Een eerlijk gevecht

Het lijdt geen twijfel of de Amerikaans-Britse strijdkrachten zullen de oorlog tegen Irak winnen. Maar hoever mag je gaan in het streven naar een snelle zege tegen zo weinig mogelijk verliezen aan eigen kant?...

Generaal Richard Myers, chef-staf van de Amerikaanse strijdkrachten, overzag op 11 maart jongstleden een militaire basis in Florida en wist dat het goed was. Zojuist was de grootste conventionele bom uit de Amerikaanse geschiedenis met succes getest.

De MOAB, de Massive Ordnance Air Bust, tienduizend kilo zwaar en twee keer zo krachtig als de beruchte Daisy Cutter (Vietnam, Tora Bora), toonde zijn verwoestende kracht. Desgevraagd verklaarde Myers dat het tot 'Moeder aller bommen' omgedoopte wapen (met een knipoog naar Saddams 'Moeder aller Veldslagen') wel eens zou kunnen worden ingezet in de oorlog tegen Irak.

Welk doel heiligt in een oorlog welk middel? Wat is proportioneel geweld? Mogen twee Daisy Cutters wel en één MOAB niet? Mag Bagdad met de grond gelijk worden gemaakt omwille van de vestiging van een democratische staat in de Arabische wereld, omwille van de verdrijving van de Saddam? Waar liggen de militair-ethische grenzen?

Nu de oorlog een feit is, dienen de strijdende partijen zich te houden aan de criteria van het internationaal humanitair recht. Eerste criterium is dat in de strijd 'discriminerend' wordt opgetreden: er dient onderscheid te worden gemaakt tussen burgers en militairen. Tweede vereiste is dat het geweld proportioneel moet zijn.

Kees Homan, generaal-majoor der mariniers b.d. en verbonden aan Instituut Clingendael, ziet de uitlating van Myers over zijn Moeder aller Bommen in dit perspectief vooral als 'psychologische oorlogsvoering'. Een MOAB zal uit humanitair-juridisch oogpunt niet snel worden ingezet, tenzij het bij voorbeeld gaat om het onschadelijk maken van een mijnenveld, om een snelle opmars van Amerikaans/Britse troepen mogelijk te maken.

Het zogeheten shock and awe-concept (schrik en verbijstering), zal echter evenmin zijn uitwerking missen. De VS hebben hiervoor drieduizend door laser- en satelliet geleide precisiebommen en kruisraketten beschikbaar. Vanuit het zuiden rukken ondertussen landstrijdkrachten op. De VS zullen in deze oorlog de methode van centric netwerk-warfare hanteren, waarbij informatietechnologie allesbepalend is: actuele militaire informatie wordt via sensoren rechtstreeks verbonden met hypermoderne wapensystemen. In het open veld is het Iraakse leger volgens Homan een 'sitting duck'.

In het gunstige scenario is er een snelle overgave. Maar er is ook een worst case scenario waarbij de oorlog eindigt in van man-tot-man-gevechten in de straten van Bagdad. Mocht hier een strijd ontbranden tussen de aan Saddam loyale Republikeinse Garde en het Amerikaanse leger, dan vreest Homan voor grote aantallen burgerslachtoffers. Want in die strijd is iedere Irakees de potentiële vijand.

Terwijl de Operation Iraqi Freedom is begonnen, woedt tussen ethici en politici nog altijd de discussie of hier sprake is van een rechtvaardige oorlog. Die rechtvaardiging is van groot belang voor de toekomst van de internationale verhoudingen. Maar zeker ook voor de beoordeling van het militaire optreden van de Amerikanen en Britten.

Bush en Blair zijn van hun gelijk overtuigd en verwijzen naar VN-resoluties 687 en 1441: zij zeggen geen nieuw VN-mandaat voor de aanval nodig te hebben. In zijn visie denkt Bush bovendien houvast te vinden in artikel 51 van het VN-handvest, dat staten het recht geeft op zelfverdediging. Vandaar zijn keuze voor de term 'preventieve oorlog'. Een 'onbetrouwbare staat' die bezig is met het opbouwen van aanvalscapaciteit, mag uit zelfverdediging worden aangevallen, meent Bush.

In het belang van de nieuwe wereldorde worden de begrippenkaders van de VN opgerekt, concludeert Ted van Baarda, directeur van Humanitarian Law Consultancy. 'Een oorlog uit zelfverdediging mag je alleen voeren bij een clear and present danger. De VS leggen dit veel te ruim uit.' Welbeschouwd is het Saddam Hussein die zich nu mag beroepen op artikel 51, menen sommige juristen.

Los van de interpretatie van de VN-resoluties worden Bush en Blair, die zich beiden laten voorstaan op hun religieuze overtuiging, moreel gekapitteld. De Wereldraad van Kerken, het Vaticaan en de oosters-orthodoxe kerken betogen dat de oorlog in tegenspraak is met de christelijke leer van de 'rechtvaardige oorlog'.

Dit begrip gaat terug op Plato, Cicero, Augustinus en Thomas van Aquino. Sinds eeuwen staat de leer boven het vijfde gebod (Gij zult niet doden). Met de oprichting van de Verenigde Naties (1946) en de Conventie van Genève (1949), waarbij in protocollen het internationaal oorlogsrecht is vastgelegd, is deze leer voor praktische toepassing buiten werking gesteld voor afzonderlijke staten. Het handhaven van vrede en veiligheid ligt sindsdien immers bij de Veiligheidsraad. Maar de criteria bewijzen nog steeds hun waarde.

In de 'rechtvaardige oorlog' wordt onderscheid gemaakt tussen het recht een oorlog te voeren (ius ad bellum) en de morele criteria tijdens de oorlog (ius in bello). Voor de laatste geldt het proportionaliteitsbeginsel. Bij Bush valt niet met zekerheid vast te stellen wat zijn rechtvaardige zaak is, meent ethicus Van Baarda.

'Gaat het hem om het ontwapenen van Irak, om de omverwerping van het regime, om de strijd tegen het terrorisme? Hij heeft dit steeds nadrukkelijk in het midden gelaten.' De omverwerping van het regime in Bagdad is geen VN-doel, er is geen resolutie die zo luidt.

Aangezien Bush zich toch wenst te beroepen op het VN-handvest en verwijst naar de ontwapeningsresoluties, meent Van Baarda dat zijn militaire middelen zijn beperkt. 'Ik geloof niet dat MOAB's, Daisy Cutters of conventioneel geladen kruisraketten noodzakelijk zijn om het doel van selectieve ontwapening te bereiken. Bij een oorlog kan het middel nooit erger zijn dan de kwaal. Een MOAB is een massavernietigingswapen.'

Dat Bush voor het bereiken van zijn doel eerst het Iraakse leger moet verslaan, is een reëel maar geen doorslaggevend argument voor het gebruik van al te zwaar geschut. Alle signalen wijzen er immers op dat het Iraakse leger zwaar gedemotiveerd is, dat de (dienstplichtige) soldaten massaal zullen deserteren en dat alleen van Saddams elitetroepen rond Bagdad verzet is te verwachten.

Dan blijft de vraag welk geweld in deze oorlog wél aanvaardbaar is. Binnen het recht is het proportionaliteitsbeginsel niet omstreden, maar de toepassing ervan des te meer. In juridische zin is de mate van geweld gekoppeld aan de slagkracht van de vijand, in ethische zin aan zijn misdadigheid. Van Baarda: 'Dat laatste is lastig te meten. Het is bovendien een glibberig pad: The truth is in the eye of the beholder.'

Er zijn klassieke voorbeelden van disproportioneel oorlogsgeweld van vóór de Conventie van Genève. Zoals het bombardement op Dresden, vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hierbij vielen duizenden burgerslachtoffers, onder wie veel vluchtelingen, zonder dat met het bombardement enig militair doel werd gediend.

Het afwerpen van atoombommen op Hiroshima en Nagasaki daarentegen werd door president Truman lange tijd gerechtvaardigd omdat de afzonderlijke verovering van de Japanse eilanden tienduizenden Amerikaanse levens zou kosten. Het is deze redenering die in de hedendaagse krijgshandelingen, met zijn geavanceerd wapentuig, steeds meer opgeld doet. In de moderne welvaartsstaten is de 'sneuvelbereidheid' sterk afgenomen. Zo werd in Kosovo van grote hoogte gebombardeerd, om te voorkomen dat de piloten gevaar liepen. Dit terwijl de etnische zuiveringen op de grond plaatsvonden.

Van Baarda schetst het dilemma aan de hand van de Falkland-crisis (1982). Aan het begin van de Britse poging de Falklands op Argentinië te heroveren werd de kruiser General Belgrano met een torpedo tot zinken gebracht. Honderden Argentijnse bemanningsleden kwamen hierbij om. Tot dat moment was er in die oorlog geen dode gevallen. Argentinië oordeelde dat de Britten zich schuldig maakten aan disproportioneel geweld. Tactisch gezien hadden ze gelijk, want de Britse marine had als doelwit ook voor de kleinere fregatten kunnen kiezen die bij de kruiser in de buurt lagen. Bovendien voer de Belgrano buiten de militaire zone die door Londen rond de Falklands was getrokken.

Maar de Britten verdedigden hun handelen op strategische gronden. Ze gaven de Argentijnen een niet mis te verstaan signaal dat hun vloot nergens veilig kon opereren. Die vloot is vanaf dat moment de thuishaven niet meer uitgeweest. Een enkele torpedo bracht de Britse overwinning zo een flink stuk dichterbij.

Van Baarda: 'Het militair opperbevel zal in een oorlog strategie boven tactiek stellen, zolang dit niet leidt tot evidente onbillijkheid. Dat er grote aantallen slachtoffers kunnen vallen, wordt in het recht aanvaard, mits er een relatie is met het naderbij brengen van de overwinning.'

Ethici en juristen zullen met de protocollen van de Geneefse Conventie op schoot de verrichtingen van de VS op Irakees grondgebied volgen. Sinds de oprichting van de VN heeft het oorlogsstrafrecht een hoge vlucht genomen, maar feit blijft dat deze rechtsvorm conceptueel en juridisch nog in de kinderschoenen staat.

De kleinere staten gelden er als aanjagers van: die lopen de grootste risico's bij een zwakke internationale rechtsorde. In dit licht kan ook de weigering van de Amerikanen toe te treden tot het Internationaal Strafhof worden beschouwd. Bush stelt zich hierin zo compromisloos op als Winston Churchill deed tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Britse regeringsleider had er geen enkel probleem mee de Reichsregierung en de Duitse generale staf letterlijk tegen de muur te zetten. Hij wenste zich voor zo'n daad ook niet te verantwoorden.

Liesbeth Zegveld, als advocaat gespecialiseerd in het internationaal humanitair recht, trekt een parallel tussen de wijze waarop Bush het Strafhof afwijst, en de legitimatie van zijn strijd in Irak: 'Als Amerikanen geen steun krijgen, pakken ze een probleem zelf aan. Ze hebben een absoluut geloof in eigen kracht en onafhankelijkheid. Men wenst zich niet door anderen te laten beoordelen, want gebeurt dit wel, dan erken je een hogere macht.'

Dat in de oorlog tegen Irak sprake zal zijn van rechtsschendingen, staat buiten kijf. Maar het geeft geen pas op voorhand te veronderstellen dat de VS zich schuldig zullen maken aan (zware) misdrijven waarvoor zij zich voor het Internationaal Strafhof dienen te verantwoorden.

Zegveld: 'Ik verwacht dat er vooral aan Iraakse kant misdrijven worden gepleegd. Denk aan de inzet van chemische wapens. Denk aan het gebruik van burgers ter bescherming van militaire doelen. Dat ging in 1991 vreselijk fout.'

De Amerikanen zitten vanwege het omstreden karakter van de oorlog internationaal in een kwetsbare positie. Zij zullen er volgens militaire rechtsdeskundigen alles aan doen om te voorkomen dat ze met een teveel aan collateral damage de aandacht trekken van hun kritikasters.

Mocht het tot gevechten komen in de straten van Bagdad, dan voorziet generaal-majoor b.d. Homan wel problemen. 'In principe zullen geen burgerdoelen in Bagdad worden gebombardeerd: dat is in strijd met het humanitair recht. Het criterium van proportionaliteit is dan niet aan de orde. Maar wat gebeurt er als er veel Amerikanen sneuvelen en het maatschappelijk draagvlak versmalt? Dan kan de zaak anders komen te liggen.'

De Amerikanen nemen net als in de eerste Golfoorlog tientallen juristen mee die voor de bevelhebbers zullen bepalen hoe militaire middelen zich naar het internationaal recht laten vertalen. Zegveld gelooft dat 'elke zucht die wordt gelaten, door juristen zal zijn afgedekt'.

Ondertussen stelt ethicus Van Baarda nuchter vast dat oorlogsgeschiedenis wordt geschreven door de winnaar. 'Zo ging het bij de processen van Neurenberg na afloop van de Tweede Wereldoorlog. Zo zal het ook nu zijn.' Politiek- en militair opportunisme winnen het dan van morele en juridische principes. Hij ziet hoe in moderne oorlogsvoering het morele onderscheid tussen goed en kwaad nog steeds afhankelijk wordt gemaakt van het landsbelang.

Als docent aan de Defensie Leergangen ervaart hij hoe 'flinterdun' de militaire moraal kan zijn. 'Laatst gaf ik les aan een groep Oost-Europese officieren. Ik geef toe: mannen die niet zijn opgegroeid in een traditie van democratie en mensenrechten.

'Ik kwam met het voorbeeld van een luitenant die op patrouille één krijgsgevangene maakt. De missie, het vernietigen van een brug, moest doorgaan, maar die krijgsgevangene vertraagt de mars. Wat te doen? Zeggen die officieren: I shoot him! Als je ze dan voorhoudt dat ze een oorlogsmisdaad begaan, krijg je terug: Sir, you don't understand, you can not teach war from a book.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden