Een dronken Duitse soldaat leidt tragedie in Jutphaas in

Deel 6 van de serie De Oorlog gaat vooral over de slachtoffers. Over de periode waarin de Tweede Wereldoorlog steeds dichterbij kwam....

Sneuvelen in een oorlog is verschrikkelijk. Sneuvelen op de laatste dag van de oorlog is van een ongekende wreedheid. Voor sneuvelen direct ná de oorlog zijn eigenlijk geen passende woorden. Toch is het in mei 1945 in Nederland gebeurd. Direct na de bevrijding zijn er tientallen doden gevallen, onder tragische omstandigheden, maar vooral door ongeregeldheden rond het ontwapenen van Duitse soldaten.

Het bekendst is de schietpartij op de Dam in Amsterdam, op 7 mei 1945, waarbij 22 slachtoffers vielen. Duizenden mensen stonden op die maandagmiddag te wachten op de Canadese bevrijders, toen een groep Duitsers, vanuit het gebouw van de Groote Club, het vuur opende. Het waren leden van de Kriegsmarine, uit op wraak na de aanhouding van Duitse militairen op de hoek van de Paleisstraat en de Spuistraat.

Arrestatie en ontwapening door de Binnenlandse Strijdkrachten was tegen de regels. Dat recht was strikt voorbehouden aan de geallieerde bevrijders, in Amsterdam waren dat de Canadezen. De BS’ers konden zich niet langer inhouden: ze wilden de nieuwe verhoudingen onderstrepen. Het staat wel vast dat de problemen begonnen toen een van de Duitsers weigerde zich over te geven en een schot loste, waarna een BS’er terugschoot.

Kettingreactie
Het is nooit vastgesteld of dat de directe aanleiding was voor de wraakactie van de Kriegsmarine. Het lijkt er meer op dat er sprake was van een kettingreactie. De gevolgen waren, hoe dan ook, dramatisch. De vele foto’s die van de gebeurtenissen zijn gemaakt (er waren veel fotografen naar de Dam gekomen) vertellen het verhaal.

Overal zijn gedode mensen op straat te zien. Zestig personen zijn min of meer ernstig gewond geraakt. Mensen liggen op de grond in dekking achter een draaiorgel, sommigen zelfs achter de stoeprand. Wat een onvergetelijk feest had moeten worden werd een ongekende tragedie.

Er zat die dagen veel frustratie bij de Binnenlandse Strijdkrachten, de overkoepeling van het verzet. Bevelhebber prins Bernhard had zijn mannen in april al voorbereid op de gewichtige taak de vijand te ontwapenen. Maar op 4 mei kreeg hij in Beekbergen, waar hij zijn intrek had genomen, de Canadese generaal Foulkes op bezoek. Foulkes gaf hem de instructie van veldmaarschalk Montgomery door: de Binnenlandse Strijdkrachten zouden geen Duitsers mogen ontwapenen.

Bernhards protesten waren vruchteloos. In zijn geautoriseerde biografie staat zelfs dat hij zich schreiend op zijn bed wierp en dat zijn wereld op dat moment instortte. Feit is dat niet alleen in Amsterdam de BS de instructie maar beperkt opvolgde. Ook elders in het land zijn na 5 mei treurige incidenten voorgevallen.

In Utrecht bijvoorbeeld. Vlak bij het woonhuis van NSB-leider Anton Mussert, bij het Rosarium, raakte op 7 mei een groep jonge BS’ers, vooral studenten, in gevecht met Duitse soldaten, die zich niet wilden laten ontwapenen. Toen er een schot was gevallen, kregen de Duitsers hulp van verschillende kanten en ontstond er een vuurgevecht. De BS’ers probeerden zich schuil te houden, maar vanaf het balkon van Musserts voormalige huis gaf een onbekend gebleven vrouw aanwijzingen waar ze te vinden waren. Tien BS’ers werden gedood door kogels en handgranaten.

Uitvoerig onderzocht zijn dit soort schietpartijen niet – er waren kennelijk andere kwesties urgent in die meidagen. Daarom is ook de schietpartij in Jutphaas (tegenwoordig onderdeel van de gemeente Nieuwegein) altijd in nevelen gehuld gebleven.

In een gesprek met de tweelingbroer van een van de slachtoffers en met een van de betrokkenen, blijkt dat de wonden ook na zoveel jaar niet geheeld zijn. Er vielen op 7 mei 1945 zes doden in het dorpje Jutphaas, vijf Nederlanders en een Duitser. Die dag stonden veel inwoners langs de Herenstraat te wachten op de komst van de Canadezen. Uit de archieven is het verslag beschikbaar van de toenmalige BS-commandant in Jutphaas, zijn verzetsnaam was Van Lunteren.

Daaruit blijkt dat de ellende begon toen een aangeschoten Duitse militair zwaaiend met een automatisch pistool op een motor over de Herenstraat reed, en op het publiek dreigde in te rijden.

Van Lunteren schrijft dat hij zijn ondergeschikten opdracht gaf aan deze toestand een einde te maken. Een van hen, Piet van Gerrevink, weet het nog precies: ‘We waren met z’n drieën, Theo Hanselaar, Rikus van den Brink en ik. We kregen de opdracht hem te ontwapenen. We moesten eerst onze stengun gaan pakken, die we net hadden gekregen. Ze stonden in het gemeentehuis, pal tegenover de plek waar de onrust was ontstaan.’

Van Gerrevink moest nog even terug, want zijn stengun was zó nieuw dat ie nog onder het vet zat, ‘en daar kun je dus niet mee schieten’. Toen hij zich weer bij de anderen wilde voegen hoorde hij een schot: een van zijn twee maten had de dronken Duitser neergeschoten. Volgens commandant Van Lunteren was het Rikus van den Brink geweest, die had gevuurd toen de Duitser naar zijn automatisch pistool greep. Van den Brink had zich bedreigd gevoeld.

Belegering
Toen brak in Jutphaas de hel los. Overal kwamen Duitse soldaten vandaan. Er zaten er nogal wat, onder andere in het nabijgelegen Kasteel Rijnhuizen, en ook in een gevorderde school. De BS’ers die bij het incident betrokken waren vluchtten weg, de meesten gingen het gemeentehuis in. Er volgde een belegering waarbij de Duitse soldaten dwars door het glas-in-loodraam schoten. Van Gerrevink zat met zijn commandant en drie anderen binnen. Ze konden niet terugschieten zonder hun plek te verraden.

In de directe omgeving vielen al een paar doden. De omstanders waren alle kanten op gevlucht, drie van hen werden doodgeschoten, onder wie bakker Luiten in het steegje naast zijn zaak. De BS’ers beraamden na ruim een uur een uitval.

Op de tweede verdieping van het gemeentehuis, aan de zijkant, openden ze een raam. Ze sprongen achter elkaar een meter of vijf naar beneden, over een brandgang heen, op het fietsenhok van het huis ernaast. Commandant Van Lunteren brak daarbij twee middenvoetsbeentjes, Theo Hanselaar zijn enkel, Van Gerrevink scheurde een pees af. Maar ze verbeten de pijn, klommen over een schutting en vluchtten een huis in, de woning van de weduwe Van Bentum.

Theo Hanselaar vluchtte op de eerste verdieping in een kast, de anderen vonden een ladder die naar de vliering leidde. Van Gerrevink: ‘Ik was timmerman, ik kende dat soort huizen, ik wist hoe het zat, we klommen die ladder op, en toen de laatste boven was, haalden we de ladder op en sloten het luik. Niemand zag waar we zaten.’

Theo Hanselaar was er niet bij, hij was gewond in de kast blijven zitten. Hij kon niet meer lopen. Van Gerrevink: ‘Ik deed toen ik erlangs kwam de kast open en hij zei: ‘Kom er niet bij, want dan schieten ze ons allebei dood.’ Dat waren zijn laatste woorden.’

Een paar minuten later doorzochten de wraakzuchtige Duitsers het huis. Ze schoten door alle kasten (‘De gaten zaten in de lakens’), ook door de kast waar Theo Hanselaar zich had verstopt. Toen hij later werd gevonden had hij een kogel in zijn hoofd en een in zijn pols. Evert Hanselaar, de tweelingbroer van Theo, was er niet bij. Hij zat in Berkel en Rodenrijs, ondergedoken. De volgende dag hoorde hij het gruwelijke nieuws, hij fietste direct naar Jutphaas, om bij de begrafenis te zijn.

De mannen op de vliering hebben het gered, ze werden niet ontdekt. Aan het eind van de middag, kwam er een Canadese patrouille uit Utrecht om orde op zaken te stellen en de Duitsers te ontwapenen. Toen bleek de tragedie in volle omvang: twee BS’ers gedood, drie burgers plus de dronken Duitse soldaat.

Hoofdonderwijzer
Evert Hanselaar, de tweelingbroer van Theo was niet aanwezig bij de tragedie. Hij zat ondergedoken in Berkel en Rodenrijs. Hij woont nog steeds op hooguit honderd meter van de plek waar Theo omkwam.

Hij is inmiddels 91, en was een leven lang hoofdonderwijzer van de School met de Bijbel in Jutphaas. ‘Theo en ik waren een eeneiige tweeling. Ik kon er lange tijd niet van slapen, en als ik insliep, droomde ik ervan. Dat ik aan de andere kant van de sloot lag en dat mijn broer mij te hulp riep. Later is dat gesleten, doordat ik er veel met mijn vrouw over kon praten.’

Zijn vader, die dominee in Jutphaas was, is nooit over het verlies heen gekomen. Hij heeft de BS-commandant altijd verweten dat hij de onervaren verzetsmensen op de gewapende Duitsers heeft afgestuurd en daarmee de dood van zijn zoon heeft veroorzaakt.

Evert: ‘Ik kon me dat van mijn vader wel voorstellen. Zelf heb ik de commandant gewoon gegroet, ik ben gewoon met hem omgegaan. Ik probeer een christen te zijn, ik heb hem vergeven, maar vergeten kon ik het niet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden