Een gat in de piano trappen George Handy's cocktail van humor en woede

Onder vakgenoten in de jaren veertig gold George Handy als een van de origineelste geesten in het big band-repertoire. In eigengereide, hilarische composities putte Handy gretig uit de jazztraditie, maar ook uit de moderne klassieke muziek van Stravinsky en Bartók....

VAN DICHTBIJ het genie in werking zien, en zelfs nauw met hem samenwerken, zonder een moment door te hebben dat je in uitzonderlijk gezelschap verkeert. Voor sommige muzikanten zou het stof voor jaren opleveren: verhalen vol onbegrip en spijt over die gemiste buitenkans.

Maar George Handy haalt er alleen maar zijn schouders over op. Kan hij het helpen dat Charlie Parker, met wie hij in 1946 in Californië in de studio stond, niet veel later tot het grootste genie van de jazzmuziek werd uitgeroepen? 'Wie had er toen door dat je je volledige aandacht moest schenken aan àlles wat die vogel deed? Didn't know, just didn't know.' Handy sprak die woorden zo'n veertig jaar na dato, in een lang gesprek met een jazzonderzoeker die de ups en downs van Handy's muzikale leven eens grondig in kaart wilde brengen.

We mogen de onderzoeker in kwestie dankbaar zijn, want Handy's carrière houdt niet op bij zijn vluchtige kennismaking met Parker. Ze is vervlochten met de turbulente beginjaren van een even boeiend als onderbelicht genre in de jazzgeschiedenis, de 'progressieve' big bands van direct na de oorlog, die jazzmuziek gehaaid combineerden met ontleningen aan Bartók, Stravinsky en andere twintigste-eeuwse componisten.

De bijdrage van George Handy (Brooklyn, 1920) aan die ontwikkeling - vastgelegd in een reeks uitbundige, vaak hilarische arrangementen - geniet maar in kleine kring bekendheid. Dat het interview nooit is gepubliceerd past geheel in de lijn van de Handy-biografie, die na een briljante opmaat voornamelijk uit stilte lijkt te bestaan - het gevolg van een zich achttien jaar voortslepende, hem materieel en creatief slopende heroïneverslaving.

Gelukkig zijn Handy's herinneringen wel bewaard gebleven. Een transcriptie van het interview kan worden opgevraagd bij de rijk gesorteerde jazzafdeling van Rutgers University in Newark, New Jersey, waar nog zoveel onbekende jazzverhalen liggen te sluimeren.

Zelf heeft George Handy inmiddels niet heel veel meer te vertellen. Hij leeft teruggetrokken in een dorp op een paar uur rijden van New York City; een kromgegroeide, broze man, die lijdt aan 'allerlei ingewikkelde ziektes', zoals de Nederlandse hoboïst Werner Herbers het formuleert. Herbers zocht contact met de sinds lang van de podia verdwenen componist, omdat hij na de succesvolle reconstructies van big-bandcomposities van Robert Graettinger (Holland Festival 1993) nu met zijn Ebony Band een soortgelijk programma rondom het werk van Handy wilde samenstellen.

Na een lange zoektocht slaagde Herbers erin de verloren gewaande componist te traceren. Hij zocht de 76-jarige begin dit jaar op, in de hoop in diens privé-archief de partituren van zelden meer gespeelde composities als Dalvatore Sally en Tonsilectomy te vinden.

Wat dat deel van de reis betreft werd het bezoek een deceptie. George Handy betoonde zich zeer vereerd met zijn gast. Maar in zijn verwaarloosde en danig vervuilde werkkamer wist de componist ook na omstandig zoeken - en een voorafgaand uurtje stofzuigen door de al even broze Mrs. Handy - alleen wat doorsnee arrangementjes van recenter datum op te diepen.

De teleurstellende oogst werd wat Herbers betreft evenwel ruimschoots gecompenseerd door Handy's kernachtige en kleurrijke conversatie. Ondanks zijn beroerde conditie getuigde die nog van dezelfde eigengereide geest die uit Handy's beste opnamen spreekt. Zijn gevoel voor humor bleek ook intact, zoals Herbers merkte toen hij met zijn auto wegzakte in Handy's modderige voortuin. Na veel duw-en trekwerk, belangstellend vanaf de veranda door Handy gevolgd, spoedde hij zich uiteindelijk met modderige broekspijpen naar zijn volgende afspraak. 'You can tell them it was Handy's mud', riep de componist hem bemoedigend na.

Herbers' verslag van deze in zijn woorden 'indrukwekkende' ontmoeting laat zich samen met Handy's eigen memoires en een handvol passages uit de handboeken bijeenvoegen tot een provisorisch biografietje; het wrange verhaal van een vrijgevochten, vroeg vergooid talent.

George Joseph Hendleman (Handy is zijn muzikantennaam) is geen man die zijn herinneringen koestert, en al helemaal niet die aan zijn jeugd. Hendleman senior is neus-, keel- en oorarts en heeft een drukke operatiepraktijk. Handy ruikt vele jaren later nog de etherlucht waarvan het huis was doortrokken. Zijn neurotische moeder speelt elke dag urenlang piano ('she trained as if she had a concert every day'), verklaart haar zoon voortijdig tot genie en legt hem een streng regime van toonladders en etudes op.

Op een kwade dag barst de bom: George trapt een gat in de piano, vertelt zijn vader dat hij geen medicijnen gaat studeren, en verlaat het huis. Hij meldt zich aan bij de Juilliard School of Music, volgt weinig succesvolle privélessen bij de componist Aaron Copland ('I was just part of his income, that's all he could see when he looked at me'), om dan plotseling als twintigjarige pianist in het orkest van Raymond Scott te belanden. Handy is er zoveel jaar later nog trots op: 'That's the top of the world - if you're in a name band you've reached it.'

Scotts problematische karakter bevalt hem ('Raymond was a very weird guy. I got along with him perfectly'), en diens onorthodoxe, speelse, maar ook gedisciplineerde composities spreken hem evenzeer aan. Het zijn kenmerken die vanaf 1945 Handy's eigen werk onderscheiden, als hij in New York debuteert als arrangeur in de big band van Boyd Raeburn. Voor dit orkest zal hij op één uitzondering na zijn belangrijkste stukken schrijven, vastgelegd op programmatisch getitelde platen als Boyd Meets Stravinsky.

De Raeburn-band stond in hoog aanzien onder collega-muzikanten. De band was een broedplaats voor jonge beboppers, en werkte met avontuurlijke arrangeurs die vertrouwd waren met Ellington en Basie, maar ook een open oor hadden voor Debussy en twaalftoons-muziek. In dat elite-gezelschap voegde de jonge Handy zich met composities als Rip van Winkle, Tonsilectomy en Yerxa, en wilde arrangementen van Body and Soul, Summertime en andere standards.

Swingende combinaties van verschillende maatsoorten, bizarre stijlwisselingen, 'foute' noten en cartooneske contrasten zijn Handy's handelsmerk. Zelf typeert hij zijn stijl als humorous and angry - een kruidige cocktail van humor en woede. Dat dit laatste ingrediënt direct aan zijn jeugd ontleend is verduidelijkt Tonsilectomy (amandeloperatie). Handy schreef dit stuk als een sardonisch eerbetoon aan zijn ouderlijk huis: 'I wanted to show my father that he was a part of my thoughts in music, somewhere.'

In 1946 verlaat Handy de Raeburn-band, na een ruzie over geld. Hij vertrekt naar de Westkust, om te gaan werken voor de Paramount Studio's in Los Angeles. Het wordt geen groot succes ('lousy music for lousy films'), net zo min als de onder zijn supervisie plaatsvindende studio-opname met Charlie Parker. De chaotisch verlopen sessie levert slechts één stuk op, Diggin' Diz, waarop Handy zich laat horen als een handige, maar enigszins stijve bebop-pianist.

Handy's kwaliteiten liggen elders. Jazz-promotor Norman Granz vraagt Handy in oktober 1946 voor zijn prestigieuze The Jazz Scene-project, een luxueus vormgegeven album met twaalf 78-toeren platen (heruitgegeven op een Verve-dubbel-cd) waarop Granz de muzikanten volledig de vrije hand geeft. Voor Granz schrijft Handy het stuk The Bloos: een ironische bespiegeling over de blues, in een big band-bezetting met hobo, fagotten, strijkers en extra slagwerk. In een grillig betoog hekelt Handy de clichématige omgang met het twaalfmatige bluesschema - misschien niet geslepen genoeg voor de huidige luisteraar, maar kennelijk schokkend genoeg voor zijn tijd. 'A brilliantly sustained job of satire, and one that was badly needed', schrijft Down Beat in 1950.

Handy begint naam te maken. Stan Kenton vraagt hem een stuk voor zijn orkest te componeren, maar het werk komt nooit af. In Los Angeles heeft Handy met heroïne kennisgemaakt, in als hij in 1947 terugkeert naar New York is er nog maar weinig anders dat hem interesseert. In de daaropvolgende jaren maakt hij nog wat platen onder eigen naam (By George!, Handyland USA) en met Zoot Sims, hij voltooit een pianosonate en enkele saxofoonkwartetten, maar veel eer legt hij er niet mee in. Handy verdwijnt in een privé-duisternis. Pas als Werner Herbers drie decennia later bij hem aan de bel trekt begint het jazzverleden weer te spreken. De partituren zijn zoek, maar geen nood: de partijen kunnen ook van de orginele Raeburn-platen worden getranscribeerd, oordeelt Herbers.

De belofte wordt waargemaakt dank zij het scherpe oor van een vakman in New York, die waanzinnige riedels en quasi-clusters in speelbaar notenschrift vertaalt. Mede dank zij deze transcriptie-virtuoos beleven Tonsilectomy, Dalvatore Sally en The Bloos zaterdag hun Europese podium-première, een halve eeuw na hun ontstaan. De componist weet niet wat hem overkomt: 'Werner, you made me come alive again. I thought I was dead.'

In de Amsterdamse Van Breestraat werd kortgeleden een pakje bezorgd. De componist had enige tijd na Herbers' bezoek een glimmende knoop op de vloermat gevonden, en retourneerde hem aan de vermoedelijke eigenaar. Zonde om zo maar weg te gooien.

Holland Festival: werken van George Handy, Claude Thornhill en Robert Graettinger door de Ebony Band o.l.v. Werner Herbers. Paradiso, Amsterdam, 15 juni.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden