Een eenzame figuur tussen reusachtige zandduinen

Hij noemt zichzelf een van de laatste woestijnonderzoekers uit het karavaantijdperk. In 1923 trok hij voor het eerst met nomaden door de woestijn van Mauretanië....

HET GEBOUW van het Museum National d'Histoire Naturelle, waarin de natuuronderzoeker en woestijnreiziger Théodore Monod zijn kantoor en laboratorium heeft, vlakbij Jardin des Plantes, lijkt verlaten. Buiten raast het Parijse verkeer en haasten studenten zich naar de universiteit. Binnen bestaat Parijs niet meer. Het is doodstil in de hal en op de trappen. Op de gang van de derde verdieping ruikt het naar motteballen, naar dieren op sterk water en naar stoffige kaartenbakken. Manuscripten liggen in slordige stapels op planken langs de muur, beschenen door vaal en koel neonlicht. Een van de deuren staat op een kier. 'Entrez', roept een ijle stem na een klop op de deur waarop met sierlijke letters 'Théodore Monod' staat geschreven.

Een kleine man zit achter een enorme tafel, bezaaid met fossielen en stenen waarop minuscule cijfertjes zijn geschilderd. Monod staat op, zijn fragiele gestalte gehuld in een blauw colbertje met op de revers een grote, zilverkleurige dromedaris. Aan zijn pink prijkt een eenvoudige ring met een ruwe steen. Al meer dan zeventig jaar verzamelen die handen stenen, fossielen, vuurstenen bijlen, planten en insekten in de meest onherbergzame uithoeken van de Sahara.

'Ik ben een van de laatste woestijnonderzoekers uit het karavaantijdperk', zegt Monod. Geboren aan het begin van deze eeuw, stamt hij uit een tijd waarin wetenschappers met gevaar voor eigen leven onbekende gebieden in trokken en alles wat zij onderweg tegenkwamen verzamelden, catalogiseerden en conserveerden. Heel wat natuurhistorische musea kreunen nu onder het gewicht van de vondsten, moeizaam vergaard tijdens lange expedities in verre en exotische oorden. Maar de wereld is veranderd en de wetenschap ook. Geen enkele wetenschapper kan het zich meer permitteren om net als Monod uit pure nieuwsgierigheid op stap te gaan, met een aantal kamelen en een gids en met geen ander doel dan alles te registreren wat hij op zijn reis tegenkomt.

'Nee, de grote ontdekkingsreizen per kameel zijn voorbij. Tegenwoordig gaat men met een heel gezelschap en met meerdere auto's naar een bepaalde plek, doet daar onderzoek en gaat dan weer terug.' Hij doet er niet sentimenteel over, maar constateert slechts hoe de zaken ervoor staan.

Nog steeds bereist de 92-jarige Monod jaarlijks de woestijn, maar sinds een jaar alleen nog met jeeps. Het beklimmen en afstijgen van kamelen werd hem te veel. Monod is er de man niet naar om alle nieuwe ontwikkelingen te veroordelen, maar hij merkt op dat er veel veranderd is sinds hij voor het eerst met nomaden door de woestijn van Mauretanië trok. Dat was in 1923. In dienst van het Museum National d'Histoire Naturelle doet hij in dat jaar visserij-onderzoek aan boord van een schip dat langs de kust van Mauretanië vaart. Hij voelt zich echter onweerstaanbaar aangetrokken tot de oceaan van zand, die zich aan de andere kant van de waterlijn uitstrekt en krijgt toestemming om zich na zijn onderzoek aan te sluiten bij een handelskaravaan van nomaden, die zuidwaarts trekt. Twintig dagen duurt de reis en zoals Monod het zelf beschrijft in zijn boek Méharées, vertrekt hij naar Mauretanië als zeeonderzoeker en keert hij terug als Saharien.

Vier jaar later neemt hij op verzoek van de Société de Géographie deel aan een wetenschappelijke expeditie die zes maanden door de Sahara trekt, van Algiers via Timbuktu naar Dakar in Senegal. Monod heeft zijn definitieve bestemming gevonden. De woestijn is voor hem meer dan een interessant onderzoeksgebied; de sobere levenswijze, de eenzaamheid en de stilte trekken hem evenzeer aan.

Wanneer hij in 1938 wordt benoemd tot directeur van het Institut Français d'Afrique Noir in Dakar, onderneemt Monod in de vijfentwintig jaar dat hij dit instituut leidt, talloze woestijnreizen met natuurwetenschappelijke doeleinden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zendt Frankrijk hem als spion naar de grens van Libië. Het is een rol die Monod niet zo aanstaat en in plaats van de Libiërs in de gaten te houden, onderzoekt hij per kameel het tot dan toe weinig onderzochte gebied tussen Libië en Tsjaad.

'Sinds die eerste reis ben ik heel vaak teruggegaan, soms bleef ik wel een jaar in de woestijn. We hadden geen kaart bij ons, wel een kompas.' Met bewondering vertelt hij over zijn nomadengidsen die over een fenomenaal geheugen beschikten en ook zonder landkaart precies wisten hoe de route liep. 'Tegenwoordig gaat alles veel makkelijker met satellietnavigatie. Op schepen gebruiken ze dat al jaren, maar in de woestijn begint men er net mee te werken.' Hij zoekt naar de afkorting waarmee het apparaatje ter grootte van een flinke zakrekenmachine aangeduid wordt en waarmee je je positie tot op honderd meter nauwkeurig kunt bepalen. 'G. P. . .S?' Hij aarzelt, probeert een andere combinatie en concludeert dat het GPS moet zijn. Hij vindt het apparaat een aanwinst en gebruikt het veelvuldig tijdens zijn expedities. 'Je weet precies waar je bent en wat belangrijker is, je kunt ook een plek weer terugvinden wanneer je daar bijzondere dingen hebt gevonden'.

AS HIJ nooit bang om te verdwalen en van dorst om te komen op tochten die hij ondernam zonder over kaarten en satellietnavigatie te beschikken? 'Welnee.' Hij lijkt de vraag absurd te vinden. Maar Monod weet als geen ander aan welke gevaren hij zich blootstelde tijdens zijn meest extreme reizen. Zeshonderd, achthonderd, soms negenhonderd kilometer moesten door dorre gebieden afgelegd worden voor de eerste druppel water werd gevonden. Hij praat erover alsof het snoepreisjes waren. 'Ja, we moesten wel voorzichtig zijn met water. Eén liter water per dag dronken we.' Bijna achteloos: 'Dat is niet zoveel als je een hele dag onderweg bent en een deel van de dag loopt. Maar ik nam altijd geharde nomaden mee als gids. Mensen uit de oasen zijn aardig, maar in de woestijn kun je er niets mee beginnen.'

In gedachten verzonken kijkt hij voor zich uit. 'Ik rekruteerde mensen uit een stam die gespecialiseerd was in de jacht op antilopen. Zij hadden ervaring met moeilijke en lange tochten. Op een keer vonden we pas na tweeentwintig dagen een bron, de keer daarop vonden we pas na zevenentwintig dagen water.' Weer stilte.

Vermoeide kamelen werden onderweg verkocht of voor nieuwe ingeruild. Veel bagage nam hij nooit mee. Op de twee kamelen die de bagage droegen, waren ook twee metalen jerrycans van vijftig liter geladen met daarin kostbaar water, voldoende voor driemaal drie kopjes zoete thee per dag. Verder nam hij zestig kilo rijst mee, thee en suiker.

Kreeg hij nooit genoeg van dat simpele dieet? Verbaasd: 'Er was toch niet anders?' Nee, want de rest van de bagage bestond uit potjes, flesjes, netjes en een plantenpers. Pratend over zijn verzamelwoede zegt hij bijna verontschuldigend dat hij nu eenmaal in veel dingen is geïnteresseerd, en liefkozend pakt hij de vuurstenen bijl op die voor hem op tafel ligt.

In Frankrijk stond Monod lange tijd bekend als de 'woestijngek'. Men wist niet veel meer van hem dan dat hij gewaagde reizen ondernam want hij publiceerde voornamelijk wetenschappelijke artikelen over de flora, fauna, archeologie en geologie van de Sahara. Pas de laatste jaren is zijn wetenschappelijke arbeid voor een breed publiek toegankelijk gemaakt dank zij de vele boeken die over hem en zijn werk zijn verschenen, en zijn optredens voor radio en televisie. Over de meeste publikaties hangt een waas van romantiek. Op foto's zien we een eenzame gebogen figuur tussen reusachtige zandduinen. Maar Monod zelf laat zich zelden tot een weemoedige terugblik verleiden. Daarvoor leeft hij te zeer in het heden. Zo protesteert hij hevig tegen het idee dat de romantiek van het reizen in de woestijn verloren is gegaan met de opkomst van gemotoriseerde expedities. 'Nee, nee, het reizen met een auto heeft veel voordelen. Je kunt meer stenen meenemen dan wanneer je met kamelen reist. Ieder systeem heeft zo zijn voordelen.'

Zou hij dan liever al zijn expedities per jeep hebben gemaakt? Kortaf antwoordt hij dat er vroeger geen auto's waren.

De Parijs-Dakar-rally komt ter sprake. Als door een wesp gestoken veert hij overeind: 'Dat is een verschrikkelijke zaak.' Hij betreurt dat soort ontwikkelingen, net als het verdwijnen van de nomadische levenswijze. 'Ja, ze hebben nu transistorradio's.'

Hij zwijgt lang. 'De nomaden hebben het moeilijk.' Hij legt uit dat de Tuaregs in Mali op brute wijze worden vervolgd. In Mauretanië en Niger hebben de nomaden het weliswaar wat beter, maar de tijden dat ze hun gang konden gaan, zijn voorbij. De inkomsten van vroeger zijn ook vervallen: de razzia's, de grote handelskaravanen, de slavenhandel, dat is allemaal niet meer. 'Je moet het hen zelf maar vragen', zegt Monod op de vraag of het vroeger dan allemaal beter was.

Hij vindt het erg dat de nomaden hun vrijheid verliezen wanneer ze hun zwervend bestaan opgeven, maar zegt dan beslist: 'De nomade moet zelf beslissen of hij zijn oude tradities in stand wil houden of als arbeider in de stad wil werken.' Hij oppert dat nomaden toeristen kunnen rondleiden en zo tegelijkertijd geld kunnen verdienen en in de woestijn kunnen blijven.

Hij schudt zijn hoofd nu het gesprek op toeristen komt. 'Het zijn curieuze mensen. Ze willen van alles meenemen.' Dat vindt hij nog niet zo erg als het om een mooi steentje gaat, maar als ze archeologische vindplaatsen verstoren, tja, dat is wat anders. Goedmoedig schudt hij zijn hoofd wanneer ik wil weten of hij een hekel heeft aan woestijntoerisme. Nee, iedereen moet maar op zijn eigen manier genieten. Alleen zou hij willen dat bezoekers wat meer respect tonen voor de mensen en de natuur. Als fervent natuurbeschermer heeft hij contact gezocht met reisbureaus om ze op het element respect te wijzen, maar 'de meeste zijn er alleen maar op uit om geld te verdienen'.

ONOD RAAKT een beetje uitgekeken op het gespit in zijn verleden. 'In feite heb ik geen keus', antwoordt hij gelaten op de vraag of hij zijn ervaringen uit het verleden zou willen opgeven als hij nu opnieuw zou mogen beginnen. De jongensachtige lach verdwijnt. Opeens is hij een oude man voor wie elke dag die nog komt, is meegenomen.

Maar hij heeft toen toch dingen gezien die niemand meer kan meemaken. Hij had verteld over de struisvogels, gazellen en oryxantilopen, die hij op zijn reizen tegenkwam en die nu zijn uitgemoord. 'Waarschijnlijk. . .', antwoordt hij afwezig.

Plotseling veert hij op, loopt kwiek naar zijn enorme boekenverzameling en komt terug met een boek in zijn hand. Hij bladert erin. 'Vorig jaar was ik met Duitse wetenschappers in de westelijke woestijn van Egypte en daar vonden we sporen van Barbarijnse schapen.' Hij toont een foto in het boek dat hij over de reis publiceerde en praat enthousiast over andere ontdekkingen tijdens die expeditie. De hoogleraar is weer in zijn element wanneer het over de wetenschap en over het hier en nu gaat. Ja, dat congres over kamelen in Mauretanië zal hij zeker bezoeken.

En een volgende woestijnreis? Hij glimlacht; de datum staat al vast.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.