Een boos meisje van een eeuw oud

Het oeuvre van Louise Bourgeois – 96 jaar inmiddels – wordt steevast op twee manieren uitgelegd: via de psychoanalyse en vanuit het feminisme....

Deze kunstenaar is een oude boom. Een harde eik, ingedroogd en gegroefd. De oogjes verdwijnen bijna achter de plooien in de bast van haar wangen, het lichaam is een onbuigzaam, schuifelend stronkje geworden. ‘De oude indiaan’, zo wordt ze ook wel genoemd, met haar lange mannengezicht – maar het meest lijkt ze op een boom.

Een boom die groeide terwijl bijna een hele eeuw voorbij vloog. De wortels staan al heel lang in een huis op Manhattan, dat de kunstenaar sinds kort niet meer verlaat. Waar elke ochtend om tien uur assistent Jerry Gorovoy de deur opent ‘om me uit de put te trekken.’ Haar handen, vel over been, friemelen nog kleine, hanteerbare kunstwerkjes in elkaar of schrijven met bibberige letters op grote vellen papier. Dit schrijft ze: ‘Het gaat er niet om waar ik mijn motivatie vandaan haal, maar hoe die overleeft.’ Louise Bourgeois, 96 jaar.

Maar als de dunne roze geverfde streep van haar mond opengaat, in documentaires en interviews, en de woorden eruit stromen als mussengekwetter, dan weet je hoe oud Louise Bourgeois eigenlijk is: een kind, een meisje, ‘echt een kindvrouwtje’, dat luidkeels verkondigt dat ze niemands moeder wil zijn. En niet zomaar een meisje – een bóós meisje, een boze heks, die haar schuinsmarcherende vader wel eens betaald zal zetten dat hij haar jeugd verpestte. Een meisje dat een pik van latex aan een vleeshaak hangt, spijkers in de onderbuik van een moedertje van klei drijft, een marmeren leeuw drie paar borsten geeft en vervolgens de kop eraf hakt. Een meisje dat op haar 85ste op een zakdoek borduurt: ‘I have been to hell and back. And believe me, it was wonderful.’ (Ik ben naar de hel geweest en weer teruggekeerd, en geloof me, het was geweldig).

Louise Bourgeois (1911) is bijna een eeuw oud en dat wordt gevierd. Het oeuvre van de kunstenares is samengevat in een weids overzicht in het Centre Pompidou dat eerst in Londen te zien was, nu dus in Parijs en in New York, Los Angeles en Washington. In Parijs is Bourgeois op het schild gehesen zoals dat een verloren dochter betaamt – Frans tenslotte, hoewel ze al zeventig jaar in New York woont. Schrijfster Marie Darrieussecq (vorig jaar nog op de bres voor presidentskandidate Ségolène Royal) schreeuwt de liefde voor Bourgeois uit in het tijdschrift BeauxArts: ‘Louise * Trouw met mij. Ik houd van u’.

Het oeuvre van Louise Bourgeois is, sinds het in de jaren zestig en zeventig door feministische kunsttheoretici werd omarmd, meestal op twee manieren uitgelegd: als uitingen van psychoanalyse en vanuit het feminisme. ‘Het persoonlijke is politiek’, het credo van de feministen, leek bij uitstek van toepassing op dit werk dat een onafgebroken verbeelding is van jeugdherinneringen, frustraties, verlangens en dromen van een vrouw in het tijdperk van schuivende rolpatronen. Louise Bourgeois werd hun rolmodel.

Maar uit het zeer complete overzicht in het Centre Pompidou blijkt waarom de kunstenaar zich tegen dat hardnekkige etiket herhaaldelijk heeft verzet. Haar werk is eigenlijk veel algemener en minder tijdgebonden dan dat – en misschien ook wel traditioneler. Wie met Louise Bourgeois door de eeuw wandelt, ziet een beeldhouwer op zoek naar de essentie van het menselijk bestaan.

Wat ziet iemand die een eeuw doorkruist? Die daar bovendien doorlopend kond van doet, in de vorm van tekeningen, beelden en dagboekaantekeningen, vanaf haar elfde jaar tot vandaag?

Bourgeois vroegste herinneringen bestaan uit de veldhospitalen van de Eerste Wereldoorlog waar haar dienstplichtige vader verpleegd werd. In 2001 storten de Twin Towers vlak bij haar huis in en schrijft ze daags erna in haar dagboek: ‘Exorcisme. Drijf de duivels uit.’ De hele turbulente 20ste eeuw zit ertussen en Louise Bourgeois maakt het allemaal van dichtbij mee, eerst in Frankrijk en later in de Verenigde Staten: twee wereldoorlogen, het communisme, het kapitalisme. De auto, de telefoon, de televisie, internet. Ze werkt met Marcel Duchamp, Giacometti, Léger, ze praat met Andy Warhol. Ze ziet haar moeder kiesrecht krijgen, ze maakt de feministische golven mee, ze zet de seks-enquêtes van Shere Hite bij haar favoriete boeken. Nog meer oorlog, overal en altijd. Mensen op de maan, aids, een nieuwe eeuw.

Maar in 2004, door The Guardian gevraagd naar haar favoriete uitvinding, kan Louise Bourgeois na lang nadenken alleen ‘radio’ opnoemen. Daar luistert ze naar, ’s nachts, de eeuwig slapeloze die haar lange leven nog eens bijna verdubbelt door de nachten wakend en tekenend door te brengen.

De wereld en de wereldgeschiedenis zijn verder van ondergeschikt belang. Achtergrondruis. Waar Bourgeois zich op concentreert, zijn drie potten die ze op het vuur heeft staan en waar ze maar in blijft roeren, bij blijft mengen en uit blijft scheppen. In de eerste zitten haar vader en moeder, in de tweede zit zijzelf en in de derde haar kinderen.

De Personages, Bourgeois’ eerste sculpturen, zijn nog altijd indrukwekkend. Dunne, lange totempalen in brons en hout, met kleine inkepingen en attributen die er aan hangen of, later, op elkaar gestapeld zijn. Onmiskenbaar zijn het familieleden, een beetje schuchter: hun hoofd een bol in een holte, latten langs het lijf, licht naar elkaar toeneigend of zich afwendend. Bourgeois maakte ze in de vroege jaren veertig op het dak van haar eerste huis in New York, dat ze als openluchtatelier gebruikte.

Weg van de drukte van haar inmiddels jonge gezin. Met de lucht om haar hoofd en het zicht op de wolkenkrabbers rondom: wat een moderne, strakke, nieuwe wereld. Wat een verschil met de dik gestoffeerde en volgepropte huizen in Frankrijk, waar ze vandaan kwam. ‘Wolkenkrabbers zijn net mensen. Ze raken elkaar niet’, schrijft ze in 1947.

Naast het geluk en ook de onzekerheid van haar eigen gezin (Bourgeois noemt zichzelf een twijfelende, bange moeder die af en toe verschrikkelijke woede-uitbarstingen heeft) is haar vader aan de beurt. Een afrekening die tot op de dag van vandaag duurt. Vader Louis was niet alleen een luidruchtige, Bourgondische man die het Louise kwalijk nam dat ze geen zoontje geworden was – hij hield er ook een maîtresse in eigen huis op na.

De tien jaar durende verhouding met Louise’s inwonende Engelse juf Sadie verstikte het gezin, spon een kleverig web van geheimen en verwijten tussen vader, moeder, Louise en de andere kinderen.

‘Na het diner* pakten we hem, mijn broer, mijn zus, mijn moeder en ik, en we trokken hem op tafel en rukten zijn armen en benen eraf* en we aten hem op. Afgelopen. Een fantasie, maar soms beleef je je fantasie’, zei ze in 1988, toen 77 jaar, tegen kunsthistoricus Donald Kuspit. Het beeld daarvan had ze al veertien jaar daarvoor gemaakt: een tafel met latex bollen er omheen, als familieleden die aanschuiven voor het diner. Op de tafel liggen de onderdelen van papa. The destruction of the father, voor wie het niet begrepen had.

Haar moeder, die ze op haar 21ste verloor, keert terug in beelden die een samenballing zijn van alle moeders op de wereld. De metershoge spinnen genaamd Maman, de eieren in een mandje onder haar kop en op poten die uitlopen in naalddunne punten, komen steeds weer terug. Beschermend, ijverig, fragiel, taai, slim, geduldig, maar door hun formaat ook gevaarlijk en bedreigend. Dat is symboliek die iedereen begrijpen kan, die spin met haar poten die zich om het slachtoffer vouwen – ‘maman’, de moeder die haar kroost beschermt en als je even niet oplet: dood knijpt.

Het huis, de ouderlijke slaapkamer, borsten, geslachtsdelen, copulerende stellen – het zijn vormen en beelden die Louise Bourgeois keer op keer maakt. Van hout, van latex dat nu door de tijd bruin en vies geworden is, maar ook van tijdloos keihard marmer, dat ze begint te bewerken na een bezoek aan de marmergroeves van Carrara in de jaren zestig. Haar werk (bedenk dat de kunst uit die tijd bestaat uit minimalistische sculpturen en hard-edge painting) is te plastisch, te lichamelijk: onmodieus. Wel geheel naar de geest van de tijd geeft Bourgeois zich over aan jarenlange psychoanalyse, en zal ze haar jeugdherinneringen steeds weer oppoetsen. Dagboek, 1959: ‘Ik leef in het verleden – goed of slecht.’ Dagboek, 1994: ‘Mijn geheugen is door de motten aangevreten. Mijn stappen nagaan, herhalen.’

Het is niet de psychoanalyse die het oeuvre van Louise Bourgeois vers heeft gehouden. In de uitstekende catalogus bij de tentoonstelling, een meanderende ABéCéDaire, komt al dat gebabbel over penisnijd, Oedipus, de vagina dentata en onverwerkt verlies wel een beetje gedateerd over. Het is voor de kunstenaar waarschijnlijk de manier geweest om haar thema’s steeds opnieuw leven in te blazen.

Gelukkig beschikt ze daarnaast over een niet-aflatende nieuwsgierigheid naar vorm. Moet een vorm staan, liggen of hangen, wanneer is een volume nog in evenwicht, moet je er naar kijken of erin kunnen schuilen, is de huid ruw of glad? Typisch Bourgeois zijn de hangende sculpturen, van ellenlange rubberen benen met kleine wiebelende voeten eraan tot een mannelijk lichaam in een hysterische gespannen pose, als een boog hangend in de lucht. Maar net zo goed maakt ze Femmes-Maisons, HuisVrouwen, wier naakte lichamen met een topzwaar huis als hoofd tegen de grond zijn getorpedeerd. Behalve dat er over de inhoud veel te zeggen valt, wordt bij dit grote overzicht ook nog eens duidelijk dat Bourgeois een beeldhouwer van formaat is, die met nieuwsgierigheid en groot gemak heerst over vorm en materiaal.

Het lijkt wel het oeuvre van tien kunstenaars, is een opmerking die je vaak leest. Wie beter kijkt, ziet een oeuvre dat de eeuw moeiteloos doorstaan heeft en waar iedereen wel wat in herkent. Vader, moeder, man, vrouw, kind – door haar persoonlijke geschiedenis keer op keer uit te schrapen raakt Bourgeois aan de bodem van het bestaan. Het persoonlijke is niet politiek, het persoonlijke is universeel.

Want iedereen is man of vrouw. Iedereen heeft familie. Iedereen is iemands kind. Iedereen kent het geschuif met loyaliteiten, afhankelijkheid, vertrouwen en het schaden ervan. En iedereen kent verlies. Verlies van naasten dat Bourgeois, die iedereen overleeft, tegenwoordig aan haar keukentafel met grove steken in stof borduurt. Man, vrouw, kind, met open monden en de naden naar buiten geslagen – pasgeboren en toch oeroud.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden