Een cappuccino op z'n Hollands

Ciao, Bella! heet een nieuw literair tijdschrift onder redactie van Josien Laurier, Lucie Th. Vermij, Désanne van Brederode en Elsbeth Brouwer....

Kennelijk hebben deze vier, geïnspireerd door de kwaliteit van de pasta in hun grootstedelijke pizzeria, gemeend dat er wel plaats was voor een nieuw blad te midden van de vele, grotendeels noodlijdende Nederlandse literaire tijdschriften. Je moest alleen een wat andere 'invalshoek' bedenken, een tikkeltje Italiaanse luchthartigheid, in plaats van al dat Nederlandse gezeur.

Wat dat laatste betreft zetten de dames je met hun eerste nummer al meteen op het verkeerde been. Want op een niet ècht geslaagde 'Cappuccino' van hoofdredactrice Laurier na, - een kryptisch verhaal rond het zo Italiaanse kopje koffie - schotelt Ciao, Bella! de lezer toch vooral een tamelijk on-Italiaans ratjetoe voor.

Het is moeilijk daarvan de receptuur te beschrijven. Je kunt hooguit zeggen dat dit eerste nummer van Ciao, Bella met verhalen, gedichten en essays - net als alle andere Nederlandse tijdschriften - de zwaarte van het bestaan niet uit de weg gaat, zoals uit het thema, 'Lijfsbehoud', blijkt. Onder die noemer is een groot aantal, sterk wisselende bijdragen verzameld, die evengoed in een ander Nederlands blad hadden kunnen staan.

Of Ciao, Bella! zich in de toekomst van de concurrentie zal kunnen onderscheiden is afhankelijk van de kwaliteit die de redactie 'grensoverschrijdend' zal weten te vinden (want dat men de grens over wil, is wel duidelijk). Leuke dingen als strips, een horoscoop, een heuse kookrubriek en een tamelijk onorthodoxe typografie - die meer voor kijkers dan voor lezers bestemd lijkt te zijn - zijn in dat opzicht niet voldoende. Die opsmuk vermag niet te verhullen dat in dit nummer vooral auteurs aan bod komen, die in andere bladen niet meer of nog niet aan de bak komen, zoals de pizza-bakker dat zo treffend weet uit te drukken. Het gaat om dat 'nog niet'.

De nieuwe richting van Maatstaf begint steeds meer uit de verf te komen. In het laatste nummer verwoorden vooral oudere scribenten als Em. Kummer, André Klukhuhn en Solange Leibovici ('De letterenfaculteit als hoerenkast') hun onbehagen in de cultuur - op een manier dat je denkt, ja, dat weten we nu wel, zeg, dat geklaag - maar daar staat tegenover dat men ook kan bogen op jonger talent als Saskia van Rijnswou en Daphne Meijer, die recent nieuw werk publiceerden.

Meijer werd geprezen om haar historische roman Het plezier van de duivel. Hoe haar nieuwe roman, werktitel Het meisje met de zwavelstokjes, gaat worden, kan de lezer enigszins peilen aan de hand van een afgedrukt fragment. En Van Rijnswou, verguisd vanwege haar roman Snoer, revancheert zich met een pakkend verhaal in de vorm van een gefingeerd interview over het gebruik van het uitzinnige geweld in sommige films van de laatste tijd.

Hans Righart, hoogleraar politieke geschiedenis aan de universiteit van Utrecht, is 'op zoek naar de Lou de Jong van de jaren zestig' en vreest dat die voorlopig niet gevonden zal worden, omdat de sixties en de veranderingen die zich toen in Nederland voltrokken nog steeds niet definitief in kaart gebracht kunnen worden. Er is, behalve uiteraard de column van Jan Mulder, één bijdrage in deze Maatstaf die geen lezer zich mag laten ontgaan: de onnavolgbare wijze waarop Atte Jongstra verslag doet van de vragen die voor hem rezen bij herlezing van Sterne's A Sentimental Journey en Tristram Shandy.

In De poëziekrant reageert een aantal auteurs op Komrij's canon van de Nederlandse dichtkunst. Benno Barnard merkt op: 'In elk geval zijn de criteria die Komrij hanteert in het recentste deel van zijn bloemlezing volstrekt duister. Zeker is dat vriendschapsbanden een rol spelen, anders zijn de tien gedichten van een derderangs prulpoëet als Hans Warren nooit te verklaren.' Stefaan van den Bremt, die zich in Nederland nogal onopgemerkt acht en dus blij is dat hij nu met zes gedichten in Komrij's bloemlezing staat, verbaast zich over 'de jaloezie en het gebrek aan collegialiteit van iemand als Benno Barnard.' Ook Peter Verhelst (van nul naar vijf) is tevreden. Niettemin is hij ook verontrust, over 'de enorme hoeveelheid dichters in Vlaanderen en Nederland.'

En ook overigens houdt De poëziekrant de vinger aan de pols van de zo bloeiende dichtkunst: interviews met Peter Nijmeijer en Craig Raine, de column van Hugo Claus, die vergeten grootheden aan de vergetelheid ontrukt en stukken over de Russische poëzie in de twintigste eeuw en over Hans Lodeizen.

Een gevarieerd en goed nummer levert ook het Nieuw Wereldtijdschrift af. Men kan zich amuseren met een dwaas verhaal van Julian Barnes over een wel zeer vreemde literaire conferentie in Frankrijk en men kan de ernst van Nadine Gordimer (over Zuidafrikaanse verzetsliteratuur) of die van Seamus Heaney tot zich toelaten. Laatstgenoemde Nobelprijswinnaar heeft het in een niet altijd even makkelijk te doorgronden beschouwing over 'de laatste dingen in de poëzie' (aan de hand van Yeats en Larkin). 'Zach' is een geslaagd debuut van Marion Vredeling, die haar hoofdpersoon Sylvia uit pure liefde de vuilniszakken van de voor haar onbenaderbare Zach laat omspitten (een gegeven dat ook een rol speelt in Baby Storm van Wanda Reisel).

Willem Kuipers

Ciao, Bella!, 1996, nr. 0, ¿ 10,-; Maatstaf, 1996, nr. 5, ¿ 22,50; Poëziekrant, 1996, ¿ 13,-; Nieuw Wereldtijdschrift, 1996, nr. 3, ¿ 13,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden