de bundel is opgenomen, weleens willen horen. Nu er van een zinnige toelichting nauwelijks sprake is, moeten we het doen met het demonstratiemateriaal zelf, dat in sommige gevallen (dagboeknotities, reisimpressies) niet veel meer is dan een geheugensteun en de bouwstof waarop Springers bekende romans en verhalen zijn gebaseerd. Zoveel wordt wel duidelijk: alles in de fictie van zijn Verzameld Werk, dat twee maanden geleden verscheen, stoelt op de realiteit. Zonder Schneider was er geen Springer. Maar wat cruciaal is: zonder literair talent had Schneider hoog of laag kunnen springen, maar geen markante plaats in de Nederlandse letteren veroverd.

Wat dat kijken betreft: hoe frappant dat de eerste alinea uit het vroegste verhaal, 'Een eskimo op het dak', als volgt luidt: ' ''Kijk'', zei ik tegen Goldie. ''Met de kijker kun je iedereen op het strand goed zien hiervandaan. Heb je hem goed ingesteld? Nou mikken op het zwembad. Leuk, hè? Je ziet de gekste types op het strand.'' '

In 1958 had Springer zijn toon al te pakken, te omschrijven als een soort stoere gevoeligheid. Vier tieners zitten op het dak van een flat aan de Scheveningse kust. Twee ontdekken dat ze elkaar leuk vinden, Goldie en de verteller Rudy. De andere jongen, Beer, doet zijn uiterste best voor het andere meisje, het ijskonijn Marijke, maar dat loopt binnen vijftien pagina's uit op een tragedie. Hier is die Springer-toon: 'Beer trommelde met zijn vingers op zijn borst. Hij had een brede, donkerbruine borst. Je kon aan Beer zien dat hij goed van de warme zomer gebruikmaakte. Je zou het volgende week ook op zijn overgangsrapport kunnen lezen. Hij zou wel blijven zitten, Beer.'

Hoe frappant voorts dat het tweede verhaal, 'Portret van een likker', wordt verteld door een student die met een kompaan in de vensterbank zit van diens Leidse kamer, terwijl ze hun ogen gericht houden op de meisjes die onbereikbaar ver beneden voorbij paraderen.

Kijken naar mensen, er niet permanent tússen zitten, dat is de favoriete positie die Springers hoofdpersonen innemen. Je zou dat, woordspelig, maar niet louter lollig bedoeld, een diplomatieke houding kunnen noemen. Van daaruit kan Springer zijn personages observeren, feilloos in staat opsnijders te onderscheiden van ploeteraars - en daarbinnen weer onderscheid te maken tussen ontroerende en kille types.

Een geboren voyeur. In de columns uit deze bundel laat Springer geamuseerd zien hoe het mis kan gaan als hij zich een vlaag van stoutmoedigheid toestaat (en op een diplomatieke receptie toestapt op een Duitse diva, om haar te begroeten met de bij Hans Erich Nossack gelezen begroeting 'Mit Ihnen lohnt es sich zu sterben'), zoals de berusting waarmee hij terugdenkt aan zijn mislukte ontmoeting met de oude André Malraux, in 1973 te Bangladesh, ook boekdelen spreekt.

Deze ontboezemingen lijken opmaten tot het tweede zwaartepunt na 'Een eskimo op het dak', getiteld 'Een glimlach in september'. Op het oog een afstandelijk en komisch dagboekverslag van een hopeloze visite aan het eiland Sao Tomé in de Golf van Guinea. Daar moet de schrijver zich als ambassadeur van Holland komen melden, maar voorlopig wordt hij in een hotel op een berg ondergebracht. Daar zit hij dan te wachten, in de nevel: 'De lichten in het hotel gingen om half zes aan, maar meteen weer uit. Bijna vierentwintig uur was ik nu op dit eiland en ik had niets meer gezien dan nevel, insecten rond de lamp en in de soep, en zes Bulgaren.'

Vier dagen na aankomst op Sao Tomé wordt de ambassadeur, die de verveling met zijn laconieke instelling wel denkt aan te kunnen, plotseling getrakteerd op een geestverschijning. In zijn hotelkamer heeft hij zich uitgekleed om te gaan douchen, als hij in de gaten krijgt dat hij niet alleen is: 'In de kamer zat iemand, met zijn rug naar mij toe. (. . .) Langzaam tilde hij zijn hoofd op. Hij keek mij aan in de spiegels en glimlachte. Ik was het zelf.'

Hij huivert, want het is alsof de dood zich aankondigt. Het vertrek van het eiland, een paar dagen later, betekent zoveel als een ontsnapping. En nu is het mooie: deze confrontatie van een voyeur die zichzelf ziet en weerloos is (fraai gesymboliseerd door de naaktheid van de verteller, staande tegenover zijn geklede en zittende evenbeeld), heeft Springer opgenomen in een verhaal dat voor het overige losjes humoristisch is, en dat het ook goed zou doen als sterk verhaal op diplomatenfeestjes: 'Kennen jullie die al van wat ik heb meegemaakt op Sao Tomé?'

Lezenswaard zijn de opstellen die hij wijdt aan twee van zijn favoriete schrijvers, Guy de Maupassant en Scott Fitzgerald. Reisverslag, herinnering aan de eerste kennismaking met hun boeken, en verhaal (in beide gevallen tevens een hommage aan de verteltrant van de bewonderden) worden door Springer mooi ineengevlochten. Opvallend is dat hij beiden roemt om hun 'compacte' stijl: daar heeft hij zelf merkbaar zijn voordeel mee gedaan.

De grote verrassing is de novelle 'Bangkok, een elegie', voltooid in 1996 en hier voor het eerst gepubliceerd. Opnieuw een reisverslag: Springer en zijn vrouw Joky (Juultje) gingen in 1990 weer eens kijken in Bangkok, waar ze in 1966 een gelukkige tijd hebben gehad. Een bizarre anekdote van lang geleden, toen de diplomaat nog een huwelijk heeft voltrokken tussen een sneu Hollands zakenmannetje en een schrikbarend veel oudere Australische (die elkaar via een bemiddelingsbureau hadden leren kennen), krijgt een tragikomische ontknoping. Schitterend om te zien hoe dit stuk verandert van een doorsnee nostalgisch verslag in een hartverscheurend verhaal.

Springer voert de spanning op door middel van ware dialoogkunst: ogenschijnlijk vangt hij alleen maar uitspraken op, maar in feite bereiden die uitgeschreven gesprekjes en ontmoetingen een hoogst dramatische climax voor. De schrijver doet of hij het verhaal slechts in de schoot geworpen krijgt. In werkelijkheid is hij een nauwgezet arrangeur, die weet wat uitstellen is, en ons onderweg zo dikwijls laat grinniken, dat de gong van de dood aan het eind precies het juiste schrikeffect sorteert.

Laat Springer nog een lang naleven van dergelijk voorbeeldig omliegen vergund zijn, zodat dit postscriptum bij het Verzameld Werk niet het einde van een oeuvre inhoudt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden