Een deel van het loon was jenever

Eind negentiende eeuw telde Schiedam bijna vierhonderd branderijen. Nu resteren nog vijf stokers in de Jeneverstad, waar niet iedereen graag aan dat verleden wordt herinnerd....

NET ALS zoveel van zijn generatiegenoten kruidde mijn opa zijn levensavond met jenever en sigaren. Hij zwoer bij drie jonge klares en een handjevol kloeke bolknaks per dag als ontbeerlijk recept voor een genoeglijke laatste etappe naar het hiernamaals.

Het was in de tijd dat jenever nog een echte volksdrank was en op dat vlak zelfs kon wedijveren met bier. Dat werd er al op jonge leeftijd ingebracht. Vaders presenteerden hun zonen een stevige borrel en dito sigaar op de dag dat ze achttien werden. Werd dat ontgroeningsritueel ongeschonden doorstaan, dan was de laatste drempel naar volwassenheid met succes genomen.

De laatste decennia heeft het distillaat fors aan belang ingeboet. Net als de sigaar etaleert de jenever zich steeds meer als een ambachtelijk cult-produkt, dat past binnen een nauw omschreven life-style. Waar de jajem zijn proletarische uitstraling verruilt voor een trendy status, gaat Schiedam de laatste jaren weer meer op zoek naar zijn geschiedenis als jenever-hoofdstad. Mogelijk dat de stad voortaan meer aan haar historie dan aan de jonge klare kan verdienen want de jenever-branche van Schiedam stelt economisch gezien niet veel meer voor.

Nadat Schiedam eind negentiende eeuw Weesp als alcohol-metropool van Nederland had overvleugeld telde de stad een kleine vierhonderd branderijen. Zij fabriceerden vele miljoenen liters moutwijn en jenever, waarvan meer dan drie-vierde zijn weg vond naar de meest exotische uiteinden van de wereld. In West-Afrika, Zuid-Afrika, Indië, het Caribisch gebied, de Verenigde Staten en Canada liepen ze weg met het straffe stooksel dat onder de rook van Rotterdam werd geproduceerd. Toen de jenever in de jaren daarna langzaam aan de concurrentie met de whisky, bourbon en rum op de wereldmarkt, verloor daalde dat aantal gestaag naar dertig distilleerderijen een kwart eeuw terug. En nu?

Zegge en schrijve vijf jeneverstokers resteren nog in de binnenstad van Schiedam. Dit gezelschap produceert vooral voor binnenlandse afnemers. Ze hebben illustere namen, dat wel. Zoals De Kuyper die ook bekendheid geniet vanwege zijn likeurtjes. Of het geslacht Nolet dat al vanaf 1691 in de jenever zit. En niet te vergeten de gebroeders Dirkzwager die onder meer het merk Floryn op hun naam hebben staan.

Het zijn allemaal zonen van Schiedam, maar hun tegenwoordige commerciële successen ten spijt vormen ze slechts de schim van een rijk verleden dat nog altijd zichtbaar is. De scheepsbouw (Gusto, Wilton Feijenoord) zadelde de provincieplaats slechts met een torenhoge werkloosheid op; de jeneverindustrie schonk Schiedam een stadsgezicht uit duizenden.

Molens, pakhuizen, patriciërswoningen en grachtenpanden hebben de uit de achttiende eeuw daterende infra-structuur van het oude centrum van Schiedam grotendeels ongeschonden gelaten. Straten als de Lange en Korte Haven, Boterstraat, Schie, Grote Markt, Westvest en Noordvest en gebouwen als de Korenbeurs (1792), het Stadhuis (1782) en de Singelkerk (1878) getuigen van de materiële welstand van de vroegere jenever-elite.

Maar Schiedam geeft deze schat niet gemakkelijk aan zijn bezoeker prijs. Sterker nog: enig doorzettingsvermogen is gewenst. Bij het binnenkomen van de stad moet je je eerst door enkele dikke rijen stuitend lelijke hoogbouw worstelen. Na deze entree domineert stratenlang de frituur-cultuur, die voorgoed korte metten heeft gemaakt met de kruidige geuren die hier ooit domineerden. Maar het geduld wordt beloond. Na de zoveelste snel-snack kom je op de Lange Haven oog in oog met smalle grachten en een panorama dat herinnert aan steden als Delft en Dordrecht.

De gemiddelde Schiedammer zal niet meteen zwellen van trots bij dit beeld. 'Er leeft hier onder de inwoners van deze stad nog altijd een zekere schaamte. Men durft er niet rond voor uit te komen dat Schiedam zijn identiteit aan de jenever ontleent. Die verdringing heeft iets kunstmatigs, want wat je hier historisch ook onderneemt, je komt altijd in die branderswereld terecht', zegt J. Gunneweg, directeur van het Nederlands Gedistilleerd Museum 'De Gekroonde Brandersketel'.

Die gêne werd van bovenaf opgelegd. In Schiedam maakten generaties sociaal-democratische bestuurders tientallen jaren de dienst uit. Veelal gevormd naar de denkbeelden van de Blauwe Knoop moesten zij niet veel hebben van tradities die wortelden in de sterke drank. Hun oordeel over dat tijdperk werd vooral door negatieve associaties ingegeven. Die waren in 1975 nog zo sterk dat bij het 700-jarig bestaan van Schiedam het PvdA-stadsbestuur zich met hand en tand verzette tegen het voeren van een logo dat aan de jenever refereerde.

En het moet gezegd: eind vorige, begin deze eeuw heette Schiedam niet voor niets Zwart Nazareth. In de nauwe stegen achter de branderijen huisde het lompenproletariaat, dat dagelijks een portie roet uit de kolengestookte distillaat-ketels over zich kreeg uitgestort. Als Karl Marx ergens zijn Verelendungs-theorie in praktijk had kunnen brengen was het wel hier.

Schiedam had alle kenmerken van de gemiddelde industrie-stad van toen: een welgestelde, maar dunne bovenlaag, een overheid die zich voornamelijk afzijdig hield en veel, héél veel onderkant van de arbeidsmarkt. Wat het allemaal veel erger maakte, was het drankmisbruik. Massaal schroeiden Schiedamse arbeiders hun keel met het produkt dat ze zelf elke dag in de meest kommervolle werkomstandigheden moesten vervaardigen.

In de meeste branderijen was het gewoonte de uitputtende en lange werkdag te besluiten met enkele door de werkgever verstrekte borrels. De kroostrijke gezinnen betaalden het gelag. Hun vaders kwamen beneveld thuis met een mager gevuld loonzakje, want na de tweede neut was de consumptie voor eigen rekening. 'Er waren zelfs bedrijven die een deel van het loon in jenever uitbetaalden', zegt de Schiedamse kunstenaar A. de Bruijn. Hij is nauw betrokken bij de organisatie van het Jeneverjaar, een serie evenementen die de veelzijdige relatie tussen jenever en cultuur moet belichten.

Het Zakkendragershuisje uit 1792 is het enige authentieke bouwwerk uit deze periode.De Brandersbuurt, waar eeuwenlang het voetvolk van de jenever-industrie zijn dagen sleet, werd enkele tientallen jaren terug platgegooid om plaats te maken voor plichtmatige sociale woningbouw. En in de nog bestaande distilleerderijen is het alcohol-gebruik inmiddels strak aan banden gelegd. 'Bij ons in de koelkast treft u nu nog slechts frisdrank aan', zegt P. Nolet. Hij maakt deel uit van het elfde geslacht Nolet dat in jenever doet. 'En de twaalfde generatie heeft inmiddels ook al weer haar intrede in het bedrijf gedaan.'

Maar het tij keert, zij het langzaam. De laatste vijf jaar tracht Schiedam zijn sociaal-cultureel erfgoed meer voor het voetlicht te brengen. Er kwamen momumenten zoals het beeld van de Brandersknecht, het symbool voor de eenvoudige handwerkslieden die in het jenever-ambacht werkzaam waren. Hij staat naast een sculptuur van de Meesterknecht, de alchemist die als geen ander de receptuur van 'een beste borrel' kende.

De omslag vindt eind deze maand zijn voorlopige bekroning als in een voor zeven miljoen gulden gereconstrueerde moutwijn-branderij aan de Lange Haven het vernieuwde Nederlands Gedistilleerd Museum 'De Gekroonde Brandersketel' zijn deuren opent. Tot voor kort moest het museum zijn collectie in de catacomben van het Stedelijk Museum tentoonstellen, een metafoor voor de toenmalige denkwijze over het jenever-verleden.

In 'De Gekroonde Brandersketel' (dat tussen 1910 en 1985 onderdak gaf aan distilleerderij Locomotief) kunnen de bezoekers zien hoe moutwijn wordt gemaakt. Daarnaast zijn er een proeflokaal, museumzaal en documentatiecentrum. 'Alle draden van de historie komen voortaan hier samen', aldus Gunneweg.

Het nieuwe museum is gevestigd in een pand waarvan je er nog tientallen ziet in Schiedam. 'Dat klopt', beaamt Nolet. 'Al die branderijen waren op een typerende manier gebouwd. Ze hadden een dubbele voordeur, met een grote boog erboven, en een hoog geplaatst raam links en twee hoog geplaatste ramen rechts. Die specifieke bouw was nodig om de hoge ketels en beslagbakken te kunnen plaatsen.'

Nolet wordt er nog vaak mee geconfronteerd dat zijn voorvaderen innemers in alle windstreken hadden zitten. 'Laatst kregen we nog enkele flessen uit Brits-Guyana en Nigeria terug met onze naam erop. Die dateerden uit de vorige eeuw.'

De renaissance van Schiedam als centrum van de jenever-cultuur begon toen de stad haar molens - de grootsten van de wereld - begon te herontdekken. Aan het einde van de achttiende eeuw lieten de jeneverstokers in de stad twintig reusachtige molens bouwen om op die manier verzekerd te zijn van een gestage aanvoer van gemalen grondstoffen als gerst, rogge en koren.

Van die twintig zijn er nog vijf over: De Drie Koornbloemen (1770), De Palmboom (1781), De Vrijheid (1785), De Walvisch (1794) en De Noord (1803). Ten bewijze dat Schiedam zijn eigen historische achtergrond geruime tijd braak liet liggen: de Palmboom brandde in 1901 voor een deel af. Het duurde ruim negentig jaar voor de restauratie ter hand werd genomen.

De grootste van het vijftal, De Walvisch, raakte enkele maanden terug ook zwaar beschadigd door een forse brand. 'Maar men is al begonnen met het inzamelen van geld voor de herbouw. Dat geeft aan dat er van de fouten van weleer is geleerd', vertelt Nolet tegen het decor van een enorme muurschildering in zijn bedrijf, die toont hoe Schiedam er in zijn glorie-tijd moet hebben uitgezien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden