Een eeuw in de contramine

HIJ WAS DE negentig al ruimschoots gepasseerd toen hij vanuit Toulon z'n laatste Hollandse correspondentievrienden nog het hemd van hun gat vroeg over wat er 'thuis' (maar het was formeel niet eens meer z'n thuis, hij had zich allang tot Fransman laten naturaliseren) werd geschreven, gepubliceerd en bediscussieerd....

Alexander Cohen (1864-1961) liet zich in de late jaren vijftig zowel Het Parool als De Groene als het literaire tijdschrift Maatstaf toesturen, genoot van de wijze waarop de aartsconservatieve professor Gerretson in De Telegraaf premier Drees 'keer op keer zoo genoeglijk te k.kk.n zet', schold van harte op de verzamelde artikelen die zijn oude vijand Victor van Vriesland 'in de litteraire kattebak van de N.R.Ct had gedeponeerd', verkneukelde zich in een slechte kritiek op Jan Greshoff, 'ook zoo'n rotvent en kakmaker, aan wie de aanmatiging zyn broekspypen uitloopt', hoonde 'de baantjesjagery in de P.v.d.A.', en informeerde of de auteur van De ondergang van de familie Boslowits dezelfde Van het Reve was als degene 'met wien, eenige jaren geleden, Theun de Vries ('onze Teun', in de Party) ruzie heeft gezocht omdat hij zich had veroorloofd een kroniek te schrijven over Poeshkine, wat niet most magge'.

De mateloze nieuwsgierigheid had niet onder de ouderdom geleden, de strijdlust evenmin, maar er waren intussen nauwelijks meer podia waar hij zijn ei kwijt kon (hij was kinderlijk blij dat hem nog een bijdrage werd gegund in het humoristische blad Mandril), en de vriendenkring was drastisch uitgedund. Er waren ten slotte nog maar twee trouwe correspondenten over: de 48 jaar jongere bewonderaar Henk Kuijper en de ex-communistische historicus Willem van Ravesteyn, die hij nog zo'n beetje als een generatiegenoot kon ervaren, want die was maar twaalf jaar jonger.

In zekere zin had de 97-jarige schrijver-journalist zichzelf ten slotte overleefd - in de korte krantennecrologieën was sprake van 'een destijds zeer bekende anarchist', van wie de duizenden journalistieke stukken en stukjes (geschreven voor zulke uiteenlopende bladen als Recht voor Allen, De Telegraaf en Le Figaro) al sinds jaar en dag waren vergeten, en wiens meest recente boek alweer van 1936 dateerde.

Maar juist dat boek - Van anarchist tot monarchist - had op het moment van zijn dood het tij mee, want in de jaren zestig herleefde de belangstelling voor de 'ludieke' anarchie als tegengif tegen het steile marxisme, en een afvallige anarchist, die bovendien in één moeite door was doorgezwenkt naar het andere uiterste van het politiek-ideologische spectrum, trok vanzelfsprekend extra de aandacht.

Het 'monarchisme' van Cohen werd aanvankelijk vooral verdoezeld - net als z'n onverbloemde sympathie voor de Action française van Charles Maurras in wie hij weigerde de antisemiet te zien. Aanlokkelijker leek, en was in feite ook, de periode waarin hij als 'actief' anarchist had geopereerd - altijd op z'n Hollands natuurlijk, want net als zijn geestverwant en leermeester Domela Nieuwenhuis moest hij weinig hebben van Franse, Italiaanse, Spaanse of Russische bommengooiers, en leek hij meer op een provo avant la lettre dan op iemand die de wereld met Attentate wilde hervormen.

Zijn stoutste stukje was de majesteitsschennis die hij zich in 1887 - als ex-koloniaal net terug uit Indië - permitteerde en waarvoor hij tot zeven maanden celstraf werd veroordeeld. Op de Haagse Stationsweg had hij naar het rijtuig van Willem III geroepen: 'Leve Domela Nieuwenhuis! Leve het socialisme! Weg met Gorilla', en was op heterdaad betrapt en in zijn kraag gegrepen.

In Recht voor Allen werd in november van dat jaar de pleitrede afgedrukt die hij voor de rechtbank had gehouden, en de pikantste passage betrof zijn verweer tegen de beschuldiging dat hij de koning zou hebben beledigd.

'Immers', zou hij hebben uitgeroepen, 'hoe is het mogelijk te veronderstellen dat met Gorilla Z. M. de Koning der Nederlanden bedoeld is? Zoude niet het Openbaar Ministerie hier voor uw achtbaar college als beschuldigde gedaagd moeten zijn omdat 't beweert dat Z. M. Willem III beleedigd wordt door 't woord Gorilla? Is niet de veronderstelling alleen daarvan, reeds majesteitsschennis?'

De omkeertruc zal door de moderne krantenlezer onmiddellijk herkend worden als een columnisten-truc, maar dat woord bestond nog niet in 1887, en de rechter liet zich er niet door van de wijs brengen. Maar de satirische tournure was gelanceerd, en Cohen zou zich er, bijna letterlijk dus tot aan z'n laatste snik, van blijven bedienen. En omdat hij dat zeventig jaar lang in kranten deed, werd hij tot op zekere hoogte de grondlegger van een vóór zijn tijd nog onbekend journalistiek genre.

Natuurlijk had hij de essentie van de kunst afgekeken van Multatuli, maar die schreef er boeken mee vol die we nog altijd als nationaal letterkundig erfgoed koesteren. De uitgave van de verzamelde krantenstukjes van Alexander Cohen is nooit overwogen - en terecht niet, waarschijnlijk. Ze waren stijlvol, geestig en als het even kon vervuld van gif, maar het bleven eendagsvliegen.

In z'n 'mémoires' schreef hij: 'Mij hebben de vrijdenkers van de vrijdenkerij, de republikeinen van het republicanisme, de democraten van de democratie en de anarchisten van het anarchisme genezen' - helder credo voor iemand die elk 'geloof-systeem' wantrouwde, dus verwierp, maar die aan het laatste is blijven hangen. Want blijkbaar hebben de monarchisten hem nooit van het monarchisme kunnen genezen, en alles wat enigszins naar gezalfde dictatuur zweemde, bleef hij ook na 1945 idealiseren: Pétain om te beginnen (want van wat er in Vichy was gebeurd, had hij geen flauw benul), maar ook Salazar, Franco, De Gaulle en met terugwerkende kracht eigenlijk zelfs een beetje Mussolini.

Ter Braak prees destijds zijn talent voor schelden, Du Perron vond hem 'een geborneerde lawaaimaker', met Domela Nieuwenhuis kreeg hij ruzie over een ordinair roddelverhaal, mr. H. P. L. Wiessing (redacteur van De Mosgroene en schrijftafelcommunist) betreurde het feit dat 'het grote kind' ten slotte, zelf nota bene jood, met het antisemitisme was gaan flirten, en Jan Engelman had wel schik in z'n bekering tot de Action française. De meesten van zijn tijdgenoten wisten eigenlijk niet zo goed raad met 'm - voorzover ze sympathie voor hem voelden, leek er altijd enigszins het besef onder te steken dat ze te maken hadden met een karakteristieke dorpsgek.

Het 'Verzameld Werk' zal er nooit komen, maar voor de liefhebbers is er intussen een ampele keuze (meer dan driehonderd brieven) uit zijn correspondentie, die van 1888 tot 1961 reikt.

Brengt de voorbeeldig bezorgde editie ons dichter bij Cohen, of komen Cohen en zijn 'époque' er dichter van bij ons?

Ik betwijfel het een beetje.

Brieven uit het verleden zijn bijna altijd aangename en leerzame lectuur, zeker als de briefschrijver beschikt over grote epistolaire gaven, als hij zich ook nog richt tot interessante medemensen, en als er ten slotte sprake is van iets dat in de buurt komt van een brief-wisseling.

De omvangrijke selectie van Ronald Spoor voldoet eigenlijk alleen maar aan de eerste voorwaarde: Cohen kon een brief schrijven. Hij schreef zoals hij waarschijnlijk sprak - bevlogen, 'rechthaberisch' en in lange, monoloogachtige zinnen - en daardoor zijn de transcripties aan de vermoeiende kant, met al hun gedachtestrepen, accenttekens, tussenwerpselen, en bovendien steeds meer Franse uitroepen naarmate de jaren vorderen en het Nederlands hem soms in de steek laat als hij de meest adequate formulering of benadrukking zoekt. Maar hij heeft bijna geen brief geschreven, of er komt op z'n minst één memorabele wending in voor.

Het 'soortelijk gewicht' van zijn correspondenten valt helaas nogal tegen. Met Domela Nieuwenhuis, Herman Heijermans, Multatuli's weduwe Mimi en Wiessing zijn de 'beroemdste' wel genoemd. Je hebt de indruk dat hij wel wat intenser had willen blijven corresponderen met figuren als Engelman, Ter Braak, Kees van Dongen (en als hij al stokoud is, met mensen als Max Nord, Sjoerd de Vrij en Charles Boost), maar dat de epistolaire liefde in al die gevallen van één kant kwam.

En ten slotte kleeft aan de dikke bundel het grote bezwaar dat ze geen antwoorden behelst: je hoort als het ware tachtig jaar lang alleen maar Alexander Cohen aan het woord, en soms valt uit een vervolgbrief wel af te leiden wat hem zo ongeveer is teruggeschreven, maar op den duur slaat toch de monomanie van die ene stem toe. Je weet het uiteindelijk wel, en wat in de laatste jaren overblijft is eigenlijk alleen de verbazing (én de bewondering) over de onvoorstelbare vitaliteit van die eenzame bejaarde die in het verre Frankrijk nog altijd zijn gelijk wil halen in het kleine Nederland.

Bij andere oudgeworden mensen zou je van tragiek spreken. Maar tragiek was nou juist iets dat aan leven en werk van Cohen lijkt te hebben ontbroken.

Jan Blokker

Alexander Cohen: Brieven 1888-1961.

Bezorgd door Ronald Spoor.

Prometheus; 1009 pagina's; ¿ 95,-.

ISBN 90 5333 642 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden