Een geboren overlever in de blues

John Lee Hooker, die donderdag overleed, maakte oerblues, teruggebracht tot de naakte essentie, altijd doordrenkt van diepe emotie. Hij paste zich aan de tijdgeest aan, maar volgde toch zijn eigen weg....

SOMS IS ER dan toch gerechtigheid, zelfs voor een bluesmuzikant. De meesten worden links en rechts bestolen en gaan te vroeg dood. John Lee Hooker leefde lang genoeg om de vruchten te plukken van zijn grote bijdrage aan de populaire muziek van de twintigste eeuw, en hij kon zelfs nog genieten van een tweede jeugd.

De bronnen spreken elkaar tegen, maar het lijkt het waarschijnlijkst dat Hooker in 1917 geboren is. In elk geval was het in Clarksdale, Mississippi, in het diepe Zuiden waar de blues vandaan komt. Net als veel tijdgenoten trok hij noordwaarts, om in de grote steden zijn akoestische plattelandsmuziek elektrisch te gaan versterken en zo de basis te leggen voor de moderne blues, R & B en rock & roll.

Hooker kwam uiteindelijk in Detroit terecht, waar hij in 1948 zijn eerste plaat maakte: Boogie Chillen. Het was een opname zoals hij er nog talloze zou maken: in zijn eentje, stampend op de vloer, de snijdende staccato-figuren van zijn elektrische gitaar bijna verdrinkend in een zware galm, en met diepe overtuiging in zijn stem, een gruizige bariton die uit de kelder leek te komen.

Er volgden nog vele hits, tot ver in de jaren '50: zompige boogie's als Boom Boom en Dimples, de broeierige erotiek van I'm in the mood, en bijna beangstigend intense, langzame verkenningen in de diepste krochten van de ziel: Serves me right to suffer en Crawling King Snake. Het was oerblues, teruggebracht tot de naakte essentie, geregeld doordenderend of schuifelend op één akkoord, met hypnotiserend effect, en altijd doordrenkt van diepe emotie, alles in dienst van een volkomen geloofwaardig verhaal.

Ondanks al die successen zorgde het boekhoudsysteem van zijn platenmaatschappijen ervoor dat Hooker er weinig wijzer van werd. Van Boogie Chillen werden een miljoen exemplaren verkocht, de maker kreeg een fooi. Hookers reactie hierop was typerend voor zijn laconieke en zakelijke natuur: hij ging gewoon voor een enorm aantal andere labels opnemen, onder een hele rij vaak amusante pseudoniemen: Delta John, Birmingham Sam and his Magic Guitar, Little Pork Chops. Als gevolg hiervan is zijn discografie een duizelingwekkend labyrint, maar Modern, Vee Jay en Chess brachten de meeste hoogtepunten uit.

Toen de blanke jeugd begin jaren '60 de blues ontdekte, toonde John Lee weer dat hij een geboren overlever was: het publiek wilde 'pure' klanken, dus ging hij optreden met een akoestische gitaar, en platen maken met 'folk' in de titel. Zijn verschijning op Europese festivals maakte hem tot een peetvader van de Britse blues: de Rolling Stones, de Yardbirds, Them, de Spencer Davis Group, allemaal namen ze songs van hem op. Hooker zag ook wel wat in die rockmuziek, wat in 1970 leidde tot de succesvolle lp Hooker 'n' Heat.

Intussen bleef hij gewoon doen wat hij altijd al deed, ook toen het in de jaren '80 weer wat minder ging. En hij was ook onverstoorbaar zichzelf toen de producer hem in 1989 voor The Healer koppelde aan allerlei rocksterren: Bonnie Raitt, Los Lobos en Carlos Santana. Het werd een wereldhit, net als de opvolgers Mr Lucky en Boom Boom. Op de soundtrack van The Hot Spot uit 1990 paste Miles Davis zich aan zijn gekreun en geneurie aan, dit keer waren er zelfs geen woorden nodig om te overtuigen. Zijn laatste plaat, Don't Look Back, stamt uit 1997; daarna kwam de welverdiende rust - in meerdere riante huizen, met een collectie luxe-auto's.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden