Een fantast die een fantoom bestrijdt

Lijkt de Nederlandse samenleving anno nu op een patiënt met borderline? Beheerst Geert Wilders het debat dankzij zijn frames? Diverse denkers proberen zijn opkomst te verklaren....

Anet Bleich

Waarom is de burger boos? Zo luidt de titel van een vers van de pers gerold boekje van historicus en publicist Maarten van Rossem. Het is een vraag die met twee verkiezingen in aantocht en de Partij voor de Vrijheid nog altijd hoog in de peilingen velen bezig zal houden. Een echte eyeopener die de woede, de zorgen en angsten van die medeburgers die overwegen hun stem te geven aan de blonde kruisvaarder tegen de islam afdoende verklaart, heeft Van Rossem niet te bieden. Wel komt hij met een paar interessante observaties.

Zoals de constatering dat de vreemdelingenangst van de boze burgers defensief is; ze zijn bang voor het teloor gaan ‘van hun traditionele levenswijze en projecteren hun angst vooral op de meest zichtbare immigranten’. Overigens is er volgens Van Rossem geen sprake van volkswoede of van een PVV die namens ‘het volk’ zou spreken. Het is kenmerkend voor populisten dat ze voortdurend de indruk proberen te wekken dat zij ‘de ware volkswil’ tot uitdrukking brengen. Maar, betoogt Van Rossem ‘die ware volkswil bestaat niet’. En de suggestie dat het wel zo is en dat de charismatische leider (die elke min of meer succesvolle populistische stroming in huis heeft) zegt wat het zwijgende volk denkt, is gevaarlijk. Het kan leiden tot ‘een plebiscitaire democratie waarin het optreden van de messiasachtige leider zo nu en dan in referenda wordt getoetst’.

Populisme, de pretentie om ‘namens het volk’ te spreken, kan links of rechts zijn. De rechtse variant kenmerkt zich volgens de psychotherapeut Joost Bosland door weerzin tegen immigratie, enghartig nationalisme en zich afzetten tegen de ‘politieke elite’. De radicale en simplistische voorstellen waarmee rechtse populisten komen – bij de PVV bijvoorbeeld een totale stop op immigratie van moslims, het uitzetten van veroordeelde immigranten, harde straffen, ‘kopvoddentax’ – werken polariserend en splijten de samenleving. In De waanzin rond Wilders – Psychologie van de polarisatie in Nederland probeert Bosland de scherpe politieke verdeeldheid die door het optreden van Geert Wilders – en vóór hem Rita Verdonk en Pim Fortuyn – wordt opgeroepen psychiatrisch te duiden.

Hij trekt een vergelijking met het borderlinesyndroom. Patiënten die aan deze stoornis lijden koesteren ‘de diepe (...) overtuiging dat elke nabijheid van een ander uiteindelijk tot teleurstelling en afwijzing zal leiden. De betrouwbaarheid van de ander wordt voortdurend uitgeprobeerd.’ Borderliners verdelen de wereld in vriend en vijand en spannen zich bijzonder in om hun omgeving te dwingen vóór of tegen hen te kiezen. Soms slagen ze er volgens Bosland in om een heel behandelteam in twee kampen te verdelen.

Heel interessant, maar wat zegt dit over politiek populisme? Een enkele keer levert de psychologische invalshoek van Bosland wel iets zinnigs op. Bijvoorbeeld wanneer hij probeert te verklaren waarom in tijden van politieke en economische onzekerheid de behoefte aan sterke leiders toeneemt. Bosland: ‘In feite doen we daarmee hetzelfde als het kind dat haar pop dichterbij haalt: we zoeken naar veiligheid en bescherming.’

Boslands vergelijking van Nederland anno nu met een borderliner (want ook neiging tot zwart-wit denken en zoeken naar vijanden) gaat echter hopeloos mank. En zijn voorstellen tot therapie zijn nogal ridicuul. Zoals het idee om een Nationale Adviesraad voor immigratie en integratie in het leven te roepen met daarin vooraanstaande Nederlanders, migranten en Wilders-aanhangers en liefst ook de koningin. De therapie van Bosland, die hij analoog aan die voor patiënten met borderline tracht te ontwikkelen, staat bovendien op gespannen voet met democratie en rechtsstaat. Zo zouden wij Wilders c.s. rustig moeten laten uitpraten, maar als hij de grenzen die door ‘ons allemaal’ zijn vastgesteld overschrijdt hem ‘streng maar rechtvaardig’ moeten terechtwijzen en als het niet anders kan schorsen uit de Tweede Kamer. Sorry, maar dit gaat veel te ver. De politieke arena is geen psychiatrische inrichting. Toetsen of iemand de grenzen van de wet te buiten gaat, is alleen voorbehouden aan de rechter en niet aan ‘ons allemaal’ als amateurtherapeuten.

Hoe komt het dat Wilders voor zijn tegenstanders zo lastig te bestrijden is, vraagt de bestuurskundige Hans de Bruijn zich af in Geert Wilders in debat. Hij zoekt het antwoord in ‘de manier waarop hij zijn opvattingen construeert en presenteert’, ofwel ‘framing’. De sleutel tot politiek succes ligt volgens De Bruijn in het ontwikkelen van een frame ‘dat past bij onze opvattingen en dat zo breed mogelijk uitdragen’. Hij analyseert een aantal door Wilders gehanteerde frames, zoals het ‘probleem- en ideologie-frame’, waarin alledaagse problemen met bijvoorbeeld overlast veroorzakende jongeren worden verbonden met etniciteit (‘Marokkaanse straatterroristen’) en met de veronderstelde kern van het probleem: de islam. De Bruijn: ‘Wanneer er een relatie is tussen alledaagse ellende en de islam, wordt de islam als vanzelf een inktzwart gedachtegoed.’

Inderdaad een effectieve manier om bezorgdheid over incidenten op het gewenste doelwit (islam) te richten; knap geanalyseerd ook. Minder goed kan ik De Bruijn volgen als hij waarschuwt om vooral niet in het frame van de tegenstander (Wilders) te stappen, omdat je dat in de beeldvorming altijd verliest. Beter zou het volgens De Bruijn zijn om een ander, eigen frame te ontwikkelen, in de trant van: ‘wij treden tenminste op tegen hangjongeren, Wilders praat alleen’. De door De Bruijn bepleite respons heeft het grote nadeel dat die de redenering waarvan Wilders uitgaat systematisch onweersproken laat. En dat is helemaal niet nodig.

Neem het begrip ‘islamisering’, dat bij de PVV’ers fungeert als een soort lijm waarmee alle in hun ogen ongewenste sociale verschijnselen aan elkaar worden geplakt. Waarom zou je niet duidelijk kunnen maken dat dit een begrip zonder enige reële inhoud is? Maarten van Rossem slaagt daar in enkele zinnen moeiteloos in: ‘Hoe een kleine minderheid van de bevolking, die sociaal-economisch zwak staat en vrijwel overal gediscrimineerd wordt, de overgrote meerderheid die van de godsdienst van die minderheid helemaal niets moet hebben, zou kunnen ‘islamiseren’ blijft raadselachtig.’

Een beetje nuchterheid, een beetje Zivilcourage, een beetje politieke wil – dat zou al genoeg zijn om de opgeblazen luchtballon van het rechtse populisme lek te prikken. Nogmaals Van Rossem: ‘Waarom hoor je zo vaak: Wilders heeft een punt? Hij heeft helemaal geen punt, hij is een fantast, hij maakt zijn kiezers bang met een fantoom.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden