Een dichter en zijn Ierse schuldgevoelens

IS DE PEN minder zwaar dan de schop? Misschien is een dichter zelden meer met zijn eerste gedicht bezig gebleven dan Seamus Heaney met Digging, Graven, het openingsvers van zijn eerste bundel, Death of a Naturalist, die alweer dertig jaar geleden verscheen en onder heel wat nieuwe poëzie is komen...

Onder mijn raam klinkt het helder zuiver

schrapen

Van een spa die doordringt in een grond vol grint:

Mijn vader gravend. Ik kijk omlaag.

Daar wordt gewerkt en het geluid klinkt bijna als dat van de pen over papier. De gravende vader leidt naar de gravende grootvader: een turfsteker. De twee ontwapenen hem. En in de laatste strofe treedt hij in de traditie:

Tussen mijn vingers en mijn duim

Rust de logge pen.

Met hem zal ik graven.

En dat heeft hij inmiddels, in de paradoxale traditie van de poëzie, gedaan. Dichten als een vorm van in cultuur brengen, maar ook als een over zichzelf heenbuigen, als zelfafgraving, als een wijze van wortels zoeken (en doorsnijden, eventueel). In 1974 houdt Heaney een lezing, Feeling into Words; ze werd opgenomen in de prozabundel Preoccupations. In de inzet ervan citeert hij enkele regels van Wordsworth; ze zijn door hem herkend als eigen ideeën over poëzie: 'poëzie als voorspelling, poëzie als openbaring van zichzelf aan zichzelf, als herstel van de cultuur tot zichzelf; gedichten als elementen van continuïteit, met de aura en authenticiteit van archeologische vondsten, waar de begraven scherf een belang heeft dat niet wordt verminderd door het belang van de begraven stad; poëzie als graven, graven naar vondsten die ten slotte planten blijken.' En daarmee terugkeer tot de aarde, tot de vaderen, kan men zeggen, 'herstel van de cultuur tot zichzelf'. Dat 'zichzelf' en het vinden daarvan lijkt centraal te staan.

In dezelfde lezing herinnert hij zich uit zijn jeugd, dat er op school moest worden geleerd, omdat de schop zwaarder is dan de pen. Leren voor een lichtere toekomst dus. In de geciteerde slotregels van het eerste gedicht tracht hij pen en schop bijeen te houden, een scheiding die als verraad moet zijn gevoeld, ongedaan te maken. Maar de regels zijn natuurlijk ook een rechtvaardiging van het dichterschap. Aan zelfrechtvaardiging, gevolg van zijn gespletenheid, is Heaney zijn dichterschap lang niet ontkomen. Zijn opvattingen over poëzie zijn erdoor bepaald.

Zijn gedicht Follower, ook verschenen in zijn eerste bundel (een indrukwekkend vader-zoon gedicht, met een indrukwekkende omkering van voorganger en volger, die onafscheidelijk blijven) begint met deze regel: 'My father worked with a horse-plough'. De bijna vanzelfsprekend klinkende regel was toch 'bij nader inzien' tot stand gekomen. Oorspronkelijk stond er: 'My father wrought with a horse-plough'. En die verleden tijd, voor toegewijde arbeid met werktuigen en dieren, kwam uit de spreektaal van Midden-Ulster. In de eigen woorden van de dichter: 'Het woord hield solidariteit in met sprekers van het Zuid-Derry dialect en een bereidheid om je taal te verdedigen.' Waarom koos hij het dan? 'Het antwoord luidt', schrijft hij, 'dat ik twee keer nadacht. En als je eenmaal twee keer nadenkt over een plaatselijk woordgebruik, ben je ervan vervreemd en het recht dat je erop hebt wordt aangevochten door de officiële taalkundige censor met wie een ander deel van jezelf heult.'

Er vallen typische woorden als 'vervreemd' en 'heulen' en dat laatste doe je alleen met de vijand, ook in jezelf. Van 'wrought' naar 'worked' is een verraad aan de schop en de grond, die, in hun metaforische veelzijdigheid, ook voor de vadertaal kunnen staan.

WROUGHT had even een heel klein wapen kunnen zijn, het gebruik van het eigene als protest. Ook de scherf uit het begraven geraakte verleden. De geciteerde 'verantwoording' wijst op een gespletenheid bij de dichter. Heaney is een katholieke Noord-Ier. Dat heeft hem gevormd; het heeft ook zijn wereld en daarmee zijn poëzieopvattingen bepaald. Er is de solidariteit met het Ierse, met de literatuur en de hele geschiedenis van het land, met de vaders en de grootvaders dus. En daar is de taal en de cultuur, de Engelse, waarin hij is opgevoed. De taal van de vijand. Zelfs zijn verhuizing naar Ierland meende hij - in een overigens schitterende reeks gedichten - te moeten rechtvaardigen. En daarover zal hij toch wel meer dan twee keer hebben nagedacht.

Maar er is ook dit, en het vroegste gedicht wijst het al uit: hij kiest tegen het geweld en dat betekent ook tegen literatuur die in dienst staat van de strijd. Hij kiest voor de poëzie en de eigen herstelmogelijkheden ervan - zie het citaat uit het essay Feeling into Words. Maar dan moet die poëzie zich wel iedere keer opnieuw oprichten en haar eigen kracht tonen. Poëzie werkt op kortere termijn - de onmiddellijke schok van de herkenning - en op de langere: zij kan de werkelijkheid veranderen, althans de druk ervan verminderen, in ieder geval tegendruk geven. Zij troost ook. Maar zij kan ook, wanneer de woorden zich voor het eerst in een dwingende samenhang opdienen, plezier geven. Poëzie is een vorm van grensverkeer: tussen werkelijkheid en literatuur. En de kunst is de grens trachten te verleggen. Poëzie geeft ook genoegdoening voor het tekort van de werkelijkheid.

Wat een verzoenende woorden en metaforen vindt de dichter niet! Hoe groot moet zijn schuldgevoel zijn. Waarschijnlijk is de metafoor van de 'grensoverschrijding' de meest wezenlijke: die moet alles met zijn eigen positie als Noord-Iers dichter in de Engelse taal te maken hebben. Heaney is een grensfiguur; in ieder geval zo ziet hij zichzelf. Dat hij in zijn essays voortdurend Ierland en de Ierse dichters, onder wie Yeats de waarschijnlijk meest geciteerde is, oproept, is veelzeggend. Hij moet moeite doen om het niet voortdurend over Ierland en de Ierse kwestie en geschiedenis te hebben, als hij over poëzie spreekt en schrijft. Zijn essays en toespraken krijgen daardoor het karakter van een excuus: aan het eiland in de verte. Poëzie verdedigen is zichzelf verdedigen. En het bewonderen van vele dichters is mede een demping van de eigen schuldgevoelens over het schrijven van lyriek bij zoveel leed in de wereld. In zijn essaybundel The Governement of the Tongue stond dat laatste gegeven centraal. Ook zijn nieuwe bundel, The Redress of Poetry, in het Nederlands verschenen onder de titel De genoegdoening van poëzie, is ervan doortrokken.

Wanneer dichters over poëzie schrijven of spreken, overhandigen zij meestal ook hun geloofsbrieven: de traditie waarin zij staan - bij Eliot heeft dat tot essayistische hoogtepunten geleid: Dante, de Metaphysical Poets - de eigen opvattingen over poëzie, hun poëtica dus - Vestdijk in Lier en lancet, bijvoorbeeld, Nijhoff verspreid in zijn kritieken - de plaats waarop zij willen worden gezien, de dichters van hun voorkeur en die figureren meestal in de poëtica-omschrijving. De geloofsbrieven kunnen ook een bloemlezing zijn: Komrij. Geloofsbrieven komen altijd van een hogere instantie. In dit geval is dat de poëzie zelf. (En daarmee wordt al een bewijs van traditie gegeven.) Daarbij wordt dan getracht de poëzie zelf te omschrijven (naar eigen doel en inzichten, uiteraard), waarvoor de metafoor de enige mogelijkheid is.

DE geloofsbrieven van Heaney, als overhandigd in The Redress of Poetry, zijn enigszins merkwaardig: hij lijkt eerder andere dichters te vertegenwoordigen dan zichzelf en de stukken beschrijven eerder de poëzie die hij had willen of moeten schrijven dan de eigen poëzie. Zo komt de inzet over 'wrought' en 'worked' uit een essay over de dichter John Clare (1793-1864). Hij was de dichter die niet tweemaal nadacht, wat in zijn eerste bundel, in 1820 verschenen, tot een verbluffend eenvoudige poëzie leidt, die zonder meer schitterend is. En voor Heaney voorbeeldig. Maar ook Clare ging de grens over - maar vier mijl in dit geval - en hij raakte van zijn eigen poëzie vervreemd. Hij begon meer dan twee keer na te denken, met overigens virtuoze resultaten. Hij ging tot de officiële poëzie horen. En ook daarin moet hij voor Heaney exemplarisch zijn. Terugkeer naar de grond werd hem ontzegd. Het heulen is nooit meer geheeld. Hij bleef verscheurd. (Het essay over Clare is overigens een van de beste van de bundel, wat bij zoveel herkenning niet verwonderlijk is.)

De essays in The Redress of Poetry zijn oorspronkelijk als colleges gegeven. Heaney was vijf jaar lang Professor of Poetry in Oxford. Dat hield in dat hij drie keer per jaar een college moest geven. Tien van de vijftien heeft hij in het boek opgenomen, waaronder de inaugurale rede - die de titel gaf aan de bundel - en het slotcollege, dat op veel punten een herhaling is van de intree-rede. Tussen vele vormen van genoegdoening staan acht stukken over afzonderlijke dichters.

Direct schrijvend over de poëzie is Heaney verreweg op zijn best. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Eliot is hij geen groot theoreticus, helder is hij ook lang niet altijd. Dat maakt het openingscollege tot een vrij moeizaam stuk, met passages die in hun abstractie voor mij soms totaal onbegrijpelijk zijn. Wat hij over 'redress' te zeggen heeft, zijn vaak verwikkelde inkledingen van algemene waarheden over poëzie (en die heeft hij in het titelessay van The Governement of the Tongue veel helderder verwoord). Ik weet niet goed wat ik uit deze zin moet begrijpen (de context geeft ook geen verheldering):

'Laat ons zeggen dat poëzie, of ze nu behoort tot een oude politieke dispensatie of de ambitie heeft een nieuwe tot uitdrukking te brengen, een werkend model moet zijn voor een inclusief bewustzijn.'

Iets verder staat deze zin:

'Zolang de coördinaten van het verbeelde ding corresponderen met die van de wereld waarin wij leven en die we ondergaan, vervult de poëzie de functie van het tegenwicht bieden.'

Gezegd moet worden, dat het slotcollege helderder is: de dichter zegt met andere woorden wat hij in zijn openingscollege zei. Hij heeft eigen gedachten hergeformuleerd. Mijn wens was dat het laatste het eerste zou zijn geweest.

In de stukken over de afzonderlijke dichters staan vaak zeer treffende opmerkingen over poëzie in het algemeen: zijn betoog leidt Heaney, zonder nadenken, tot aforistisch geformuleerde waarheden. Zo schrijft hij in het essay over de Schotse dichter en veelschrijver Hugh MacDiarmid - een prachtig stuk, maar ook hier speelt de gewenste verwantschap een grote rol - over diens soms lyrische poëzie van de zuiverste soort: 'Plotseling wordt het toevallig aangetroffen ding het voorbeschikte ding: het onvoorziene verschijnt als het onvermijdelijke.' En in het bewonderende stuk over Elizabeth Bishop: 'Dingen zoals ze zijn lijken nog meer zichzelf als zij erover geschreven heeft.' De eenvoud blijft het door hem bij anderen meest benijde, want juist daar lijkt de poëzie opnieuw te beginnen, terzijde van de officiële. Door nogal wat passages lijkt het ideaal te schemeren van de dichter als bard.

M ISSCHIEN het origineelste stuk handelt over Oscar Wildes The Ballad of Reading Gaol. De estheet Wilde keert in dit laatste gedicht terug naar de volkse vorm van de ballade en uit er zijn solidariteit met de verdrukten en gestraften, vertegenwoordigd in de ter dood veroordeelde figuur uit het vers. Wildes terugkeer is een terugkeer naar de moedertaal - de poëzie van zijn revolutionaire moeder - en daarmee naar zijn Iers-zijn. En de Ier is altijd het slachtoffer en de onderdrukte! Heaney vecht - terecht, denk ik - Yeats' inkorting van de ballade aan. Hij moet het gedicht het hoogtepunt van Wildes werk vinden, ook omdat het het meest Iers is van alles.

Bijna een pleidooi voor het positieve in de poëzie is een vergelijkende studie van een gedicht van Yeats en van Larkin. Het gedicht van de laatste gunt hij zelfs niet het geloof in het leven dat het schrijven zelf toch laat blijken. Maar het stuk is misschien vooral een hulde aan Yeats, die als zeer voorbeeldig in bijna alle lezingen aanwezig is.

The Redress of Poetry werd vertaald door Jan Eijkelboom. Het spaghetti-achtige karakter van de theoretische stukken zullen hem, denk ik, niet veel plezier hebben gegeven. Maar gelukkig voor de uitstekende poëzie-vertaler die Eijkelboom is, citeert Heaney veel gedichten. En die leveren bijna alle prachtige vertalingen op, waarvan ik het door Heaney zo bewonderde gedicht van Clare hier graag citeer:

Ik vond een bal van gras die tussen 't hooi in lag

En porde hem in 't voorbijgaan en ik dacht

Toen dat ik iets bewegen zag, en 'k bleef daar hangen

Om naar ik hoopte de vogel te vangen

Maar 't was een oude muis die in het koren schoot

Met aan haar tepels heel haar kroost

Ze zag er zo merkwaardig uit en zo grotesk

Ik holde eropaf, nieuwsgierig naar dat geks,

Duwde de knoopkruid-trossen weg met spoed

Toen de muis wegsprong van 't krioelende gebroed

De jonkies piepten maar na mijn vertrek

Vond zij haar nest weer op de oude plek

Het water kon over kiezels nauwelijks vloeien

In de zon glinsterden brede oude poelen.

Dat is zonder meer groots.

Seamus Heaney, De genoegdoening van poëzie, Essays, vertaald door Jan Eijkelboom, Meulenhoff, Amsterdam, prijs ¿ 45,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden