Een damesstukje over kuisheid en een herenstukje over moed

Een herenversie en een damesversie ditmaal. Niet om de orthodoxe moslims onder u te behagen, maar gewoon, om me aan de tijdgeest aan te passen....

Zo zag ik deze week op de gevel van een bioscoop de aankondiging van een ‘Ladies Night’. Moderne jonge vrouwen konden daar in veilige afzondering kijken naar Komt een vrouw bij de dokter, wat volgens mij een film is over overspel. Nou ja, mij best. De segregatie rukt aan alle kanten op. Ladies Nights, mannenfestivals, exclusieve interviews met schrijfsters over hun vrouw-zijn en met schrijvers over hun man-zijn. Allemaal best, maar dan wil ik hier ook niet achterblijven.

Over mannen en vrouwen was me trouwens al een week eerder iets te binnen geschoten, toen ik de Duitse filosoof Sloterdijk hoorde praten over ‘virtus’ – de deugd. Ik wist me te herinneren dat virtus van oudsher voor vrouwen iets heel anders betekent dan voor mannen: volgens de schriftgeleerden betekent het in vrouwen ‘kuisheid’, en in mannen ‘moed’. Vandaag daarom een damesstukje over kuisheid en een herenstukje over moed. U kunt zelf wel verzinnen welk van de twee voor u het meest geschikt is; ik ben het, vreemd genoeg, ditmaal met beide standpunten wel eens.

1) De vrouw: ‘Een diepe verzuchting komt over mijn lippen nu ik in mijn peignoir languit op de sofa lig, een doos bonbons onder handbereik. Het is Ladies Night. In de verste verte geen man te bekennen, en mijn hoofd vult zich met de wildste fantasieën. Ach, zucht ik, was ik maar immoreel! Was ik maar niet zo kuis en zo bevangen.

Mannen, ja, die werpen de moraal gemakkelijk van zich af. Schrijven in de krant dat ze genoeg hebben van dat benauwde, het bevoogdende, het kleine. De een zegt dat we maar moeten wennen aan de moraalloosheid van de nieuwe tijd. De ander zegt: ‘Brodeloze dominees vermomd als politicus, cabaretier maar ook als romancier hebben ons te lang vermanend toegesproken. Wat mag en wat niet zou mogen, wat hoort en wat niet zou horen, waar het fatsoen begint en het onfatsoen eindigt.’ Ze willen er van af, de mannen, van het vermanen.

Maar ik, hier op de bank, ten prooi aan hormonen en bonbons, kan de moraal niet zo gemakkelijk van me afschudden. Je moet toch altijd blijven nadenken over het leven en de dood, en hoe doe je zoiets zonder moraal? Dat weten de mannen ook wel, en dus vertellen ze ons in één moeite door wat we moeten en wat me niet moeten. In hun ijver het oude regime van zich af te werpen, vestigen ze een nieuw regime dat nog veel strenger is.

De jonge rebellen zijn het ergste, met hun gemoraliseer: je moet dit en je moet dat, je moet naar ze luisteren en je moet doen wat ze zeggen. Vorige week schreef een rebelse blogger een stuk in de krant dat loeide van de bevrijdingsdrift en tegelijk volstond met imperatieven. De bloggers zijn de nieuwe generatie, ze hebben niet die oude strikte moraal, en dus moet je ze bestuderen, je moet van ze leren, je moet lezen wat ze schrijven, je moet, je moet, je moet. Ik geloof eigenlijk dat mannen niets anders kunnen dan moraliseren.

Er is maar één deugd die mannen steeds weer met succes van zich afwerpen, in iedere religie, in iedere cultuur, in iedere generatie opnieuw, en dat is de deugd van de kuisheid. Een geringe triomf, want die deugd hebben ze helemaal nooit bezeten. De morele regel die het meest wordt geassocieerd met benauwdheid en paternalisme is van oudsher ook de regel waar mannen het minste last van hebben, die wordt exclusief opgelegd aan de vrouwen.

Wat is dus de oogst van dat eindeloze, stoere geleuter in kranten en blogs over de bevrijding van oude normen? Gepoch op misogynie, op ruw taalgebruik en onhoffelijkheid. Verder moraliseren mannen erop los als vanouds.’

2) De man: ‘Wat is dat voor oudewijvenpraat in het nieuws? Opwinding over de jeugd. Een jeugd die verkeerde dingen denkt en voelt, en die dus al volledig is afgeschreven voordat het leven in volle ernst is begonnen. Een onderzoeksbureau heeft jongeren een onderzoek voorgelegd, de stellingen stonden afgedrukt in de krant. ‘Ik houd ervan om naar mezelf te kijken; ‘ik voel me gelukkig als ik geld uit kan geven’; ‘Ik voel me betrokken bij de politiek’.

Ik voel, ik voel wat jij niet voelt – wat is dit voor psychogebabbel? Kunnen die sociologen niet eens informeren wat een jong mens doet, wat hij eet, timmert, sleutelt, hoeveel botten hij heeft gebroken bij zijn poging de kat van de buurvrouw uit de dakgoot te redden? Moet ieder jeugdonderzoek tegenwoordig uitdraaien op meisjesgedweep à la Arie Boomsma? ‘Ik houd ervan om naar mezelf te kijken!’ Godallemachtig.

Het ligt aan de feminisering van de samenleving, al die vage kletspraat over emoties. Al die verregaande conclusies over de diepere bedoeling van woorden: ze zouden verboden moeten worden. Voel je je gelukkig als je geld uitgeeft, dan ben je een egoïst. Zijn de Zwitsers tegen minaretten, dan zijn ze tegen moskeeën, en dus tegen moslims, en dus tegen vriendschap tussen de volkeren, en dus de mensheid als zodanig, en dus moeten de Nederlandse vrouwen eraan te pas komen om de uitkomst van een buitenlands referendum te beschimpen.

Waar bemoeit iedereen zich mee? Laat bedoelingen met rust. Praat over daden, over dingen die gebeuren en die nog moeten gebeuren, praat niet dag in dag uit over de dingen waarvan we denken dat andere mensen ze anders bedoelen dan ze ze volgens ons zeggen te bedoelen. Geef de jeugd een taak, een opdracht, een doel – zodat ze hun moed kunnen tonen. Deugdzaamheid bestaat niet in het juist invullen van een enquête; deugdzaamheid bestaat in de daad.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden