Een eenzaam kerkje op de Vigiljoch

Van de kunst naar de natuur en andersom is in Zuid-Tirol steeds maar een kleine stap. Dit is een land van oude kerken, kloosters en burchten, maar ook van weidse vergezichten, bergen en boomgaarden....

JAN LUIJTEN

DE Brandis-Waalweg loopt over een heuvelkam en vervolgens langs een helling. We vinden het wandelpad na enig zoeken in Lana, een dorp ten zuiden van Merano. Links beneden ligt het Etschtal, dat hier zeer breed is en beplant met schier eindeloze boomgaarden. De boeren leven van de appel en - in mindere mate - van de wijn. Vanaf het pad, dat zelfs even onder wijnranken doorloopt, is er steeds weer uitzicht op de bergketen aan de andere kant van het dal.

Wandelen door Zuid-Tirol betekent steeds weer voor een keuze staan: doorlopen of pauzeren om een van de vele, vaak religieuze kunstschatten te bezichtigen. Want dit is een land van oude kerken, kloosters en burchten. En omdat al in de (late) middeleeuwen niet alleen de adel, maar ook de burgers welgesteld waren en bovendien zeer vroom, is Zuid-Tirol rijk aan oude fresco's en gebeeldhouwde en beschilderde houten vleugelaltaren.

Deze bergachtige streek, land tussen noord en zuid, lijkt een bijzonder terrein voor kunsthistorici, omdat hier ten tijde van gotiek en barok de Zuidduitse, Boheemse en Italiaanse school elkaar hebben beïnvloed en bevrucht.

In Niederlana is de keuze niet moeilijk. We dalen af van de Brandis-Waalweg naar de eenvoudige kerk met haar losstaande toren. Het is Pinksteren en de hoogmis is bijna afgelopen. De kerk is overvol, tientallen gelovigen staan buiten. Enkele mannen gaan al weg, vermoedelijk om als eersten in het café te zitten. Het ruikt naar wierook en even later komen in een grote wolk drie priesters in oude gewaden naar buiten, voorafgegaan door een klein peloton in het rood geklede misdienaars. Het rijke roomse leven uit de jaren vijftig blijkt nog te bestaan.

Wanneer de kerk leeg is, staan we voor het grote, indrukwekkende vleugelaltaar waaraan Hans Schnatterpeck in Merano tussen 1503 en 1511 heeft gewerkt. Het is nog gehuld in een blauwe waas van wierook, maar dit kan de vrome schoonheid van dit laat-gotische werk niet verhullen. Het rijke, uitbundig versierde altaar is ruim veertien meter hoog en telt niet minder dan 33 houten, deels met goud beschilderde beelden. Het bevat oneindig veel details, zodat de toeschouwer lang en haast ademloos naar zoveel pracht kan kijken.

Ontnuchterend is wat Walter Pippke en Ida Pallhuber in hun Kunst-Reiseführer Südtirol schrijven. Zij noemen het altaar een 'uitgesproken conservatief werk', dat duidelijk is achtergebleven bij de artistieke ontwikkelingen van die tijd. Bij hen staat ook te lezen dat het altaar in de achttiende eeuw bijna was verdwenen, want de toenmalige pastoor Lipp wilde de trend van die tijd volgen en zijn kerk een barok altaar geven. Maar daar wilden de boeren van Niederlana niets van weten.

Zo is Schnatterpeck het lot bespaard gebleven dat de kunstenaar Hans Multscher uit Ulm in het vijftig kilometer noordelijker gelegen Sterzing - in het Italiaans Vipiteno - wèl moest ondergaan. Zijn vleugelaltaar uit het midden van de vijftiende eeuw werd in 1779 slachtoffer van de toen heersende Barockisierung.

Wat Barockisierung betekende, zien we enkele dagen later in de Stadtpharrkirche van Sterzing, de kerk waar ruim twee eeuwen lang het vleugelaltaar van Hans Multscher stond. Wie in deze kerk, die iets buiten de oude stad ligt, met de rug naar het koor gaat staan, ziet de zoete overdaad van de Duits-Oostenrijkse barok. Het schip is uitgesproken lelijk, met allerlei schilderingen in haast schreeuwende kleuren.

Maar draai je je om, dan ben je weer in de gotische kerk. Want in de negentiende eeuw kregen de gelovigen spijt en werd het koor weer gotisch. Op de Barockisierung volgde de Regotisierung, althans gedeeltelijk. In het 'nieuwe' gotische altaar werden de beelden van de vijf vrouwelijke heiligen uit het altaar in Sterzing van Multscher opgenomen.

In de kerk en het daarnaast liggende museum wordt duidelijk waarom Schnatterpeck in 1500 'achter' liep. Want Multschers beelden en de figuren in de in prachtige kleuren geschilderde taferelen uit het leven van Maria en het lijden van Christus op de vleugeldeuren - zij hangen in het museum - zijn veel levendiger en realistischer dan de beelden van Schnatterpeck. Vooral Multschers Mariabeeld wordt geroemd.

Van de kunst terug naar de natuur is in Zuid-Tirol steeds maar een kleine stap. Na de kerk van Niederlana zetten we onze wandeling voort langs oude ruïnes en boomgaarden naar de kapel van Sint Hippolyt, die eenzaam ligt op een klein bergplateau op 759 meter hoogte. Vandaar door bossen, over de beek de Lahbach, verder omhoog naar Völlaner Bad, een oude Gasthof met een aardige tuin. Hier begint de afdaling terug naar Lana.

Deze en andere wandelingen hebben we niet op goed geluk ondernomen. In de serie Richtig wandern van de Keulse uitgever DuMont is ook een deeltje Südtirol verschenen. Hierin worden in totaal 25 dagtochten beschreven, die het grote voordeel hebben dat zij bestaande wandelpaden volgen. Met de beschrijving in het boekje en de kleine wegwijzers en tekens langs de paden is het betrekkelijk eenvoudig de gewenste route te volgen.

HET BIJZONDERE van de streek rond Merano zijn de zogeheten Waalwege. Dit zijn paden langs de Waale; smalle, met ruwe stenen aangelegde slootjes, waardoor het water uit de bergen naar de dalen wordt gevoerd, water dat werd en wordt gebruikt voor het bevloeien van boomgaarden en wijnbergen. Deze Waale zijn vaak heel oud - de eerste werden aangelegd in de dertiende eeuw - en hun aanleg moet een heel karwei zijn geweest. Maar ze waren van levensbelang, want vooral ten westen van Merano, in de Vinschgau, valt weinig regen.

Deze open waterleidingen lopen langs berghellingen, door bossen en vaak over kleine ravijnen, waarbij het water wordt geleid door een Kandl, een uitgeholde boomstam. Deze kleine sloten werden onderhouden door Waaler. Voor hen was er een smal pad aangelegd. Deze Waalwege maken nu vaak deel uit van wandelroutes.

In Zuid-Tirol hebben veel boeren intussen een moderne sproei-installatie en veel Waale zijn daarom verdwenen of lopen door onderaardse buizen. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval met de eerder genoemde BrandisWaalweg. Daar is geen druppel water te zien.

Anders is dat in de buurt van het dorp Schluderns, vijftig kilometer ten westen van Merano. Hier heeft de bevolking zich verzet tegen het dichtgooien of het onder de aarde stoppen van de waterleiding en zodoende bestaan daar nog de Berkwaal en de Leitenwaal.

In Schluderns behoort de bezoeker eigenlijk eerst de Churburg te bezichtigen, een renaissance-slot dat zeer wordt aangeprezen en dat nog gedeeltelijk wordt bewoond door de graaf Von Trapp. Wij kiezen echter niet voor het slot, maar voor de Berkwaal en Matsch, een oud Tirools bergdorp op bijna zestienhonderd meter hoogte.

Het pad langs de Waal loopt omhoog en dus ruist het water met grote snelheid naar beneden. Het slootje loopt langs een met berken begroeide, steile helling van een smal ravijn, de Saldurschlucht, genoemd naar de beek die beneden loopt. Het pad is smal, maar beveiligd met een houten balustrade. En het ravijn wordt op een gegeven moment inderdaad overbrugd door een Kandl.

De Berkwaal is nog maar twee kilometer lang. Daarna komen we in een dal dat allengs breder en hoger wordt. Het Matscher Tal ligt voor ons en het panorama wordt steeds indrukwekkender. Voor ons doemen de besneeuwde bergtoppen op van de Salurnkamm en achter ons liggen, deels in wolken en nevelen gehuld, de eveneens nog witte toppen van de Ortlergruppe.

Midden in het dal ligt een steile heuvel met een eenzaam kerkje en de laatste restjes van de burcht van de voogden van Matsch, wilde vechtersbazen die in de middeleeuwen in dit dal heer en meester waren en ook elkaar naar het leven stonden. Rond 1400 verlaten ze de burcht op de heuvel en verhuizen naar de Churburg, nadat zij eerst de bisschop van Chur hadden verdreven.

In het Matscher Tal is het wapengekletter al lang verstomd. In het dal is het nu vooral groen en stil. We lopen lange tijd langs de Saldurbach, steken bij enkele boerderijen deze beek over en komen dan in Matsch.

Matsch heeft nog iets van een oud Tirools bergdorp; een smalle, wat bochtige straat met deels houten boerderijen met daaraan gebouwd als een grote puist een lemen oven waarin brood werd gebakken van boekweit, omdat dat het goedkoopst was. Er is een grote oude herberg en de ommuurde kerk ligt even buiten het dorp.

De kerk is gesloten, maar in het portaal wordt op een muur de geschiedenis van Matsch verteld. Strijdlustige boeren hebben hier gewoond, want voor Andreas Hofers strijd tegen de Franse en Beierse troepen ten tijde van Napoleon leverde dit kleine dorp een compagnie schutters onder leiding van kapitein Blaas.

DE MEEST inspannende wandeling tijdens ons verblijf in Merano maken we op de laatste dag. De wolken zijn vrijwel geheel verdwenen, de bergen zijn vrij en dus spoeden we ons weer naar Lana om met de kabelbaan en de stoeltjeslift op te stijgen naar Vigiljoch en Larchbühel op bijna tweeduizend meter hoogte. Want nu is het ideaal om de voorgenomen wandeling te maken van de St Virgilkapel naar St Pankraz, een dorpje in het Ultental, een van de mooiste dalen in deze aan dalen rijke streek.

Wandelen in de bergen is in Zuid-Tirol relatief eenvoudig, want er zijn veel kabelbanen en liften. Ze besparen een moeizame klimpartij naar boven, zodat er meer tijd overblijft voor de bergwandeling. Bovendien: de afdaling is vermoeiend genoeg.

Wat boven op het Vigiljoch opvalt is dat hier op eenzame hoogte inderdaad een kerkje staat, waarin delen van oude fresco's zijn blootgelegd. Waarom dat kerkje hier staat, is een raadsel, want in de verre omtrek is geen dorp te bekennen. Een verrassing is verder dat overal gentiaan bloeit. Het plantje bestaat eigenlijk alleen uit een krachtig-blauwe kelk alsof alle kracht uit deze karige bodem naar de bloem is gegaan.

Op tweeduizend meter hoogte loopt de natuur enkele maanden achter. Eind mei is het voorjaar nog maar net begonnen. De lariksen aan de boomgrens vertonen nog maar kleine, groene punten. Op enkele plekken ligt sneeuw. Daarnaast staan wilde krokussen en andere bloemen. Op verschillende plaatsen loopt water van de toppen. Er ontstaan beekjes en hier en daar zijn meertjes, waarin nieuw leven krabbelt.

De neiging steeds te blijven staan en te kijken is groot. De zeer weidse vergezichten op zonnige dalen en met sneeuw bedekte bergen zijn haast duizeligmakend. Alleen kan de wandelaar zich dat hier niet veroorloven. Het pad is niet meer dan twee voeten breed.

De tocht op zonnige hoogte, langs bergtoppen en door bergweiden, eindigt bij een vervallen hut op de FalkomaiAlm. Hier begint een kilometerslange, in het begin erg steile, afdaling naar 736 meter. We lopen uren langs het wilde water van de Kirchenbach en soms ook door het water, want er zijn niet overal bruggetjes. De beek stroomt door een smal, lieflijk dal waaraan geen einde schijnt te komen. Het gaat almaar naar beneden en de beenspieren gaan pijn doen. We stoppen onze hete voeten even in het ijskoude water. En verder gaat het, naar St Pankraz in het Ultental, waar langzaam de zon ondergaat.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden