Een diaspora van groot formaat

VOOR IERSE geschiedenis moet je bij buitenlanders gewoonlijk niet veel verder graven dan Willem III en zijn Slag aan de Boyne....

Eeuwenlang hebben de Ieren voor hun vrijheid gevochten tegen de Engelse kolonisten. Soms parlementair met de mond en de pen, zoals Daniel O'Connell - nog steeds liefdevol, maar onjuist 'de Bevrijder' genoemd - en Charles Stuart Parnell; veelal ook met de wapenen, zoals Patrick Pearse en Michael Collins.

In de vorige eeuw hadden de Engelsen voor Ierse rebellen een speciale straf: deportatie, met name naar Australië en Van Diemensland (Tasmanië). Maar ook gewone misdadigers werden in die tijd en masse naar het zuidelijk halfrond verscheept. Goed gedrag ter plekke kon, vaak na vele jaren, een ticket-of-leave opleveren. De meeste gewone wetsovertreders bleven desondanks, gewend als ze waren geraakt aan hun nieuwe leefomgeving. Maar de Ierse rebellen hadden grotere zaken aan hun hoofd en wilden zo gauw mogelijk weg.

Thomas Keneally, in 1982 beroemd geworden door Schindler's Ark (later vanwege Spielberg's film veranderd in Schindler's List), speurde drie jaar lang in openbare en particuliere archieven naar een specifieke groep rebellen, Young Ireland genaamd. Het werd voor de Australisch-Ierse schrijver, die in zijn normale schrijversbestaan voor drie boeken per jaar zijn hand nauwelijks omdraaide, bijna een obsessie.

The Book, zoals hij het noemt, zou zijn leven gaan beheersen. Het was ook een duik in zijn eigen verleden. The Great Shame (De Grote Schande) begint met de wederwaardigheden van de onbekende Hugh Larkin, die in 1834 'levenslang' werd gedeporteerd. Larkin is de betovergrootvader van Keneally's echtgenote.

Maar het grootste deel van het boek gaat over Young Ireland. Deze groep kwam voort uit de campagne van Daniel O'Connell om de uit 1800 daterende Act of Union met Groot-Brittannië af te schaffen. Wat O'Connell - lid van het Britse Lagerhuis - niet met parlementaire middelen lukte, dachten de Young Irelanders met geweld te klaren. Hun voorman was William Smith O'Brien, ook (protestants) parlementslid in Londen en telg uit een voorname Ierse familie. In bladen als Nation en United Irishman slingerde John Mitchel hel en verdoemenis naar de Britse uitbuiters.

In 1848 spatte het oude Europa uiteen. In Parijs, Wenen en Berlijn brak revolutie uit. De Franse 'burgerkoning' Louis Philippe vluchtte naar Engeland. In Ierland schreef Nation: 'Ierlands kans, dankzij God en Frankrijk, is eindelijk gekomen.' Maar de Young Irelanders verkeken zich op de mogelijkheid van een spontane opstand. Het land leed honger; de Ierse bevolking had geen puf tot vechten. De Young Irelanders bleken onzakelijke romantici. Een opstand tactisch voorbereiden, daar hadden ze geen kaas van gegeten.

Er was een weekje beleg in Tipperary, maar toen opstandelingen onder leiding van de militair onhandige O'Brien verzuimden een groep politiemannen in te rekenen die zich gebarricadeerd hadden in een woning, viel de opstand snel in duigen. O'Brien en drie collega's werden gearresteerd en ter dood veroordeeld.

En op dit punt, waar de gangbare geschiedenisboekjes meestal eindigen, komt Keneally's epos pas goed op gang. De doodvonnissen tegen O'Brien en een aantal van zijn vrienden werden omgezet in transportation naar Van Diemensland. Voor O'Brien was het leven daar harder dan voor de anderen. De Britten pakten de opstandelingenleider hard aan en zijn gezondheid kreeg er zwaar onder te lijden, zozeer dat hij, na zijn vrijlating in 1856, geen fut meer had voor een leidende rol.

O'Brien had één mislukte vluchtpoging gedaan en uiteindelijk van minister van Binnenlandse Zaken Palmerston gratie gekregen, omdat 'de heer Smith O'Brien zelf, wat zijn fouten en schuld ook zijn, zich gedragen heeft als een gentleman'.

Andere Young Irelanders wachtten zulke Britse goedertierenheid niet af. Tom Meagher en John Mitchel ontsnapten naar Amerika en werden daar met gejuich ontvangen door de Ierse immigranten en raakten hals over kop verzeild in de Amerikaanse burgeroorlog. Meagher als officier van een Ierse brigade aan de zijde van de noordelijken en Mitchel, de broodschrijver, aan de kant van de zuidelijke Confederatie.

Meagher, een rabauw die bij Keneally voortdurend beschonken van zijn paard tuimelt, eindigt na de burgeroorlog als gouverneur van Montana. Maar zijn benoeming is nauwelijks ingegaan of hij sterft. Vermoord, verdronken in een rivier of zelfmoord - een combinatie is ook mogelijk. In ieder geval werd Meagher's lijk nooit gevonden. Senator Edward Kennedy, die in meer dan één opzicht verwantschap met hem voelt, bewerkstelligde onlangs dat Meagher een standbeeld kreeg in Montana's hoofdstad. Meagher's Ierse soldaten poogden een invasie in Canada. Alles bedoeld als voorbode van een door Amerikanen gesteunde inval in Ierland die er, dat weten we nu, nooit kwam. Maar waarom Canada, afgezien van het feit dat het Brits grondgebied was? Het 'invasielied' geeft opheldering:

Many battles we have won, along with the boys in blue,

And we'll go and capture Canada for we've nothing else to do.

Ze hadden 'even niks te doen'; het wachten bleef op de bevrijding van Ierland. Het gerucht ging dat president Andrew Johnson, opvolger van de vermoorde Abraham Lincoln, wel oren naar zo'n invasie had. Maar Johnson werd al gauw door andere dingen in beslag genomen: een impeachmentprocedure - de enige vóór Clinton. Johnson won, maar de affaire maakte hem vleugellam en Ierland lag weer verder weg dan ooit.

Mitchel, die twee zoons in de burgeroorlog verloor, werd na de val van de Confederatie aan de zijde van zijn ex-president Jefferson Davis opgesloten in Amerikaanse gevangenissen, vertegenwoordigde de Fenian Brotherhood (de rechtstreekse opvolger van Young Ireland) in Parijs, en keerde uiteindelijk naar Ierland terug. Maar zijn eens zo grote invloed was voorbij. Slechts zijn Jail Journal uit 1848 zou beklijven als een klein meesterwerk.

De fakkel werd overgenomen door John Boyle O'Reilly, alweer zo'n typisch Ierse 'man of letters'. Door zijn Feniaanse activiteiten kwam ook O'Reilly via de beruchte Engelse gevangenis Dartmoor in West-Australië terecht, maar ditmaal kwam de hulp uit Amerika wel erg rechtstreeks. Een walvisvaarder werd vanuit Boston gestuurd en ondanks herhaalde enterpogingen door een Brits douaneschip kwamen O'Reilly en een groep medevluchters in Amerika aan.

Deze Fenians legden de rechtstreekse lijn naar de bloedige twintigste eeuw. Het leken in de vorige eeuw, naar verhouding, kleine gebeurtenissen, maar Thomas Keneally toont aan hoe de halsstarrige houding van de Britten wel tot de hevige uitbarstingen van later moest leiden.

En overal speelt de extra gebetenheid van de Ieren op de Engelsen doorheen vanwege de Grote Honger die beter Het Grote Uithongeren kan worden genoemd. Er werd in Ierland voedsel genoeg verbouwd toen de blight (plantenziekte) de aardappeloogst jaren achtereen vernietigde. Maar dat voedsel was bestemd voor de export en Londen hield daar streng de hand aan.

Het was daarom volkerenmoord, begaan door de Engelse uitbuiters.

De schrijver William Makepeace Thackeray hield een eeuw geleden zijn Britse landgenoten al voor: 'Er is geen misdaad ooit uitgevonden door oosterse en westerse barbaren, geen foltering of Romeinse vervolging of Spaanse inquisitie, geen tirannie van Nero of Alva die gelijke tred kan houden met de geschiedenis van Engeland in Ierland.' In 1904 noemde Michael Davitt, grondlegger van de Irish Land League, het heel precies bij de uitsluitende naam die de schanddaad verdient: een holocaust.

Thomas Keneally levert met zijn The Great Shame een hoogst waardevolle bijdrage tot begrip van de eeuwenlange Ierse tragedie. Hier is voor het eerst de negentiende eeuw beschreven vanuit het perspectief van de gedwongen emigranten én de achterblijvers. In feite ging het om een diaspora van groot formaat.

Het is intussen geen makkelijk boek. Wie meent een paar pagina's losjes te kunnen wegbladeren, is binnen de kortste keren de draad kwijt. Keneally trekt je met de oren bij de les, en terecht: hij pleegt geschiedschrijving van de allerknapste soort.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden