Een cynische imperialist

EIND 1900 worden in Engeland de Khaki-elections gehouden en Tory-premier Robert Cecil, markies van Salisbury, stevent op zijn derde grote overwinning af....

Alle nationalisten, de stokoude koningin Victoria voorop, zijn blij met die fantastische uitbreiding, maar de norse Salisbury zelf niet. Het Britse rijk is te groot en onhandelbaar, en wie weet wat er gebeurt als grotere koloniën dan Transvaal even woedend en effectief verzet plegen zoals nu in de Boerenoorlog gebeurt. Salisbury was met tegenzin de grootste Britse imperialist en profiteerde daar bij verkiezingen maximaal van, hoewel hij eigenlijk de democratie verachtte.

Na een halve eeuw heeft deze krachtige leider (hij was veertien jaar met korte onderbrekingen premier) weer een volle biografie gekregen. Een erg volle: ruim 850 pagina's tekst zonder de bijlagen. De auteur, de historicus en journalist Andrew Roberts (36), is een gevierd man. In 1991 kreeg hij veel lof voor zijn biografie The Holy Fox van Lord Halifax, de minister van Buitenlandse Zaken die in mei 1940 het premierschap overliet aan Churchill. In 1994 werd Roberts' scherpe Eminent Churchillians eveneens zeer geprezen. Hij schreef ook een thriller en veel boekrecensies.

Salisbury had twee beroemde eerste ministers als voorvader, de Cecils (vader en zoon) die Elisabeth I en James I zo trouw en effectief dienden rond 1600. Daarna sliep het politieke talent van de Cecils (inmiddels markiezen van Salisbury) tot 1866. Toen werd Robert minister (voor India), wat hij met onderbrekingen 21 jaar zou zijn.

Salisbury was de laatste premier die lid was en bleef van het Hogerhuis en dus nimmer in het Lagerhuis optrad. Hij had nooit een visionaire en/of lokkende boodschap voor de natie. Mede daarom is hij nooit een legende geworden zoals Disraeli of Gladstone of, in wat mindere mate, Palmerston. Maar uiteenlopende figuren als Victoria en de socialistische premier Clement Attlee (vanaf 1945) vonden Salisbury de beste en Andrew Roberts bestrijdt dat niet.

Roberts noemt Salisbury een 'Victorian Titan' (ondertitel van het boek) terwijl David Cecil in zijn aardige boek over de Cecils (1973) zijn grootvader juist niet bij de Victorianen rekent. Mentaal hoorde Salisbury eerder bij de achttiende eeuw, meent David Cecil. Alle ontwikkelingen aan het eind van de negentiende eeuw bezag hij met het grootste wantrouwen. De Britse wereldmacht had zijn hoogtepunt bereikt en Salisbury zag slechts de steile helling neerwaarts.

Roberts' biografie is een boek vol sombere pracht geworden. Het vergt veel tijd van de lezer, maar het biedt een groots panorama op de Britse, Europese en koloniale problemen in het laatste kwart van de vorige eeuw. Wie de twintigste eeuw beter wil begrijpen, vindt hier het eerste hoofdstuk. De auteur maakt ingewikkelde kwesties glashelder en hij heeft een fraaie, efficiënte schrijfstijl. Het is een goede zaak dat hij een zo uitvoerige biografie niet in tweeën heeft geknipt, zoals al te vaak gebeurt (en waarbij soms een decennium op deel twee gewacht moet worden).

Andrew Roberts bewondert Salisbury en noemt Disraeli en Gladstone 'aarts-exhibitionisten', overigens een etiket dat op veel beroemde politici kan worden geplakt. Aan beider reputatie wordt in dit boek veel afgedaan. Gladstone is te veel een schoolmeester, wiens buitenlandse politiek onstabiel is en Engeland in oorlogsgevaar brengt. Disraeli blijkt steeds weer een glibberige showfiguur, die met het werk van zijn minister Salisbury op de Berlijnse conferentie van 1878 over de Russisch-Turkse troebelen aan de haal gaat: 'Peace with honour.'

Overigens lijkt met name Roberts' lange hoofdstuk over deze troebelen een hoogtepunt van Britse geschiedschrijving. Het toont Salisbury's genie op het gebied van Europese vredesbewaring, terwijl hij allerwegen, ook door zijn eigen premier en zijn vorstin, werd tegengewerkt. Salisbury heeft Disraeli nooit erg vertrouwd en pas aan het eind van Disraeli's jaren raakten ze, onwennig, bevriend. Salisbury was toen al de onomstreden Tory-kroonprins en bleef na Disraeli's dood alleenheerser. Zijn positie was onaantastbaar geworden, nadat hij in 1886 koelbloedig de opgewonden Randolph Churchill (vader van Winston) uit de regering had gewerkt.

De nieuwe leider was een ónliberale Tory, zoals hij zichzelf eens omschreef, reden voor de evenzeer onliberale Roberts om dit boek op te dragen aan een geestverwant: Margaret Thatcher. Maar de vergelijking tussen beide rechtse Tory-premiers gaat niet ver. Salisbury was veel minder een ideoloog. Hij liet allerlei zaken toe die hij eigenlijk verfoeide.

Hij was een echte conservatief en geen neoliberaal vernieuwer als Thatcher. Hij bewonderde Palmerston, omdat die vaak 'het moeilijkste en meest weldadige deed: niets'. Conservatisme was voor Salisbury het uitstellen van vernieuwingen 'tot ze onschuldig zijn geworden', dus gematigd van karakter, breed aanvaard en niet te pijnlijk voor de (rijke) verliezers, die bij voorkeur gecompenseerd moesten worden.

Salisbury wilde de landbezitters en de an glicaanse kerk beschermen tegen nieuwe stromingen. Een eigen parlement voor de Ieren, zoals Gladstone door dik en dun nastreefde, wees hij vierkant af: dat zou op onderdrukking van Ulster neerkomen en vrijwel zeker tot een burgeroorlog leiden. Hij vond de Ieren even ongeschikt voor zelfbestuur als 'de Hottentotten', een uitspraak die hem lang werd nagedragen.

Voor Ierse nationalisten had hij (in zijn journalistieke jonge jaren) een curieuze remedie: een flink pak slaag eens in de week en dat zes maanden lang. Salisbury liet zijn neefje (en latere opvolger als premier) Arthur 'Bloody' Balfour in de jaren tachtig lelijk huishouden in een roerig Ierland.

De premier (tussen 1885 en 1902) deed bijna steeds ook buitenlandse zaken en daarbij was hij veel pragmatischer. Hij vermeed betrokken te raken in Europese oorlogen en hij wist ook koloniale oorlogen meestal te voorkomen. Als mondiaal diplomaat was hij onovertroffen.

Salisbury deelde via bilaterale afspraken bijna heel Afrika op en behield daarbij de beste stukken. Hij zag de cynische humor daarvan wel in: 'We hebben elkaar rivieren, bergen en meren gegeven zonder dat we weten waar die liggen.' Kameroen kreeg een grensrivier toebedeeld die niet bestond. De staatslieden tekenden met de lineaal grenzen door enorme gebieden waar nog nooit een blanke een voet had gezet.

De illusieloze premier werd daarbij steeds meer toegejuicht door de simplistische imperialisten en hun hijgerige sensatiebladen. Salisbury: 'Ik draag een heel gekkenhuis op mijn rug.' Maar hij moest wel. Naast de publieke opinie en het politieke voordeel werd hij voortgestuwd door zijn invloedrijke minister van Koloniën na 1895, de populaire coalitiegenoot Joe Chamberlain.

De Boerenoorlog is door Salisbury meer bevorderd dan meestal wordt aangenomen, aldus Andrew Roberts. De premier onderschatte het Boerenstaatje met zijn vierhonderdduizend inwoners en meende dat die primitieve calvinisten op hun nummer moesten worden gezet. De oorlog begon met Britse nederlagen en werd veel duurder dan Londen ooit kon vermoeden. Salisbury bleef vrij laks bij het massale sterven van Boerenvrouwen en -kinderen in de concentratiekampen. Dat wordt hem, evenals zijn gevoelloosheid tegenover de Ieren, in dit boek nagedragen.

Een hagiografie is deze biografie allerminst, maar Andrew Roberts legt een oprechte sympathie en bewondering aan de dag voor deze excentrieke en misantropische staatsman, die in bijtende geestigheid en intelligentie zijn tijdgenoten ver voorbij was. Zoveel sympathie en inlevingsvermogen helpen duidelijk bij het schrijven van een hoogwaardige biografie, van een meesterwerk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden