Een echte broeder huilt

Door alle ellende die ambulancepersoneel meemaakt, vertoont 10 procent van hen tekenen van een posttraumatische stressstoornis. Toch is het al beter dan vroeger....

Ja, ze hebben een druk weekeinde achter de rug. Alle acht de ziekenauto's van GGD Midden-Holland uit Gouda op weg, plus twee uit Rotterdam en Den Haag. 'Apart', zegt ambulance-chauffeur Dennis, die afgelopen zondag rond vijf uur 's ochtends zijn bed uit werd gebeld voor hulp bij de uitslaande brand in bejaardentehuis Savelberg in Gouda. 'Dat maak je niet elke dag mee, zo'n grote inzet.'

Geen doden, slechts een paar gevallen van ademhalingsproblemen, 'maar dat heb je natuurlijk al gauw, met zo'n brand', zegt Gerard Koene, hoofd ambulancedienst Midden-Holland. Verder was het mooi werk. Geëvacueerde bejaarden een beetje 'vertroetelen en verwennen' en dan na afloop met de jongens 'een bakkie doen en even bijpraten'. Daar houd je als ambulance-hulpverlener geen posttraumatische stressstoornis aan over.

Anders is het natuurlijk als je met een half verkoold lichaam en de brandlucht in je wagen met bloedspoed naar het brandwondencentrum moet. Of als je in een paar weken tijd drie keer met een verongelukt kind te maken krijgt. Vooral ongevallen met kinderen liggen gevoelig, constateerde psychologe dr. Eleonore van der Ploeg, die woensdag aan de Universiteit Utrecht promoveerde op een onderzoek naar de psychische gezondheidstoestand van ambulancemedewerkers en forensisch artsen.

Reanimatie van een kind behoort in haar termen tot een ingrijpende gebeurtenis en ondanks hun stoere pakken en imago blijken zulke gebeurtenissen wel degelijk diepe sporen achter te laten bij de ambulancemedewerkers. Zo'n 10 procent lijdt aan posttraumatische stressklachten en bij forensisch artsen ligt dat op 15 procent.

'Da's veel', vindt ambulance-verpleegkundige Jan. En waar die vandaan komen? Niet uit Midden-Nederland, zeker weten. 'Nee', zegt Dennis, posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft hij nog niet gehad. Burn out al helemaal niet. Chauffeur Ari ook niet. Hij is nu 37 jaar in dienst en als hij bij elkaar één jaar ziek is geweest, is het veel. Nou goed, er was bij hun één jongen die door psychische klachten langer ziek is geweest. Maar die had het thuis niet lekker. Relationele problemen, vandaar.

Toch heeft Van der Ploeg het voor het NWO-onderzoeksprogramma 'Psychische Vermoeidheid in de Arbeidssituatie' aan de hand van uitgebreide anonieme vragenlijsten exact onderzocht en geteld. Van de 393 ambulancemedewerkers in Nederland beantwoordden er 221 haar vragenlijsten. Bij de forensisch artsen was de respons 64 procent (84 ingevulde lijsten).

De meerderheid (ambulancepersoneel 85 procent; forensisch artsen 75 procent) heeft in de afgelopen vijf jaar één of meer traumatische gebeurtenissen meegemaakt en uit de vragen naar de verwerking ervan blijkt bij een groot deel de herinnering aan die ervaring nog sterk emotioneel beladen.

Maar de ambulancewereld is ook behoorlijk macho (86 procent mannen), merkte Van der Ploeg toen ze een paar dagen meeliep in Gouda. Een kleedruimte voor vrouwen, om maar wat te noemen, was er niet. Of ze alsjeblieft een aanbeveling voor meer vrouwen in haar rapportage wilde doen, vroeg een ambulance-verpleegkundige van een GGD elders in het land. 'Een vrouw zegt wat sneller: niet stoer lopen doen, maar praten.'

'Als je het vergelijkt met 27 jaar geleden, toen ik begon, is dat machowereldje wel minder', zegt Koene. 'Als er vroeger wat gebeurde, gingen we gewoon naar huis. Ons gebeurde niks. Wij voelden dat allemaal niet, joh, ben je belazerd. Nou durven ze gewoon te zeggen: ik heb een rotrit gehad en ik wil erover praten.' Er is in Gouda zelfs een BOT-team, een Bedrijfs Opvang Team voor. Ambulance-medewerkers die een bijscholing hebben gedaan om collega's op te kunnen vangen. Maar, zeggen de mannen, daar wordt zelden beroep opgedaan. Ze vangen elkaar wel op. 'Vroeger', zegt Koene, 'was je een watje als je jankte. Nu mogen we allemaal janken. Zijn we allemaal watjes misschien, maar we vinden het heerlijk.'

Ze zijn in Gouda wellicht de uitzondering op de regel die Van der Ploeg destilleerde. Onderzoek naar de psychische invloed van traumatische gebeurtenissen op hulpverleners is wel vaker gedaan, maar Van der Ploeg heeft dat aspect in haar studie gecombineerd met de effecten die het werkklimaat op de mensen heeft. Het is, blijkt, niet zozeer de gebeurtenis zelf die bij de hulpverleners opspeelt, maar de chronische werkstress die daar in veel gevallen nog bijkomt: slechte communicatie met de leiding, geen erkenning, het ontbreken van sociale steun in de organisatie, onduidelijke rolverdeling en slechte salariëring.

'Ik had verwacht', zegt ze nu, 'dat het aantal gebeurtenissen voorspellend zou zijn voor de mate van PTSS en burn out, maar het blijkt dat de chronische stressoren daarbij een veel belangrijker rol spelen dan ik dacht.' Natuurlijk kun je op je vingers natellen dat iemand niet gelukkig wordt als hij eerst op straat de botten bij heeft elkaar geveegd en dan bij terugkomst op z'n kop krijgt omdat het rapportageformulier niet goed is ingevuld. 'Maar op je vingers natellen en aantonen zijn twee verschillende dingen en ik ben blij dat ik het nu heb aangetoond.'

De andere beroepsgroep die ze heeft onderzocht, de forensisch artsen, die ook onder de GGD's ressorteren, is weer een heel ander verhaal. Mag je van een ambulance-verpleegkundige, die expliciet deze specialisatie heeft gekozen en daar een speciale opleiding voor heeft gevolgd, verwachten dat hij toch ook door dit werk wordt aangetrokken, een GGD-arts krijgt de forensische dienst gewoon in zijn pakket erbij.

Ongevraagd krijgt hij eens in de zoveel tijd te maken met agressieve dronkelappen bij wie hij een bloedproef moet afnemen, doorgedraaide psychiatrisch patiënten die hem bedreigen, slachtoffers van seksuele misdrijven en lijken die er niet altijd even prettig meer uitzien. Van der Ploeg: 'En dan zijn het vaak artsen die voor een rustiger bestaan bij de GGD hebben gekozen, anders waren ze wel chirurg geworden, of zaten ze bij de spoedeisende hulp.' Omdat forensische geneeskunde in Nederland geen autonome specialisatie is en alleen in Amsterdam een aparte afdeling van de GGD heeft, is er dus ook geen adequate opleiding voor.

Toen ze met haar onderzoek begon, dacht ze nog dat het een heldere optelsom zou zijn. 'Ik hoopte dat er een soort formule uit zou komen: vijf ingrijpende gebeurtenissen plus slechte communicatie is zoveel kans op PTSS of uitval door burn out.' Maar een exact overzicht van de artsen en ambulancemedewerkers die voor het onderzoek al ziek thuis zaten door psychische overbelasting had ze niet. 'Ik ben begonnen met een populatie die werkte en bij het controle-onderzoek een jaar later, was er wel uitval, maar er was niet te achterhalen om welke redenen.'

Behalve door de rol van het sociale werkklimaat was Van der Ploeg ook verrast door het percentage klachten dat wijst op PTSS. 'Dat is een zeer gecompliceerde psychische stoornis en als je bij een gezonde, werkende bevolkingsgroep die klachten signaleert, vind ik het opmerkelijk dat zulke mensen niet thuiszitten. Ik denk dus dat de situatie in het proefschrift positiever is dan in werkelijkheid omdat we de ambulancemedewerkers die ziek thuis zijn, niet hebben kunnen traceren. 10 Procent is een minderheid, maar wel een substantieel deel.'

'Het is een prachtig vak, laten we dat voorop zetten', zegt Koene. 'Je hebt vrijheid, afwisseling, met mooi weer ben je lekker buiten, elke dag wat anders. Het is gewoon een zalig beroep, echt waar. Maar je moet het aankunnen.'

'Je moet voor dit werk geboren zijn', zegt chauffeur Ari. 'Het moet uit je hart en je ziel komen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden