Een eenzame fluit uit de verte

OP 4 SEPTEMBER 1997 stierf in Jakarta de dichter G.J. Resink. Hij werd 85 jaar. Hij was geboren in Yogyakarta en woonde, met kleine onderbrekingen, zijn hele leven in Indonesië....

door Kees Fens

Hij leefde in wat hij een 'drempelwereld' noemde. Grensgebieden, vooral de kusten, zijn in zijn gedichten belangrijke beelden voor zijn innerlijke toestand: 'tot kustland voorbestemd/ meer baai dan kaap'. De reflecties op de eigen situatie zijn veelvuldig en soms treffend, waar hij bijvoorbeeld 'Erasmiaans' heel ongerijmd op 'Javaans' laat rijmen. Maar talrijk zijn ook de gedichten waarin de Indonesiche natuur en cultuur - vaak de Balinese - worden opgeroepen, waarbij de Nederlandse taal tekortschiet. Er ontstaat een onvermijdelijke tweetaligheid: de dichter in een aantal regels als de tolk van zichzelf. Het gedicht 'April op het land' is een mooi voorbeeld:

De wevervogel komt weer in de palmen

nu langzaamaan de oostmoesson begint,

al blijven 's middags nog wel wolken walmen

om bergen, waar de regen zich bezint.

En 's avonds rolt de Melkweg op de wind

zich uit als de kelir van een heel kalme

wajang bèbèr, waarop het beeld blijft talmen

van Bima die de tami duidt en bindt

de rijst te planten - nu het riet gaat pluimen -

naast katjang en melati voor de thee,

en die nog steeds als schim en danser jaagt

door spelen van het volk, dat krissen draagt

uit steen dier sterren, die zijn nacht inruimen

voor gloedwolk, kou, droom, dauw en wereldzee.

Dit is niet meer exotisch (het exotische is de buitenkant van de vreemde waarnemer), maar geheel eigen. Het enige exotische eraan is de Nederlandse taal! Het gedicht staat in de bundel Kreeft en steenbok, die in 1963 verscheen. De dichter voegde er 'Woorden achteraf' aan toe, waarin hij verklaringen geeft van Indonesische woorden en achtergronden. (Bima is een held die de bevolking in april in een donkere vlek in de Melkweg boven de horizon ziet verschijnen, een teken voor de boer, tami,dat hij de rijst moet gaan planten).

'Steen dier sterren' is voor Resink heel typerend. Krissen zijn gemaakt van meteoriet ijzersteen. Het hoogste en het laagste, de melkweg en de aarde, maan en zee, bergen en vlakten, staan bij hem in het directe verband van wat een gesloten heelal kan worden genoemd. Dat levert vaak schitterende beelden op, zouden wij zeggen, maar het gaat hier om directe werkelijkheid: om hulp roepen 'naar een heelal dat afstand schijnt te nemen,/ maar later toch wel meteoren schreit'. Heel mooi gebeurt het in het kleine gedicht 'Nachtelijke vangst' (het gaat om de slotregels):

Bij eb gaan vuren fakkels door de nacht

het rif op, dat nu drooggevallen is

om vrouwen bij te lichten waar in schacht

na schacht de zee bleef staan om kwal en vis

en anemoon. Stil wordt de moord volbracht

aan wat krioelt in de koralen krochten.

De zeester slechts ontsnapt, onaangevochten.

de hemel in en beeldt er hoog de pracht

uit van Berenices hoofdhaar.

Andere fraaie voorbeelden: 'Zee en hemel lichten van de melkwegen.', en, misschien nog mooier: 'Een vlucht van duiven lokt per staartjesfluit/ de eerste ster omhoog uit het ravijn.' Staartjesfluit is een fluit die vastgemaakt wordt aan de de staart van de duif en tijdens het vliegen zingt. Hier wekt dat zingen de sterren aan de hemel. De fluit is bij Resink vaak de dichterlijke fluit of het gedicht zelf: het brengt alles tot leven.

De verbanden zijn niet symbolisch, ze zijn zeer tastbaar en zichtbaar en daarbij vaak erotisch van karakter: alles lijkt soms in een voortdurende staat van omhelzing. Beeldspraak is vaak aan de lichaamstaal ontleend. Het meest vrouwelijke beeld levert de zee op, in heel veel gedichten aanwezig, met baders uiteraard. De golfslag van de kust is ook 'de golfslag van de lust'. De wereld van Resink is een zeer zinnelijke, soms tot het in elkaar overvloeien (hoe sierlijk) van de regels toe. Het Nederlands krijgt vaak een ongewoon licht gewicht.

Resinks productie is niet groot. Zijn debuut, de bundel Op de breuklijn (1955) nam hij op in Kreeft en steenbok. In 1981 verscheen nog een kleinere bundel, Transcultureel. Nu zijn, onder redactie van Bert Paasman, de Verzamelde gedichten verschenen, Perifeer en efemeer is de titel ervan. De beide bundels staan erin, gevolgd door ongebundelde gedichten, meest kwatrijnen van een spitse, aforistische soort, heel Europees in elk geval. Terwijl hij steeds dieper werd opgenomen in de Indonesische samenleving, werden zijn gedichten Europeser! Maar zij werden ten slotte ook een spel, dat hij overigens lang niet altijd wint.

De totstandkoming van Perifeer en efemeer - de titel is van Resink zelf - is een vrij lange geschiedenis geweest. Dan wilde hij het wel, dan weer niet. Toen ik hem in 1995 bezocht in een wonderlijk Chinees pension, waar hij de laatste paar jaar van zijn leven woonde - een paleis vergeleken bij de garage die lang zijn woning was -, zei hij in zijn zeer zorgvuldige, bijna negentiende-eeuws deftig Nederlands, van publicatie van zijn gedichten af te zien. Ze waren niets in het heelal. Een wonderlijke uitspraak voor een dichter die de melkweg in een enkele versregel trachtte te laten oplichten en die zich, zoals in het gesprek bleek, van zijn dichterschap zeer bewust was. Ten slotte mocht de uitgave postuum gerealiseerd worden.

Nu alles bijeen kan worden gelezen, blijkt de bundel Kreeft en steenbok - door de uitgever Van Oorschot in het colofon wat voorbarig 'verzamelde gedichten' genoemd - verreweg het sterkste deel van Resinks oeuvre. In Transcultureel haalt hij het niveau ervan maar een enkele keer: wat eens met grote intensiteit werd beleefd en verbeeld, wordt nu meer aangeduid of te rechtstreeks verwoord; ook de taalsluier van de vroegere poëzie is weggenomen. Er zijn twee uitzonderingen, twee ongewone gedichten: een vederlicht gedicht 'Balische fluitspeler', dat op een enkele rijmklank zichzelf tot muziek maakt, en het hoogst curieuze 'Plantentuin', dat helemaal uit planten-en bloemennamen bestaat, een superieur spel, dat afsluit met het regeltje 'wat een vers van een tuin'.

In zijn laatste levensjaren beoefende Resink het light verse, een soort puntdichten. De speelsheid ervan is toch te zeer afhankelijk van oude spelregels. Ze doen wat stijf of gezocht aan. Men kan alles wat na Kreeft en steenbok komt, nawerk noemen, hoe fraaie regels de natuurgedichten soms ook nog opleveren. Het lijkt mij niet onmogelijk dat Resinks steeds grotere isolatie - hij stierf tenslotte als de laatste Nederlandstalige dichter in Indonesië - de oorzaak van de lichte verschraling is.

Maar de eerste helft van zijn oeuvre is bijzonder, met weinig in de Nederlandse poëzie vergelijkbaar, de traditionele vormen ervan zijn tijdloos geworden. Het gaat hier om poëzie die het verdient klassiek te worden, ook als verwoording van het 'breukvlak' waarop men in twee culturen moet leven en schrijven. Misschien is het smalle, ongelooflijk lichte gedicht 'Soeling op Kaliurang' wel het hoogtepunt uit zijn werk. Het is te lang om in zijn geheel te citeren; de eerste strofe kan voldoende zijn voor het effect van de warme na klank die Resinks beste gedichten kennen:

Een hoge soeling fluit

alleen maar voor de maan,

die in het oosten uit

een streek, ver hier vandaan,

bij Klatèn in de buurt,

door het fluiten aangevuurd

bloemrood is opgegaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden