Eén dode broer, of twee. Maar niet mijn moeder, niet mijn neefje

Ismail Ziada woont al een tijd niet meer in Gaza. Hij wil terug, maar de Israëliers laten hem er niet in. Op 20 juli zit hij in Den Haag, als een Israëlische piloot de aanval inzet op het huis van zijn moeder.

Ismail Ziada (39) skypte met zijn broer in Gaza-Stad. Zijn zoon hield trots zijn nieuwste Playmobiel-aanwinst in beeld om te laten zien aan zijn neefje. Het was zondagmiddag 20 juli en Ismail zat in de witte fauteuil. Uit het raam zag hij de steigers van zijn eigen verbouwing in een zonnige straat in Den Haag.

Sinds Israël de aanval op Gaza had geopend, was die fauteuil de cockpit van waaruit Ismail per telefoon en Skype contact onderhield met zijn zeven broers, twee zussen en vooral met zijn moeder, allemaal in Gaza. ‘Ik sliep nauwelijks. Ik wilde online zijn als er daar elektriciteit was.’

Beschietingen

De broers spraken die zondagmiddag over de hevige artilleriebeschietingen van het Israëlische leger op de omgeving van hun familiehuis in het vluchtelingenkamp Bureij, bewoond door hun moeder en vier broers met hun gezinnen. De beschietingen leken die zondag willekeurig, er was geen pijl op te trekken, concludeerden de broers zowel aan de Haagse als aan de Gazaanse kant van de lijn. In Bureij woonden 25 familieleden onder één dak, de droom van hun 70-jarige moeder. ‘Al had ze de Nederlandse kleinkinderen ook het liefst daar gehad, dat zei ze bij elk telefoongesprek.’

Ismail woont met zijn Nederlandse vrouw Angélique Eijpe (42) en hun drie zoons van 7, 6 en 3 in Oman. Angélique is er diplomate voor de Nederlandse regering. Skype is in Oman verboden, dus grijpen ze de zomervakanties in Den Haag aan om bij te praten met de familie in Gaza.

Het is allemaal bij gebrek aan beter. Elkaar in levenden lijve zien is al vier jaar niet meer mogelijk. Ismail en de kinderen mogen van de Israëlische autoriteiten Gaza niet in, de familie mag er niet uit. Dat de hele familie deze zomer vaak bij elkaar zat in de veiligste kamer, vanwege de bombardementen, was een wrang soort geluk. ‘Dan hoorde ik mijn broer Yousef grapjes maken tegen de kinderen over de bommen en over het raketschild Iron Dome. Hij maakte altijd grapjes.’

Beslissing

Hun moeder had die ochtend gesommeerd dat de vrouwen en kinderen het huis uit gingen, hoorde Ismail van zijn broer. Een aantal van hen was nu in Gaza-Stad. Een volledig rationale beslissing zal het niet zijn geweest. Naar buiten gaan was ook niet veilig, en Gaza-Stad ook niet. Maar Ismails moeder had voet bij stuk gehouden - en daarmee een groot deel van haar familie gered, al zal ze dat nooit weten.

Alleen Bayan, de vrouw van Ismails oudste broer Jamil bleef, samen met haar 12-jarige zoon Shaban. ‘Ik wist dat er zes mensen in huis waren’, zegt Ismail.

‘Er is iets met het familiehuis.’ Om kwart over twaalf Nederlandse tijd wandelde een nichtje het scherm van Ismail binnen, telefonerend. Ismail zag hoe ze tegen zijn broer praatte. ‘Ik raakte niet meteen in paniek. Ik dacht, misschien is het huis geraakt.’ Hij zag hoe zijn broer naar zijn mobieltje liep en alle broers in Bureij begon te bellen, hoorde hoe zijn broer begon te schreeuwen: niemand neemt op!

Ismail verbrak de verbinding. Angélique zette de kinderen in de bakfiets en fietste naar de speeltuin, om haar man even rustig te laten bellen. Als ze enig idee had gehad van wat er aan de hand was, had ze dat nooit gedaan.

Ismail belde zijn broers met Skype. Een voor een. Geen gehoor. ‘Ik dacht: dit is een slecht teken. Toen begon ik gestresst te worden.’ Hij belde een Palestijnse vriend die in Duitsland woont. Ze spraken kort. Ismail vertelde wat hij had gehoord. ‘Hij zei weinig - achteraf wist hij al wat er was gebeurd, hij had het weer van een vriend in Ramallah. Maar hij durfde het niet te zeggen.’

De buren

Ismail ververste het scherm van een lokale nieuwssite. Daar verschenen de namen van twee van zijn broers en van zijn neefje van 12, omgekomen bij een bombardement. Het lot van de rest las hij later bij een andere vriend op Facebook: zijn moeder Muftiya, zijn oudste broer Jamil en zijn vrouw Bayan, en hun zoon Shaban, zijn broers Yousef en Omar. Allemaal dood.

Het huis was weggevaagd door een vliegtuigbom - een precisiebombardement. De huizen van de buren staan nog overeind. ‘Het was het type bom dat een kuil onder het huis blaast waar alles in verdwijnt’, zegt Ismail. ‘Ze hebben geen idee wat ze raken.’ En dan, vlak en cynisch: ‘Ik ben inmiddels bommenexpert. Ik weet ook dat ze allemaal al dood waren voor het huis op hen stortte, door de kracht van de bom.’

De zes lichamen zijn geborgen en begraven. ‘En ik was er niet.’ Ismails stem klinkt monotoon. Woede voor alle pogingen die hij deed om toestemming te krijgen van de Israëlische autoriteiten om zijn familie te mogen bezoeken. Pogingen die stuk voor stuk stuitten op een ‘nee’ - zonder verdere motivatie. ‘Ik wil het daar niet over hebben. Ik word daar zo emotioneel van.’

En zelfs nu zijn broers en moeder zijn begraven, en hij moet meebeslissen over de toekomst van vijf wees geworden neefjes en nichtjes, mag hij er niet in.

Hij zit voorlopig in Den Haag, waar een buurvrouw klaagt dat het ongeluk brengt dat ze de hele dag onder die steigers door moet lopen, waar de zomervakantiedagen zich aaneenrijgen en zijn kinderen met de dag meer Nederlands spreken dan Arabisch en Engels.

Vermenging

Voor Angélique brachten de gebeurtenissen een ingewikkelde vermenging van werk en privé teweeg. Bij Buitenlandse Zaken hield ze zich jaren met het dossier Israël en Palestina bezig. ‘Nu gelukkig niet.’ Direct na de gebeurtenissen had ze de gedachte dat het grotere, politieke verhaal belangrijker was dan een relaas over het individuele leed van één familie. Inmiddels denkt ze daar anders over. ‘Ik denk dat het goed is als mensen dit verhaal horen, ook al is dit maar een van de vele getroffen families.’

Ismail en Angélique kennen elkaar uit Ramallah, waar Angélique in 1998 stage liep bij de Nederlandse vertegenwoordiging. Daarvoor had ze een jaar in een kibboets gewoond en aan een Israëlische universiteit gestudeerd. Ze sprinkhaande tussen beide kanten van het conflict. Maar ze werd verliefd op een Palestijn.

Ismail studeerde in die tijd economie aan de Birzeit Universiteit, waar Angélique ook vakken had gevolgd. Het was voor buitenlanders relatief eenvoudig om Gaza in te komen. Dus werd Angélique al snel geïntroduceerd bij de familie Ziada, toen nog in het oude huis, vier kamers rond een binnenplaats.

Ze werd opgevangen door Bayan, die al vanaf haar 15de bij de familie woonde. ‘Je schoonzus jaagde je broer de kamer uit en zei: zo hier slaap jij, met mij en de kinderen’, zegt Angélique. Zoiets zou in Nederland onvoorstelbaar zijn. Die gastvrijheid, alles delen.’

Ze lachen om de gedachte.

‘Ik had liever met mijn gezin in Gaza gewoond’, zegt Ismail, met een blik die van afwezig naar indringend gaat. ‘Ja, ondanks alles. Ik houd van het leven in het kamp, een leven waar vrienden en familie gewoon je huis binnenlopen als ze je willen spreken.’

Het is zoveel minder gestresst dan in Nederland, vindt Ismail. Kinderen hebben er niet één moeder en één vader, maar een heleboel. Je hebt zoveel aan elkaar, als we geen steun aan elkaar hadden, was ik samen met al mijn broers allang fucked up geëindigd.’

Sterke vrouw

Dat die sfeer zo goed is, dat iedereen bij elkaar is gebleven, komt door je moeder, zegt Angélique. ‘Ze was een sterke vrouw.’

In 1948 vluchtte de 4-jarige Muftiya met haar familie uit een Palestijns dorp - op de plek waar nu de Israëlische stad Kiryat Gat ligt - naar Gaza. Het is het jaar dat door de Israëliers gevierd wordt als het ontstaan van hun land en door de Palestijnen wordt aangeduid als ‘al Nakba’ - de catastrofe.

Toen bleek dat spoedige terugkeer een illusie was, vervingen de vluchtelingen hun tenten door lemen hutten. Ismails moeder werd jong uitgehuwelijkt aan een oude man die er al een huwelijk op had zitten. Toen Ismail, het zevende kind, 11 was, overleed zijn vader. Zijn oudste broer Jamil gaf zijn veelbelovende schoolcarrière op om voor het gezin te zorgen. Vijf van zijn zeven broers konden naar de universiteit.

In 2002 bouwden ze een familiehuis in Bureij, met een tuin en genoeg ruimte voor iedereen. Ismail had de logistieke leiding over de bouw. Voor iedere broer die wilde, bouwden ze er een verdieping bovenop. Voor hun moeder was het huis de belichaming van het gevecht dat ze had geleverd voor de toekomst van haar kinderen.

Menselijkheid

Daarom wilde ze niet weg uit het huis, zelfs niet tijdens de bombardementen. ‘Bovendien waren ze ervan overtuigd dat het Israëlische leger zou waarschuwen als ze zouden bombarderen’, zegt Ismail. ‘En ik ook. Tot de 20ste ging ik er, ondanks alle gruwelijke gebeurtenissen sinds 1947, van uit dat onze vijand nog enige menselijkheid bezat. Nu niet meer.’

Eén dode broer, zegt Ismail. Of twee, dat was het ergste wat hij zich kon indenken. ‘Maar niet mijn moeder, niet mijn neefje van 12. Dat ging ons voorstellingsvermogen te boven.’

Dit scenario had niemand bedacht - in Gaza niet en in Den Haag niet. Angélique denkt achteraf dat ze de situatie misschien te veel heeft gerationaliseerd. ‘Ik dacht steeds als ik het aantal doden zag: procentueel is de kans vrij klein dat een familielid wordt getroffen.’

Bij een demonstratie in Nederland had hun middelste zoontje leuzen opgepikt over de oorlog, over lijken en over gebrek aan water. ‘Op de terugweg zat hij te snikken achter op de fiets’, zegt Angélique. ‘Is het gevaarlijk voor oma?, vroeg hij. Ik hoor het mezelf nog zeggen: ‘Nee, met oma komt het wel goed.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden