Een fatsoenlijke kletskous

OOK OP EEN gekostumeerd bal ging Harry graaf Kessler, 'de kroniekschrijver van de Weimarrepubliek', nog onberispelijk en elegant gekleed, in rode frak met witte escarpins - 'het oude tenue bij onze hofjachtbanketten in het jachtslot Grunewald tijdens het keizerrijk', schreef hij op dinsdag 26 mei 1925 in zijn dagboek....

Zijn vriend George Grosz noemde hem 'de laatste grote gentleman'. Kessler was een kosmopoliet en een kroongetuige van zijn tijd, dat lees je in zijn dagboeken: Berlijn, 9 november 1918, 'de keizer heeft afstand gedaan van de troon'; Warschau, 29 november 1918, 'vanmorgen vroeg hangt op de reclamezuilen een groot aanplakbiljet Te wapen, dat oproept tot een oorlog tegen Duitsland'; Lugano, 20 maart 1920, 'de telegrammen schilderen een beeld van toenemend arbeidersverzet'; Rome, 10 juni 1921, 'in het Vaticaan bij monsignore Giuseppe Migone, privé-secretaris en vertrouweling van de paus'; Londen, 19 maart 1925, 'in het Comedytheater Vortex van Noël Coward gezien, die in zijn eigen stuk de hoofdrol (een jonge cocaïnesnuiver) speelt'; Parijs, 3 oktober 1929, 'bij de kapper tegen de middag hoorde ik mensen toevallig zeggen: Stresenann est mort'.

Harry Clément Ulrich Kessler (1868-1937), zoon van adellijke en gefortuneerde ouders, groeide op in de cocon van het 'onpolitieke' Bildungsbürgertum. Hij werd in Parijs geboren en werd er ook begraven op Père Lachaise. Kessler studeerde aan vermaarde universiteiten en elite-scholen, in het Britse Ascot, in Hamburg en in Bonn, 'het Pruisische Oxford'. De jonge bevlogen Kessler hield van de rituelen van het Duitse studentencorps, het naakt zwemmen en de zuippartijen, van het schermen en het duelleren, van die typisch negentiende-eeuwse studentenromantiek.

Hij was, zei W.H. Auden, 'probably the most cosmopolitan man who ever lived', een keurige heer die hield van het spektakel in de Europese salons. Als een soort Duitse Marcel Proust noteerde hij in zijn dagboeken (15 duizend vellen in 57 jaar) alles wat hij in die kringen hoorde en zag. Hij maakte ook zelf deel uit van de gebeurtenissen, hij was meer dan een figurant. Kessler zag je overal, niet alleen in de 'parvenupolis' Berlijn, maar ook in Parijs, Londen, Rome of Warschau.

De portier van het Parijse Grand Hotel, waar hij geregeld verbleef, noemde hem omwille van zijn snelle tred l'homme à vapeur, misschien net geen razende reporter zoals Egon Erwin Kisch, maar wel een alomtegenwoordige getuige. De graaf, schreef historicus Otto Friedrich in Before the deluge, was 'een onbestendige figuur die door de jaren twintig heeft gezworven als diplomaat, uitgever, mecenas en man van de wereld'.

De aristocratische estheet Kessler had, net als Thomas Mann of Ernst Jünger, de oorlog in 1914 nog met geestdrift begroet als een 'zuivering van de geest'. Na de oorlog sprak de vroegere monarchist zich uit voor de republiek, democratie en socialisme.

Hij was, schrijft Laird McLeod Easton in een nieuwe biografie, 'een rode graaf' die in de week van de Spartakusopstand de revolutie verwelkomde.

In zijn sprankelende dagboek, in het Nederlands De dans op de vulkaan, noteerde hij de vele woelige gebeurtenissen in de straten van Berlijn, kort na de oorlog. Hij schreef over de revolutieromantiek van die dagen en over de ongewisse afloop van die opstand. Berlijn, 20 januari 1919: 'In de late middag, terwijl ik Lenins Staat en revolutie zit te lezen, om half zeven, wordt er aan één stuk door voor mijn deur geschoten. (. . .) Waarom er geschoten wordt, wat er aan de hand is, daar kom je nooit achter! Maar we leven als in een opera van Verdi, waarin achter iedere straathoek misdadigers van meer of minder zachtaardig allooi die met de kleur van de muur versmolten zijn, op de loer liggen en erop los schieten, zodra iemand zijn neus buiten de deur steekt.'

De vroegere fin-de-siècle-estheet, die voor de oorlog over zulke decadente dichters als een Henri de Régnier publiceerde, werd na 1918 een van de prominentste pacifisten en democraten van de Weimarrepubliek. In december 1918 bezocht hij in het Berlijnse Slot de privé-vertrekken van de keizer en de keizerin en trof er de geplunderde garderobes aan. Kessler was verbijsterd: alles in de vertrekken was kleinburgerlijk saai en smakeloos. 'Uit dit milieu is de wereldoorlog voortgekomen', oordeelde hij in zijn dagboek, 'of de schuld die de keizer heeft aan de wereldoorlog: uit deze kitscherige, bekrompen, zichzelf en anderen met louter valse waarden bedriegende pseudo-wereld stammen zijn oordelen, plannen, combinaties en besluiten. Een ziekelijke smaak, een pathologische prikkelbaarheid aan het stuur van een al te goed geoliede staatsmachine!'

Kessler bezocht Berlijnse etablissementen 'van het soort waarvan er tegenwoordig in Berlijn honderden zijn, waar tot 's ochtends vroeg gedanst wordt'. Overal, merkte hij op, zag je in die tijd aanplakbiljetten met 'wie heeft de mooiste benen van Berlijn', een aankondiging voor een of ander 'kaviaar- en snoezepoezenbal'. In Berlijn waren er tientallen cabarets, bars en danslokalen. De treffendste aanduiding voor de tweede periode van de revolutie, schreef Kessler in februari 1919, was 'de dans op de vulkaan', een kennelijk toen in Berlijn gangbare uitdrukking.

Zijn dagboek is een portrettengalerij waarin veel van zijn beroemde vrienden en tijdgenoten figureren. Kessler heeft het over de grootindustrieel en minister van Buitenlandse Zaken Walther Rathenau ('de snel gedeprimeerde jood, het neurotische type'), over de toneelschrijver Bertolt Brecht ('opvallende decadentenkop, welhaast de fysionomie van een misdadiger'), over Albert Einstein ('in de trein vroeg ik Einstein of de astronomische gevolgtrekkingen uit zijn relativiteitstheorie op het eveneens in zeker opzicht astronomisch geconstrueerde atoom van toepassing waren') en de negerrevuedanseres Josephine Baker. In zijn dagboek vertelde hij over theaterregisseur Max Reinhardt die hem 's nachts opbelde en uitnodigde in een salon op de Pariser Platz. Behalve Reinhardt en zijn vrienden trof hij er tussen een half dozijn naakte meisjes ook miss Baker aan, 'eveneens op een roze mousselinen schortje na spiernaakt'.

De dagboeken van Kessler (nog recent zijn de verloren gewaande notities van 1902 tot 1914 teruggevonden) zijn een memoriaal van een Kunstpolitiker, iemand die zich zowel in politieke als in kunstzinnige kringen begaf. Hij verzamelde niet alleen maar sappige anekdotes of bizarre belevenissen, maar noteerde ook zijn bespiegelingen over kunst en politiek. In april 1932 had hij het over 'de techniek van het schrijven van memoires'. Een memoriaal, zei Kessler, is geen loutere kroniek maar 'een interpretatie van de tijd vanuit het perspectief van een persoon'. Er zijn maar weinig witte raven. 'Als je het mij vraagt kan alleen diegene goede memoires schrijven die de dingen met gevoel voor drama, en wel met een hartstochtelijk gevoel voor drama doorleeft. (. . .) Saint-Simon had zijn gepassioneerde trots op zijn adellijke afkomst, Casanova zijn gepassioneerde drang tot liefdesavonturen, Bismarck zijn gepassioneerde honger naar macht; zij allen hebben de stof gekneed en gestalte gegeven met hun hartstocht.'

Kesslers dagboeken zijn een soort gedramatiseerde factography, een genre dat in die revolutiejaren wel vaker werd beoefend. Schrijvers, zoals John Reed in Ten Days that Shock the World over de Russische revolutie, schreven niet meer uitsluitend over hun eigen zielenroerselen maar maakten een biography of things. Ze archiveerden hun tijd, de feiten tartten alle verbeelding. I am a camera, zei Christopher Isherwood (die Kesslers biograaf McLeod Easton maar terloops ter sprake brengt), en schetste in Goodbye to Berlin een portret van die goldenen zwanziger Jahre. De graaf was het alziende oog van de republiek.

Harry graaf Kessler, parafraseert McLeod Easton in The Red Count de Oostenrijkse schrijver en vriend Hugo von Hofmannsthal, was 'an artist in living material'. Hij was de adellijke ekster van de Weimarrepubliek, een eminente kruimeldief van anekdotes en een fatsoenlijke kletskous.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.