Een dode spreekt de waarheid

Hij was schrijver en politicus, maar vooral een schrijver. Scherp observator, schuchter in de salons, onverschrokken in het openbaar. Het levenswerk van Chateaubriand, de Mémoires d'Outre-Tombe waaraan hij 37 jaar schreef, is nu vertaald....

DE FRANSE schijver François-René de Chateaubriand overleed op 4 juli 1848. Hij werd opgebaard in de tombe die hij vlakbij Saint-Malo op het eiland Grand-Bé (wat Bretons is voor tombe) had laten oprichten. Sindsdien is hij allesbehalve stilgevallen, maar spreekt hij van gene zijde tot ons.

Dat klinkt misschien vreemd, wonderlijk, geheimzinnig of zelfs spookachtig, alsof daar aan de Bretonse kust boven het bulderen van de wind en het lawaai van de branding uit al honderdvijftig jaar lang een grafstem opklinkt die ons voortdurend een memento mori (een 'weet dat ge sterven gaat') toeroept, maar het is niettemin waar, of althans heel lang waar geweest.

Op een bepaalde manier, kun je zeggen, spreekt Chateaubriand nog steeds tot ons, maar niet op de rechtstreekse manier die ik suggereer. De werkelijkheid is minder romantisch.

Waar ik op doel zijn de herinneringen van Chateaubriand, die hij op 4 oktober 1811 in Rome begon op te tekenen en waaraan hij tot het eind van zijn leven zou werken. Drieënveertig jaar oud begon hij - met nog 37 jaar te leven, wat hij uiteraard niet kon weten, hij nam het zekere voor het onzekere - aan iets wat een kolossaal boekwerk zou opleveren, zijn Mémoires d'Outre-Tombe. Zijn hele leven, alles wat hij te verduren gehad ten tijde van de Franse Revolutie en onder Napoleon, moest erin worden opgenomen, zonder ook maar iets te verzwijgen, zoals hijzelf zei, maar dat was niet helemaal waar, zoals we zullen zien.

Het boek mocht pas na zijn dood publiek worden gemaakt. In de Mémoires betreurt hij dat - zo kon hij immers zelf de drukproeven niet meer corrigeren - maar het was niet anders. Pas als dode kon hij de volledige waarheid spreken.

Hij stelde nog een tweede eis aan het verschijnen van zijn memoires. Ze mochten alleen als geheel worden gepubliceerd, want zo waren ze bedoeld, als een onverbrekelijke eenheid, net als het leven zelf.

Mocht dat leven voor de buitenstaander een va-et-vient van voorspoed en tegenslag zijn geweest, wisselend als eb en tij op de geliefde stranden van zijn geboortegrond, voor de na hem komende generaties wilde hij dat zijn lotgevallen als een onzinkbare bark op de golfslag van de tijd koers zouden zetten naar de eeuwigheid.

Daarom deed hij zo verschrikkelijk zijn best. Tot aan zijn dood bleef hij zijn memoires herschrijven. Niets werd aan het toeval overgelaten (al moeten we niet uitsluiten dat sommige lieve vriendinnen van hem aan wie hij stukken voorlas, mogelijkerwijs invloed op zijn herzieningen hebben gehad).

Anders dan de auteur had gewild verschenen zijn memoires meteen na zijn dood niet als boek, maar als feuilleton in de krant La Presse. Het heeft ze niet geschaad. Ze werden vermaard, en zouden dat heel lang blijven, zelfs in Nederland. Hier leidden ze het geheime leven van een boek dat je gelezen moest hebben, of waarvan je tenminste had gehoord, 'een monument van de Romantiek in Frankrijk'. Vorige week verscheen een (ernstig bekorte) versie in de vertaling van Frans van Woerden - die ook werk van Céline voor Nederlandse lezers ontsloot - onder de titel Memoires van over het graf.

Leer je Chateaubriand daaruit kennen?

Enigszins. Onvoldoende.

Van Woerden geeft niet de hele Mémoires, maar fragmenten (door irritante puntjes tussen teksthaken onderbroken). Hij heeft die brokstukken weliswaar met overleg gekozen, en zelfs aan deze editie een eigenhandig vervaardigd biografietje van de schrijver toegevoegd, maar het is alles bij elkaar te weinig voor lezers die op grond van het origineel Chateaubriand en zijn werk een warm hart toedragen.

Deze editie zal het niet een, twee, drie begrijpelijk maken waarom deze memoires zulke verschillende bewonderaars hebben gekend als de schepper van Madame Bovary (Gustave Flaubert) en de superieure negentiende-eeuwse Nederlandse criticus, Conrad Busken Huet. In feite is de editie die nu voorligt een onmogelijk ding, vlees noch vis. Het toont de goede wil van de vertaler en de onmacht van een eigentijdse concern-uitgever die te weinig speelruimte heeft om in een (exceptioneel) geval als dit breed uit te pakken, zoals Van Oorschot deed met Het bureau, Bulaaq met de volledige Duizend-en-één-nacht, of Querido met de memoires van Casanova. Ook deze memoires hadden in een aantal boekdelen, desnoods verspreid in de tijd, volledig kunnen verschijnen.

Omdat ze een eenheid zijn, ja, maar ook omdat een boek dat door zovelen is bewonderd, en zoveel schrijvers heeft geïnspireerd recht heeft op een status aparte. Talloos zijn de bewonderende beschouwingen over Chateaubriand, en juist dit boek van hem. Neem Maxime du Camp, die in 1847 met zijn vriend Flaubert een bedevaartstocht naar Bretagne onderneemt (heerlijk om te lezen, hoe eigen, ongerept, exotisch, maar ook hoe primitief dat land toen was).

IN Uren met Flaubert en andere herinneringen schrijft hij: 'Ik kan mij niet zonder emotie ons bezoek aan het kasteel in Combourg herinneren en hoe aangedaan wij waren toen wij het bordes betraden dat naar het oude onderkomen van Chateaubriand voert. We namen instinctief onze hoed af alsof we ons op een heilige plek bevonden. Toen we het kleine kamertje binnengingen, waar hij zoveel gemijmerd heeft en waar hij tegen die verschrikkelijke liefde heeft gevochten die hij in zijn memoires nauwelijks durft aan te duiden, had Flaubert vochtige ogen en legde hij zijn hand op de tafel alsof hij iets van die grote geest had willen vastgrijpen.'

Kom daar tegenwoordig nog eens om, ben je geneigd te denken, maar dat is te vroeg geroepen. Nuchter constateert Du Camp: 'De mensen van mijn generatie hadden zo'n verering voor hem dat jongelui van tegenwoordig dat niet kunnen begrijpen of zich voorstellen.'

In de Nederlandse literatuur hebben we niet zoiets als de Mémoires d'Outre-Tombe. Huet zag in Multatuli weliswaar een Nederlandse Chateaubriand, en alleen al op grond van diens Ideën is daar veel voor te zeggen, maar die vergelijking gaat niet helemaal op. Multatuli voelde er trouwens zelf niets voor, uiteraard omdat hij met niemand te vergelijken was. Wat hem wel aansprak was dat schrijvers als Chateaubriand die zich met politiek inlieten in Frankrijk serieus werden genomen - en belangrijke functies aangeboden kregen. In Nederland werden zulke schrijvers - zoals hij - alleen maar 'geschandvlekt'!

Net als Maxime Du Camp aanvaardt Busken Huet dat er al in zijn tijd een grote afstand tot Chateaubriand was ontstaan. Deze had zijn reputatie in Frankrijk behouden dankzij romantische verhalen als René en Atala en vooral Le Génie du Christianisme, het boek dat hem in 1802 in één klap beroemd maakte en hem zowel bij Napoleon als de paus een gemakkelijk entree gaf. Napoleon maakte hem meteen ambassade-secretaris in Rome, waar de paus hem met zijn boek in handen ontving.

De verdediging van het rooms-katholieke geloof, die Chateaubriand in Le Génie op zich had genomen, sprak velen aan na de rampzalige jaren van de revolutie, die volgens hen een gevolg was van de verlichtingsideeën. Maar, zegt Busken Huet, als reactie op zoveel faam: 'Toen wij jong waren, was het Génie du Christianisme al oud; even oud als de omwenteling zelve waartegen het in verzet kwam, en van wier rampen het bestemd was te troosten. Zelfs Atala en René, de twee populairste episoden van het eenmaal beroemde boek, behooren voor ons tot de literatuur-geschiedenis. In onze verbeelding zien wij beiden de hand reiken aan de verlustigingen van een voorbijgegaan geslacht; La Nouvelle Heloïse, Paul et Virginie, Werther, Willem Leevend.'

Dit is voor Huet de opmaat voor een beschouwing over werk en leven van Chateaubriand die in de Nederlandse literatuur zeldzaam is: briljant zoals hij de beide novellen analyseert - en en passant ook even wijst op die 'vreemde liefde' van Chateaubriand waar Du Camp van sprak - om ten slotte aan de hand van de memoires tot een mooi afgerond inzicht in de man te komen: 'Een onoverwinlijk scepticisme', noteert hij over de schrijver van wie hij het werk voor de vergetelheid wil behoeden, 'vormde den grondslag van zijn wezen, maar het was het scepticisme van een kunstenaar, niet van een beeldstormer. Hem kon noch het praktische leven voldoen, noch de studie, noch de wijsbegeerte. Omtrent alles waaraan hij zich daarin hechtte, was hij in een oogwenk ontgoocheld.' Een dan met een nieuwe alinea: 'Ook de godsdienst voldeed hem niet. . .'

Busken Huet, met zijn prachtige stijl, slaat de spijker op de kop. Wie zijn woorden nu leest (of herleest) talmt niet om het oeuvre van Chateaubriand weer ter hand te nemen. Wie was hij, deze edelman en schrijver, zoals hij zichzelf noemde, die vanuit het sombere kasteel in Combourg, met die zwijgzame vader en weinig aantrekkelijke, maar ambitieuze moeder de wereld introk, ongelooflijk veel schreef, hoge ambten bekleedde (een tweetal ministersposten), en zijn leven lang met de grote Napoleon wedijverde?

Het is een vraag waarop vele biografen een antwoord hebben gezocht, maar meer dan Chateaubriand zelf hebben ze zelden te zeggen, al zijn zijn memoires niet altijd even boeiend, door de soms overvloedige documentatie, of namen en feiten die je niets meer zeggen. Wel hebben de levsnbeschrijvers duidelijk gemaakt dat de auteur niet altijd de waarheid spreekt, en zelfs veel verzwijgt. Over het liefdesleven buiten zijn huwelijk bijvoorbeeld (Van Woerden gaat er uitgebreid op in) hoor je hem alleen zeer ingetogen spreken.

Het is minder belangrijk dan de voortreffelijke manier waarop Chateaubriand schrijft, zijn stijl. Die literaire kwaliteit staat een ontmoeting met de (historische) werkelijkheid, niet in de weg, integendeel. Al zullen wij nog steeds gecharmeerd zijn van de vertellingen over zijn jeugd in Bretagne, ronduit schokkend zijn de (ooggetuigen)verslagen die hij geeft van de revolutie (waarvan de schrijver in beginsel geen tegenstander was, totdat hij in Parijs het eerste hoofd op een piek door het gepeupel rondgedragen zag worden). Rebellenleiders als Robespierre, Marat, en vooral Fouché worden met meedogenloze scherpte geportretteerd.

Wie ervan kennisneemt, zal misschien beter begrijpen dat het dan al wat achterop geraakte Frankrijk (nauwelijks industrialisatie, vele koloniën kwijt) een verkeerde weg insloeg. Zowel de Revolutie als Napoleon kostte Frankrijk alleen maar geld en mensenlevens. Ontluisterend zijn Chateaubriands beelden - verbijsterend en grotesk tegelijk - van de oorlog in Rusland, waar Napoleon de grande armée ten verderve voerde. Als geen ander is Chateaubriand erin geslaagd de verschrikkingen van revolutie en oorlog voelbaar te maken. Geen wonder, voor iemand die zelf zo te lijden had gehad in de tijd dat 'het persoonlijke' dankzij de idealen van de Verlichting zo 'politiek' was geworden.

Je kunt hierop de nadruk leggen, maar je kunt even goed beweren dat de memoires zo aantrekkelijk zijn, omdat ze een indruk geven van het leven in Amerika, Londen, Berlijn, Rome, Venetië, Palestina, Egypte en al die plaatsen waar Chateaubriand verbleef. Daarbij valt op hoezeer hij een observator is, en eigenlijk geen 'verteller'. Treffende waarnemingen geven zijn herinneringen kleur, en brengen je nader in contact met de persoon van de schrijver, een relativist, die weliswaar ambitieus genoeg was om zijn tegenstanders dicht op de huid te zitten (Napoleon vooral), maar even goed in een langdurig schouderophalen kon vervallen over de vergeefsheid van alles.

EEN GROTE nostalgie doortrekt deze memoires. De dood is op vele bladzijden aanwezig. De reflecties en beschouwingen daarover maken dit kunstwerk tot een modern memento mori, zoals Van Woerden terecht schrijft, een uitdrukking die des te meer op zijn plaats is als je weet dat hij door de trappisten is gemunt, van welke orde Chateaubriand een (overigens sterk gekritiseerd) beeld gaf in zijn levensbeschrijving van de abt Rancé. Het zijn de woordkeus, zinsbouw, inzet en alomvattenheid die dit werk zijn kracht en vitaliteit verlenen. Voor de lezer een bewijs dat er de auteur alles aan gelegen was de dood de baas te blijven.

Je proeft dat in de Franse editie uiteraard meer dan in de bekorte Nederlandse vertaling, die niet altijd de toon treft van het origineel. Frans van Woerden is, anders dan Multatuli (of Busken Huet, die in zijn beschouwing voortreffelijke staaltjes vertaalkunst geeft) geen Chateaubriand. Hij is ook geen zeer getalenteerd schrijver, want de biografische schets die deze uitgave van de Memoires begeleidt, is soms zo melig van stijl dat je de neiging hebt het boekje maar terzijde te leggen. Jammer, want Van Woerden heeft op de feiten zeer zijn best gedaan (en zonder deze feiten zullen deze memoires voor velen helemaal een gesloten boek blijven).

De biografie van Van Woerden vervult nog een andere rol. Zij geeft hem de gelegenheid iets terug te halen van het vele dat hij heeft moeten schrappen. Dat is niet erg bevredigend. Het kan betekenen dat je belangrijke passages van Chateaubriand niet in de Memoires vindt, maar wel in Van Woerdens biografie.

Een voorbeeld is de scène waarin Lucile, de zus van Chateaubriand met wie hij in Combourg zo intiem omging (wat aanleiding gaf tot het gerucht over een incesteuze verhouding), hem aanraadt zijn dromen en ideeën op te schrijven. Bij Huet lezen we: 'Ge moet dat opschrijven', zeide Lucile, toen zij op een dier wandelingen mij het verrukkelijke der eenzaamheid hoorde roemen. Dat gezegde ontdekte mij aan mijzelf. Ik gevoelde mij tot een nieuw leven ontwaken; het was of in mijn binnenste eene grote leegte werd aangevuld, of er een goddelijke adem langs mij heen streek, en ik begon verzen te stamelen met een gemak, alsof zij mijne aangeboren taal waren.'

Zo werd hij schrijver en op den duur politicus. Een man van het woord en een man van de daad, inderdaad een zeldzame combinatie, maar de vraag is in hoeverre de politiek hem werkelijk heeft geboeid, anders dan in verbale zin: hij spaarde zijn tegenstanders de roede niet. 'Ik was schuchter in de salons, maar onverschrokken in het openbaar', zegt hij in het vijfde boek van zijn memoires. 'Ik voelde mij voorbestemd voor hetzij de eenzaamheid, hetzij het spreekgestoelte.' Veel later beweert hij, nooit te beroerd om zichzelf ondanks alle zelfkritiek uiterst positief te bekijken: 'Ik kan er dus, zonder mezelf op de borst te kloppen, van uitgaan dat de politicus in mij van hetzelfde kaliber is als de schrijver; maar aan politieke roem hecht ik geen enkele waarde.'

Wie de memoires heeft gelezen weet wel beter: uit de dromer, het eenzame jongetje in Bretagne, groeide niet zozeer een politicus als wel een schrijver, iemand die zijn handen vrij wilde houden om het leven zo ongehinderd mogelijk te peilen. Iemand, die door zijn aard was voorbestemd om zich te verliezen in grootse doelen en verheven idealen (en inderdaad toonde hij in zijn jeugd belangstelling voor revolutionaire denkbeelden en het rooms-katholieke geloof), maar daar vond hij het niet. Het project dat hem mogelijk maakte boven zichzelf uit te stijgen, was hijzelf. Daarmee was hij zowel een kind van zijn tijd als zijn tijd ver vooruit. Hij kondigde de Romantiek aan, die ons in de anderhalve eeuw daarna zou leren dat bescheidenheid niet langer een deugd was.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.