Een dimensie extra

Heeft schilderkunst een streepje voor op sculptuur? Het Louvre toont fraai hoe juist de beeldhouwers in de vroege Renaissance als eersten wedijverden met de Oudheid. 

Schoonheid, zeggen sommigen. Anderen: het intellect of het realisme. Weer anderen: de antieken of het humanisme. Maar het hart van de Renaissance bestaat toch vooral uit één ding: de wedijver. Zonder competitie, of paragone, was er geen Renaissance geweest en was de kwaliteit van de kunsten nooit zo hoog opgelopen. Overbekend is de uitspraak 'armzalig de leerling die zijn meester niet overtreft', die Leonardo da Vinci met weinig gevoel voor zen opschreef en die een breuk met de mentaliteit van de periode vóór de Renaissance markeert.


Wedijver was een spel en een kunst op zich. Een goede kunstenaar imiteerde niet de Oudheid, maar concurreerde met die antieke kunstenaars. Een hoveling imiteerde niet de omgangsregels die Cicero voorschreef, maar probeerde die te overtreffen. Een goede dichter stak Orpheus naar de kroon. Er was strijd tussen de ontwerpende kunst uit Florence en de kleurgerichte kunst uit Venetië. Tussen literatuur en de visuele kunst. En bovenal was er de paragone tussen beeldhouwers en schilders, tussen tweedimensionale en driedimensionale kunst: wie kon werkelijkheid en hemelse schoonheid het beste vormgeven? Die kwaliteitsontwikkeling door middel van debat en vergelijking ging zo ver door dat het uitmondde in het academiesysteem dat wij nog altijd hanteren, waarin praktijk en kunsttheorie onderwezen wordt.


Maar vandaag lijkt, als we de balans opmaken, de beeldhouwkunst van die periode het toch nét te hebben afgelegd tegen de schilderkunst. Renaissance is voor veel liefhebbers vooral de Mona Lisa, de schilderingen in de Sixtijnse Kapel of Rafaels Stanze in het Vaticaan. Een beetje Masaccio, Giotto of Fra Angelico misschien. Het Laatste Avondmaal en de Madonna in de grot. Natuurlijk is er David, de marmeren reus op de Piazza della Signoria in Florence, en de beelden in de Loggia dei Lanzi, maar die staan niet meer waar ze horen. De buitenlucht is te gevaarlijk voor ze. Zelfs de bronzen deuren van het baptisterium in Florence zijn niet meer de echte - die komen volgend jaar, na restauratie, in het opgeknapte museum van de Duomo. De originele werken zijn niet meer in oorspronkelijke situatie te bewonderen. En tja, mensen houden nou eenmaal van schilderkunst - misschien door gewenning aan de hedendaagse stroom foto's en reclames en andere 2d-beelden, misschien ook doordat schilderijen kleurrijker zijn en sneller de aandacht grijpen.


Het Louvre in Parijs brengt nu een subtiele correctie aan in ons beeld van de Italiaanse Renaissance, met de grote tentoonstelling Le printemps de la Renaissance - de lente van de Renaissance, gemaakt in samenwerking met Palazzo Strozzi in Florence. En zo blijkt dat juist de sculptuur in die vroege jaren - een eeuw vóór Rafael en Leonardo - het beeld van de herwonnen Oudheid en het bijbehorende zelfvertrouwen van de mens bepaalde.


Alsof het de openingszin is van een memorabele speech, die voor altijd in de gedachten van de toehoorders zal blijven hangen, wordt bij binnenkomst met vier kunstwerken het hele concept van de tentoonstelling zelfverzekerd neergezet: wedijver, met elkaar en met de antieken. Twee bronzen reliëfs die gemaakt zijn als pitch voor de opdracht van de grote bronzen deuren van het baptisterium in Florence - het gebouw pal voor de Duomo op het plein - hangen naast elkaar aan de muur. Lorenzo Ghiberti en Fillippo Brunelleschi (die later ook de koepel van de Duomo ontwierp) laten ieder hun versie zien van hetzelfde onderwerp: Abrahams offer van Isaak vlak voor een engel ingrijpt en de bizarre moord voorkomt (God vroeg Abraham zijn zoon eigenhandig te offeren om zijn toewijding te bewijzen).


Het is de wedstrijd van de eeuw. Niet alleen omdat de opdracht prestigieus was, ook omdat beide kunstenaars hoofdrolspelers blijken in wat later nogal radicaal de Renaissance (wedergeboorte) is gaan heten. Zo prompt was die periode in werkelijkheid niet, er was een aanloop van minstens een eeuw voor nodig. Maar wat deze mannen typeert is dat ze allebei in de kunst van de Oudheid de verbeelding zien van een ideale werkelijkheid. In hun reliëfs hebben Ghiberti en Brunelleschi allebei antieke beelden geciteerd: Ghiberti een torso van een centaur uit de 1ste eeuw, Brunelleschi een prachtig marmeren beeld (kopie van een bronzen origineel uit dezelfde tijd) van een naakte jongen die een doorn uit zijn voet haalt uit de 1ste eeuw voor Christus. Beide originelen staan in het Louvre naast de reliëfs. Dát maakt tijdelijke tentoonstellingen als deze tot eenmalige concerten: je kunt er kunstwerken, als muzikanten, even samenvoegen zodat ze elkaar optillen en er iets nieuws ontstaat. Daar wil je bij zijn geweest.


Dat er geen schilderkunst op de tentoonstelling te zien is - op een klein intermezzo van op sculptuur geïnspireerde fresco's na - doet de beelden goed. Alsof je iemand die normaal gesproken altijd in de schaduw van zijn partner staat even alleen spreekt en je eindelijk kans krijgt te merken hoe interessant hij is - ook al praat-ie zachter, met minder woorden en subtielere gebaren. Beeldhouwkunst heeft meestal geen kleur; vanaf de Renaissance worden beelden nauwelijks nog beschilderd en mag het transparante wit van het marmer of de bruine glans van brons of hout hun werk doen. In beeldhouwkunst kun je, zo redeneerden de voorstanders van de schilderkunst destijds, niet de hele omgeving van een figuur uitbeelden; interieur of landschap of slaapkamer, de sfeer van het zonlicht of de nacht, het ontbreekt. Je moet dus als beeldhouwer al je overtuigingskracht in die ene figuur leggen. Het is harder werken, letterlijk: het hakken uit marmer verschilt in inspanning nogal met het mengen van zachte pigmenten op een palet.


Maar de beeldhouwkunst heeft ook een groot voordeel: je kunt er omheen lopen. Wat in een schilderij alleen gesuggereerd kan worden, ruimte, is in sculptuur echt. En waar het ging om het volgen van de antieke voorbeelden, hadden beeldhouwers het makkelijker. Want van de Romeinen en Grieken is weinig schilderkunst bewaard gebleven, maar wel veel beelden.


En dus vloeide juist via de sculptuur de beeldtaal van de oude Grieken en Romeinen, die van de eigentijdse christelijke moraal en de nieuwe Florentijnse republiek samen. Zoals in kleine beeldjes van engeltjes, de spiritelli: in de Oudheid werden die afgebeeld in reliëfs van graftombes, om de geest te verbeelden die in het lichaam huist, naar de leer van Aristoteles. In de Renaissance worden de kleine engelen immens populair - de putto wordt ook wel 'het enige echte genrefiguur van deze periode' genoemd. Altijd met vleugeltjes, en steeds schattiger en ronder. Ze maken de kunst van die tijd licht, het intellectuele opgewekt en het hogere aantrekkelijk en aanraakbaar. De betekenis van de putto is vloeibaar: van de antieke symboliek van de ziel, via een christelijke verwijzing naar de hemel naar een compleet profane: de vrolijke engel op de fontein, al dan niet met toeter aan zijn mond. Dat laat zien hoe makkelijk de kunst, en daarmee de ideeënwereld, van de klassieke beschaving werd aangepast aan de eigentijdse werkelijkheid. Florence was een machtige Republiek, waar bankiers het voor het zeggen hadden die zich met kunst profileerden als Romeinse heersers. Die wereldse zelfverzekerdheid was lang weggeweest in de Middeleeuwen, en sloeg ook op de kunstenaars zelf, met als hoogtepunt Michelangelo rond 1500, die als beeldhouwer én schilder het goddelijke verbeeldde en zelf een haast goddelijke status naar zich toetrok.


Het is misschien een aloud en schools onderwerp, de Renaissance. De standaard voor kunst immers, waar niemand ooit iets tegenin zal brengen. En daarmee des te moeilijker in een tentoonstelling te gieten die ook nog iets nieuws brengt. Maar de makers - Louvreconservator Marc Bormand en Bargello-directeur Beatrice Strozzi - hebben in vier jaar voorbereiding dit deel van Renaissance zo goed uitgeplozen en in deelonderwerpen ondergebracht, dat je wordt uitgenodigd de kunst opnieuw in zijn nuances en context te waarderen. Sculpturen vragen om een ander soort kijken, om ruimte. Mensen en beweging. Een beeld hoort op straat te staan waar het een onderdeel wordt van alledaags gedrag - zoals in Florence bij de beelden in de nissen van de Or San Michele. Ook zo'n grote openbare competitie tussen beeldhouwers trouwens, waarvan er in de tentoonstelling twee oorspronkelijke te zien zijn (in de echte nissen staan sinds de jaren zestig van de vorige eeuw kopieën). Je hoort er langs te lopen op weg naar je werk en tegen die gigantische heiligen op te kijken.


Sculpturen zijn geen bedevaartstukken om te bezoeken in een speciaal daartoe ontworpen museum, maar vaste waarden in de alledaagse ervaring, die je herinneren aan immateriële waarden: beschaving, waardigheid, liefde, macht, kennis, sensualiteit, inzicht. Omdat dat in Florence met de oorspronkelijke werken niet meer kan, wordt dat verhaal hier in het Louvre (en afgelopen zomer in Palazzo Strozzi) verteld. Niet op de straten en pleinen helaas, maar wel met de oorspronkelijke werken. Heel dichtbij, om langs te dralen en je aan op te trekken.


Le Printemps de la Renaissance: La Sculpture et les arts à Florence 1400-1460, Louvre, Parijs. T/m 6/1. Toegang 16 euro, catalogus (560 pag.) 45 euro, tentoonstellingsboek (50 pag.) 8 euro. Louvre.fr


Vertaal, imiteer, wedijver


Een aparte categorie in de tentoonstelling is beeldhouwkunst die schilderkunst 'imiteert': vlakke reliëfs in marmer, waarin net als in de vroege Renaissanceschilderijen ook perspectief wordt toegepast. Twee van de belangrijkste van deze zogenoemde stiacciati zijn naar het Louvre gekomen: Sint Joris en de Draak (1417, uit museum Bargello in Florence) en de Pazzi Madonna (1420-25, uit het Bode Museum in Berlijn), beide van de Florentijnse beeldhouwer Donatello. De reliëfs hadden een enorm grote invloed in de kunst, zowel op beeldhouwers als op schilders.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden