Een fatsoenlijke landmijn geeft zichzelf over

Een paar maal per dag raken in voormalige oorlogsgebieden mensen verminkt doordat ze op een oude landmijn stappen. Opruimen, zo blijkt, is dweilen met de kraan open....

'Ze moeten gewoon verboden worden. Zelfs al zal er vanaf nu geen enkele landmijn meer worden gelegd, dan nog kan ik tot mijn pensioen aan het ruimen blijven.' Adjudant R. Frickel van de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) van de Koninklijke Landmacht wordt er moedeloos van. En ook wat somber over het vernuft waarmee steeds nieuwe mijnen worden bedacht die mensen moeten uitschakelen.

Ook de Nederlandse regering heeft steeds meer moeite met het gebruik van landmijnen. Het liefst zag ze ze van de aardbodem verdwijnen, maar zover is het nog lang niet. Wel wil Nederland helpen door het opzetten van een onderzoeksprogramma om het detecteren en onschadelijk maken van mijnen te verbeteren en door zich sterk te maken voor afschaffing van landmijnen. Deze week vergaderde een aantal voorlopers, waaronder Nederland, in Wenen en woensdag zal de regering haar landmijnen-beleid bespreken met de Tweede Kamer.

In de trainingsruimte van de EOD in Culemborg nemen de landmijnen gericht tegen tanks, pantservoertuigen en mensen een aparte plaats in. Het type tegen mensen heet anti-personeel-, of AP-mijn. 'Alle wapens zijn bedoeld om te doden, behalve de anti-personeelmijn', zegt Frickel cynisch. 'Die moet vooral verwondigen aanrichten. Want men heeft bedacht dat een gewonde soldaat veel demotiverender op z'n maten werkt dan een dode soldaat. Bovendien doet hij een groter beroep op de organisatie van de vijand, omdat hij moet worden verzorgd.'

Maar als de soldaten weg zijn, blijven de mijnen en zijn de burgers aan de beurt. Frickel opent vitrines en toont mijnen ter grootte van een inktpotje die net genoeg springstof bevatten om een voet af te rukken, vlindervormige stukjes plastic die uit vliegtuigen gestrooid worden en bij het oppakken een hand of een kinderarm afrukken, houten kistjes met springstof die als je erop trapt uitelkaar klappen, stalen conservenblikken die bij aanraking tot borsthoogte de lucht in springen en vervolgens metalen scherven in het rond sproeien, plastic doosjes die. . .

Je kunt het zo gek niet bedenken. Wie via Internet op de webpagina van het Amerikaanse Humanitarian Demining Project het woord 'anti-personeelmijn' intypt, krijgt een lijst met beschrijvingen en tekeningen van bijna driehonderd verschillende typen. En dat is lang niet alles; het aantal wordt geschat op ruim vijfhonderd.

Het twijfelachtige succes van de landmijn komt vooral door zijn eenvoud en zijn lage prijs. Ze zijn al te koop voor enkele guldens per stuk. Het opruimen ervan kost echter het honderdvoudige. In de eenvoudigste vorm bestaat een anti-personeelmijn uit een (plastic) doosje met een stukje springstof van enkele tientallen grammen. Een slagpennetje met een ontstekingsmechanisme doet de springstof detoneren. Er zijn tientallen manieren om het slagpennetje in beweging te brengen. Door druk (erop stappen), aanraken, een struikeldraad, geluid, trillingen, beweging of een verstoring van het magnetisch veld (door metaal).

Frickel: 'Dan kom je in Bosnië opeens een mijn tegen die je nog nooit hebt gezien en naar later blijkt ook niemand anders. Is het een Joegoslavisch product, van een fabriek die niet van plan is je de specificaties ervan te geven.' Overigens kloppen de specialisten ook tevergeefs bij China, Rusland en zelfs Italië aan voor informatie over daar geproduceerde mijnen.

Volgens onderzoeksrapporten hebben 64 landen een landmijnenprobleem dat de bevolking bedreigt. In sommige, zoals Egypte, stammen ze nog uit de tankslagen van de Tweede Wereldoorlog, in andere streken als Cambodja, Angola, Koeweit, Irak, Rwanda en Bosnië zijn ze van recenter datum. Soms dienden ze een militair conflict tussen staten. Veel vaker werden ze gebruikt in burgeroorlogen en werden ze ingezet om bevolkingsgroepen te verdrijven.

Naar schatting liggen er nog 110 miljoen mijnen in bosjes en struiken, onder grasvelden en kiezelpaden, in rijstvelden en bouwland. Ze wachten op een voet of hand van een onfortuinlijke voorbijganger. Zo'n dertigduizend keer per jaar is het raak; elk uur drie keer. En er liggen nog eens 110 miljoen landmijnen opgeslagen in militaire depots.

De activiteiten van mijnopruimingsploegen als die van adjudant Frickel, die de plaatselijke bevolking trainen, zijn slechts een druppel op een gloeiende plaat. Dat komt doordat het detecteren en ruimen van landmijnen zo langzaam gaat dat wereldwijd jaarlijks slechts honderdduizend landmijnen onschadelijk kunnen worden gemaakt. Dat is dweilen met de kraan open doordat elk jaar tien keer zoveel nieuwe mijnen worden gelegd als kunnen worden opgeruimd.

Het grootste probleem is dat veel landmijnen geen of nauwelijks metalen delen bevatten. Zulke volledig plastic mijnen zijn niet op te sporen met een metaaldetector. Niemand weet meer waar ze liggen. Of beter - zoals het internationale Rode Kruis op een affiche meldt boven een foto van een paar kinderen met provisorische arm- en beenprothesen: 'De militairen weten niet waar de mijnen liggen, maar zij wel'

'Op dit moment is de enige betrouwbare manier om een veld dat van mijnen wordt verdacht, met een stokje centimeter voor centimeter af te tasten en gebruik te maken van een metaaldetector', zegt adjudant Frickel. 'Maar als er in een gebied ook een granaat is ontploft, of er liggen andere metaaldelen, heb je weinig aan zo'n detector omdat hij dan voortdurend afgaat.'

Wereldwijd wordt daarom naarstig gespeurd naar technieken om gebieden snel en efficiënt - met meer dan 99 procent betrouwbaarheid - uit te kammen op mijnen. Er zijn de 'grof-geweld-technieken' waarbij een verdacht veld met een pantserwagen met een zware metalen cilinder, een rol met kettingen, een schuiver of met springstof wordt bewerkt. Mijnen ontploffen dan of worden aan de kant geschoven. Maar niemand kan garanderen dat alle mijnen geruimd zijn.

Er zijn ook subtielere manieren. Zo wordt geprobeerd de geur van springstof met honden of met chemische receptoren of biosensoren op te vangen. Of de opruimploegen tasten de bodem af met infrarode straling, grondpenetrerende radar, inductiespoelen, radiogolven of neutronenstraling.

Andere onderzoekslijnen behelzen een verbetering van het voelstokje waarmee nu naar mijnen wordt geprikt wordt. Zo zijn er in de Verenigde Staten aparaten bedacht met wel vijftig prikstokjes naast elkaar, die op basis van de weerstand die ze ondervinden kunnen onderscheiden of ze op een stuk steen, metaal, hout of plastic gestuit zijn. Maar nog geen enkele techniek is zo zeker als het prikstokje.

Al jarenlang vragen organisaties als het Internationale Rode Kruis en Pax Christi aandacht voor het probleem van the hidden killers. Want mijnen verwonden niet alleen burgers nog vele jaren nadat ze zijn neergelegd, hun uitwerking drukt ook zwaar op de vaak schaarse medische zorg en verlamt de lokale economie doordat cultuurland en woongebieden onbegaanbaar zijn.

Daarom heeft minister Voorhoeve van Defensie samen met zijn collega Pronk van Ontwikkelingssamenwerking het initiatief genomen tot een Nederlands onderzoeksprogramma 'Humanitair Ontmijnen-2000 (HOM-2000)'. Elk heeft drieëneenhalf miljoen gulden ter beschikking gesteld voor het ontwikkelen van een systeem dat wellicht niet dé oplossing is, maar wel al bruikbaar is in het jaar 2000. Onderzoekers van TNO worden daarbij ingeschakeld, maar ook universiteiten en bedrijven.

'Het zal duidelijk zijn dat je het voorlopig niet van één techniek afzonderlijk moet hebben', zegt ing. N. de Bruyn Prince van de Directie Materieel van de Koninklijke Landmacht en coördinator van het onderzoek in het kader van HOM-2000. 'Misschien dat in de toekomst zo'n techniek uitkomst kan bieden, maar voor resultaten op korte termijn denken we eerder aan een combinatie van verschillende detectietechnieken.'

Zij denkt aan een voertuig dat in één keer een scan kan maken met zowel een metaaldetector om metalen waar te nemen als een grondpenetrerende radar voor de vorm en met infrarood sensoren voor temperatuurgedrag. Een analyseprogramma moet vervolgens op basis van die drie gegevens uitsluitsel geven of er een stuk steen, een patroonhuls of inderdaad een mijn in de grond verstopt zit.

'Het is vooral de verdienste van niet-gouvernementele organisaties geweest dat de landmijnen nu ook op de politieke agenda terecht zijn gekomen', zegt drs. W. Bargerbos, beleidsmedewerker op het ministerie van Defensie. Op de toetsingsconferentie van het Conventionele Wapenverdrag in Genève in mei vorig jaar is afgesproken om het gebruik van niet op te sporen anti-personeelmijnen te verbieden. Ook mogen deze niet worden gebruikt buiten omheinde, gemarkeerde en bewaakte mijnenvelden, tenzij ze zijn voorzien van een mechanisme dat de mijn binnen dertig dagen vernietigt en een mechanisme dat de mijn na maximaal 120 dagen deactiveert, mocht de zelfvernietiging hebben gefaald.

Een aantal typen anti-tankmijnen heeft al een dergelijk mechanisme. Een klok die ingesteld kan worden of een batterij die langzaam leegloopt en de mijn deactiveert als de spanning onder een bepaald niveau zakt. Mijnenopruimers zitten niet te springen om mijnen die gedeactiveerd zijn. Want hoe weet je zeker of een mijn die je aantreft inderdaad onschadelijk is gemaakt?

Bij sommige anti-tankmijnen springt er bij deactivatie een metalen veer met een soort vlaggetje naar buiten: hier ben ik, ik ben onschadelijk. Maar voor kleine anti-personeelmijnen zijn zulke mechanismen duur en ingewikkeld. Zelfs zelfvernietiging is voor Frickel geen optie. 'Dan exploderen er in een veld allerlei mijnen en twee dagen later nog een paar. Vervolgens gebeurt er twee weken lang niets. Zijn er dan geen mijnen meer? Ik zou het veld niet in durven gaan.'

De internationale afspraken die nu zijn gemaakt, gaan de Nederlandse regering niet ver genoeg, zegt Bargerbos. 'Je kunt je afvragen of je een wapen dat zich zo gemakkelijk leent voor misbruik en dat zo persistent is, soms vele tientallen jaren, nog wel met goed fatsoen kunt gebruiken en verhandelen.'

Vandaar dat een aantal landen, waaronder Canada, Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland, Noorwegen, België en Nederland verder gaat en de anti-personeelmijn geheel heeft afgeschaft en een exportverbod voor anti-personeelmijnen heeft uitgevaardigd. Nederland zal daarom de komende paar jaar 350 duizend anti-personeelmijnen en 90 duizend anti-tankmijnen vernietigen. Een beperkt aantal mijnen wordt behouden voor onderzoek- en trainingsdoeleinden.

Helaas is een aantal grote exporteurs van AP-mijnen, zoals China en Rusland, nog niet zo ver. Ook NAVO-landen als Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten menen dat voor een aantal gevechtssituaties anti-personeelmijnen onmisbaar zijn. De komende maanden zal de Nederlandse regering proberen ook die landen over de streep te krijgen. Maar de te volgen strategie daarvoor - via de Verenigde Naties of via een verdrag van gelijkgezinde landen - is nog niet duidelijk.

Maarten Evenblij

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden